Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2025-12-30
ECLI:NL:RBAMS:2025:10791
Strafrecht; Europees strafrecht
Eerste en enige aanleg
3,342 tokens
Inleiding
RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13/280851-25
Datum uitspraak: 30 december 2025
UITSPRAAK
op de vordering van 28 oktober 2025 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).
Dit EAB is uitgevaardigd op 16 oktober 2025 door de rechtbank van eerste aanleg te Leuven, België (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[de opgeëiste persoon] ,
geboren op [geboortedag] 1999 in [geboorteplaats] ,
inschrijvingsadres in de Basisregistratie Personen:
[BRP-adres] ,
nu gedetineerd in [penitentiaire inrichting] ,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.
1Procesgang
De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 16 december 2025, in aanwezigheid van mr. W.L.M. van Poll, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. K. van der Vlies, advocaat in Purmerend.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met dertig dagen verlengd.
Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen.
2Identiteit van de opgeëiste persoon
Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Nederlandse nationaliteit heeft.
3Grondslag en inhoud van het EAB
Het EAB vermeldt een internationaal bevel tot aanhouding bij verstek van 15 oktober 2025 van de onderzoeksrechter van de rechtbank van eerste aanleg te Leuven.
De uitvaardigende justitiële autoriteit verzoekt de overlevering vanwege het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan naar Belgisch recht strafbare feiten. Deze feiten zijn omschreven in het EAB.
4Strafbaarheid
4.1
Feit vermeld op bijlage 1 bij de OLW
De uitvaardigende justitiële autoriteit wijst twee van de strafbare feiten aan als een zogenoemd lijstfeit, dat in Nederland in de lijst van bijlage 1 bij de OLW staat vermeld, te weten:
opzettelijke brandstichting.
Uit het EAB volgt dat op deze feiten naar het recht van België een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren is gesteld.
Dit betekent dat een onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van deze feiten achterwege moet blijven.
4.2
Feiten
De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft de overige twee feiten niet aangeduid als feiten waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, wanneer – kort gezegd – voldaan is aan het vereiste dat op deze feiten naar het recht van de uitvaardigende lidstaat een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste twaalf maanden is gesteld en dat de feiten ook naar Nederlands recht strafbaar zijn.
Feiten
bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht;
deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven.
Het EAB vermeldt dat het strafmaximum voor het eerste bovengenoemde feit naar Belgisch recht drie maanden is. Hierdoor is niet voldaan aan het vereiste dat op het feit naar het recht van de uitvaardigende lidstaat een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste twaalf maanden is gesteld. De rechtbank is echter van oordeel dat in dit geval een situatie als genoemd in artikel 7, zesde lid, OLW aan de orde is. Het EAB heeft namelijk betrekking op verschillende afzonderlijke feiten die naar zowel het recht van België als het recht van Nederland strafbaar zijn. Van die feiten voldoet één feit niet aan de voorwaarde met betrekking tot de minimale hoogte van de maximum vrijheidsstraf in België. De rechtbank oordeelt dat de overlevering op grond van artikel 7, zesde lid, OLW ook voor het feit bedreiging kan worden toegestaan, gelijktijdig met de overlevering voor de feiten die wel voldoen aan de voorwaarde met betrekking tot de minimale hoogte van de maximum vrijheidsstraf.
5De garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, OLW
De opgeëiste persoon heeft de Nederlandse nationaliteit en beroept zich op de garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, OLW. De rechtbank stelt vast dat de opgeëiste persoon zodanige banden heeft met Nederland, dat de tenuitvoerlegging van een eventueel na overlevering opgelegde straf, uit het oogpunt van maatschappelijke re-integratie beter in Nederland kan plaatsvinden dan in de uitvaardigende lidstaat. Zijn overlevering kan daarom worden toegestaan, wanneer is gewaarborgd dat de opgeëiste persoon, in geval van veroordeling in de uitvaardigende lidstaat tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf na overlevering, deze straf in Nederland mag ondergaan.
De Procureur des Konings van het Correctioneel parket van het Parket van de Procureur des Konings Leuven heeft op 2 december 2025 de volgende garantie gegeven:
“Overeenkomstig artikel 5 §3 van het kaderbesluit dd. 13 juni 2002 betreffende het Europees Aanhoudingsbevel bied ik u de garantie voor de terugkeer naar Nederland van de door u overgeleverd onderdaan of ingezetene, in casu [de opgeëiste persoon] ( [geboortedag] 1999).
Deze garantie houdt in dat, eens betrokkene in België onherroepelijk tot een vrijheidsbenemende straf of maatregel is veroordeeld, deze persoon naar Nederland wordt overgebracht teneinde deze straf of maatregel aldaar te ondergaan. De overbrenging steunt op het Overbrengingsverdrag (Raad van Europa, 21 maart 1983).”
Naar het oordeel van de rechtbank is deze garantie voldoende.
6Artikel 11 OLW; Belgische detentieomstandigheden
6.1
Inleiding
Bij uitspraak van 14 december 2022 heeft de rechtbank geoordeeld dat op dit moment een algemeen gevaar bestaat dat gedetineerden in alle detentie-instellingen in België worden onderworpen aan een onmenselijke behandeling gelet op de detentieomstandigheden in die instellingen.
Bij brief van 25 november 2025, afkomstig van het Diensthoofd bij het Directoraat-generaal Wetgeving Fundamentele rechten en Vrijheden, Dienst internationale samenwerking in strafzaken, Centrale autoriteit van de Federale Overheidsdienst Justitie te Brussel, is voor de opgeëiste persoon de volgende detentiegarantie gegeven:
“
1. In welke detentie-instelling zal de opgeëiste persoon gedetineerd worden?
[de opgeëiste persoon] zal worden opgesloten in de gevangenis van Leuven-Hulp indien na overlevering door de bevoegde gerechtelijke autoriteit wordt beslist dat de persoon in voorlopige hechtenis dient te blijven.
2. Welke waarborgen worden gegarandeerd inzake de detentieomstandigheden in de detentie-instelling?
België garandeert dat de opgeëiste persoon na overlevering zal worden opgesloten in een instelling en op een wijze die in overeenstemming is met de fundamentele rechten en in het bijzonder relevante internationale standaarden (o.a. CPT standaarden) met in begrip van voldoende individuele leefruimte, afgescheiden sanitair en dagactiviteiten buiten de cel.
In deze zaak garandeert België de volgende waarborgen inzake de detentieomstandigheden waar [de opgeëiste persoon] aan zal worden onderworpen na overlevering:
- De opgeëiste persoon zal niet worden opgesloten in een cel met minder dan 3 m2 individuele levensruimte. Dit geldt zowel indien de opgeëiste persoon in een eenpersoons- als in een meerpersoonscel zou worden opgesloten.
- De gemiddelde minimum leefruimte van elke cel is 9 m2 inclusief vast meubilair.
o De sanitair blokken omvatten een wasbak en een toilet dat is afgescheiden van de rest van de cel door een muur of scherm
o Het vast meubilair omvat onder andere een tafel, kast, bed en bureau.
- De opgeëiste persoon zal een bed ter beschikking hebben en zal bijgevolg niet op grond hoeven te slapen.
- Er worden verschillende dagactiviteiten buiten de cel voorzien. Deze activiteiten omvatten in ieder geval regelmatige wandelingen in een open koer en familiebezoeken alsook toegang tot gemeenschappelijke ruimtes. Aanvullende activiteiten zoals sport en arbeid zijn onderhevig aan aanzienlijke wachtlijsten.
3. Sanitaire en hygiëne omstandigheden
Als algemene regel, voorziet de Basiswet van 12 januari 2005 betreffende het gevangeniswezen en de rechtspositie van de gedetineerden in algemene rechten en plichten voor gedetineerden, o.a. het recht op dagelijkse persoonlijke hygiëne, het recht op toegang tot gezondheidszorg en -bescherming evenredig aan dewelke wordt voorzien buiten de gevangenismuren. In dit verband, is een penitentiaire gezondheidsraad opgericht bij wet die adviseert bij het verbeteren van de kwaliteit de gezondheidszorg binnen de gevangenismuren. De medische zorg binnen de gevangenismuren is van gelijke kwaliteit als de medische zorg die wordt verstrekt buiten de gevangenismuren.”
6.2
Standpunt van de raadsvrouw
De raadsvrouw stelt zich primair op het standpunt dat de detentiegarantie het algemene gevaar op schending van grondrechten in detentie in België voor de opgeëiste persoon niet wegneemt. Ter onderbouwing hiervan verwijst de raadsvrouw naar meerdere nieuwsartikelen, waarin wordt geschreven over overbevolking, grondslapers en te veel gedetineerden op een cel. Ook wordt in de nieuwsartikelen geschreven over een recente staking in de detentie-instelling Leuven-Hulp. Het gevangenispersoneel voert sinds 1 december 2025 alleen nog maar essentiële taken uit. Uit de detentiegarantie volgt niet of de opgeëiste persoon zal worden opgesloten in een eenpersoonscel of in een meerpersoonscel. Als de opgeëiste persoon wordt geplaatst in een meerpersoonscel bestaat de kans dat hij door celgenoten gedwongen wordt om zijn bed af te staan zodat hij alsnog op de grond moet slapen. Daarnaast valt niet uit te sluiten dat de opgeëiste persoon 23 uur per dag op de cel moet doorbrengen. Voor de opgeëiste persoon bestaat dus een individueel gevaar voor onmenselijke en vernederende detentieomstandigheden. De rechtbank moet daarom geen gevolg geven aan het EAB en de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaren. Subsidiair stelt de raadsvrouw zich op het standpunt dat aanvullende vragen moeten worden gesteld aan de Belgische autoriteiten over de detentieomstandigheden.
Conclusie
De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe.
8Toepasselijke wetsartikelen
De artikelen 140 en 285 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2, 5, 6 en 7 OLW.
Dictum
STAAT TOE de overlevering van [de opgeëiste persoon] aan de rechtbank van eerste aanleg te Leuven, België, voor de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. M. Westerman, voorzitter,
mrs. M.C.M. Hamer en C.M.S. Loven, rechters,
in tegenwoordigheid van V.C. Vermeulen, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 30 december 2025.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.
Zie artikel 23 OLW.
Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.
A ÁG113123845929gÈ
G113123845929
Zie onderdeel e) van het EAB.
ECLI:NL:RBAMS:2022:7536
Rb Amsterdam 23 juli 2025, ECLI:NL:RBAMS:2025:5423 en Rb Amsterdam 13 november 2025, ECLI:NL:RBAMS:2025:8701.
Hof van Justitie van de Europese Unie, 25 juli 2018, ML, ECLI:EU:C:2018:589.
HvJ EU 5 april 2016, ECLI:EU:C:2016:198 (Aranyosi en Cǎldǎraru), punten 82-103.