Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2025-10-23
ECLI:NL:RBAMS:2025:10758
Civiel recht
Eerste aanleg - enkelvoudig
5,124 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBAMS:2025:10758 text/xml public 2026-02-06T12:39:05 2026-01-07 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Amsterdam 2025-10-23 11636276 CV FORM 25-5537 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig Schadevergoedingsuitspraak Op tegenspraak Beschikking NL Amsterdam Civiel recht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2025:10758 text/html public 2026-02-06T12:35:26 2026-02-06 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBAMS:2025:10758 Rechtbank Amsterdam , 23-10-2025 / 11636276 CV FORM 25-5537 luchtvaart, small claim, bevoegdheid medepassagier, toepasselijk recht, verloren bagage, verdrag van montreal, oneerlijke handelspraktijk, informatieplicht vervoerder RECHTBANK [plaats 1] Afdeling privaatrecht zaaknummer: 11636276 CV FORM 25-5537 beschikking van: 23 oktober 2025 func.: 569 beschikking van de kantonrechter I n z a k e [verzoeker] wonende te [woonplaats] (België) verzoeker nader te noemen: [verzoeker] procederend in persoon t e g e n de naamloze vennootschap Koninklijke Luchtvaart Maatschappij N.V. gevestigd te Amstelveen verweerster nader te noemen: KLM gemachtigde: mrs. R.L.S.M. Pessers en E.A.M. Deldycke De procedure In het kader van de Europese procedure voor geringe vorderingen (Verordening (EG) nr. 861/2007, hierna: EPGV-Verordening) heeft [verzoeker] door middel van het Vorderingsformulier A als bedoeld in artikel 4 lid 1 EPGV-Verordening een vordering ingesteld, door de rechtbank ontvangen op 31 maart 2025. Vervolgens zijn ingediend: - een verweer van KLM genoemd conclusie van antwoord - een schriftelijk stuk van [verzoeker] genaamd repliek - een schriftelijk stuk van KLM genaamd dupliek - een schriftelijke stuk van de zijde van [verzoeker] De feiten 1.1. [verzoeker] heeft tezamen met zijn partner de heer [naam 1] , hierna [naam 1] genoemd, met KLM een vervoersovereenkomst gesloten. Het vluchtschema was als volgt: - [plaats 1] – [plaats 2] – [plaats 3] op 31 augustus 2024 en 1 september 2024 - [plaats 3] – [plaats 2] – [plaats 1] op 21 september 2024. Het deel van de vlucht [plaats 1] – [plaats 2] / [plaats 2] – [plaats 1] is uitgevoerd door KLM. Het deel van de vlucht [plaats 2] – [plaats 3] / [plaats 3] – [plaats 2] is uitgevoerd door Vietnam Airlines. 1.2. De vervoersovereenkomst is gesloten via een Italiaans reisbureau. Op de overeenkomst zijn de Italiaanse algemene voorwaarden van toepassing verklaard. In artikel 3.4 d van de algemene voorwaarden is opgenomen: ‘with the exception of Article 3.4 (b) the following applies to Passengers who have purchased a KLM ticket in Italy (…) travel agency. The Passenger will not be charged a fixed supplement at check-in. In the event that the Passenger, for any reason, cannot use the ticket for the flight, but uses it for other segments (or in the case of a multi-segment ticket, for return segments), the Passenger must inform KLM within 24 hours of the start of the first segment of the unused departure flight. If the departure time of the return flight is set within 24 hours of the unused departure flight, the Passenger must inform KLM at least 2 hours before the departure of the return flight (…) In the absence of such notification, the Passenger will be treated in accordance with Article 3.4 (…) 1.3. KLM heeft in een-mail van 30 augustus 2024 aan [verzoeker] meegedeeld: ‘Checklist before departing to the airport 1. Please meet the entry requirements (onderstreept is hyperlink, kantonrechter) of the destination you’re traveling to of transferring in before you’re allowed to board’ 1.4. [verzoeker] en KLM hebben op 31 augustus 2024 elk één koffer ingecheckt als ruimbagage te [plaats 1] . 1.5. [naam 1] is op 1 september 2024 toegang tot Vietnam geweigerd door de douane omdat zijn visum niet geldig zou zijn. Tevens bleek dat zijn koffer niet was aangekomen te [plaats 3] . 1.6. [verzoeker] en [naam 1] zijn teruggevlogen naar [plaats 2] op 1 september 2024. De passagiers hebben via e-mails van 2 september 2024, 3 september 2024 en 10 september 2024 contact opgenomen met KLM. ‘Beiden hebben wij approved Visa’s voor Vietnam. (…) [naam 1] werd de douane niet doorgelaten opdat dat er een fout in zijn visum zou staan. (…) Urenlang werd hij vastgehouden waarbij zijn rechten werden geschonden, (…) hij mocht zijn telefoon niet opladen, kreeg geen water of niks.’ ‘We hadden de juiste documenten om het land in te komen. We hebben geen zin om tijdens onze vakantie een gevecht aan te gaan met de lokale autoriteiten van Vietnam en daarom besloten om in Thailand te blijven. We begrijpen dat er geen verantwoordelijkheid bij KLM ligt.’ Tevens heeft [verzoeker] meegedeeld dat zij van de terugreis enkel van het gedeelte [plaats 2] - [plaats 1] gebruik willen maken. Voorts heeft [verzoeker] meegedeeld dat de koffer van [naam 1] niet is gearriveerd in [plaats 3] . KLM heeft meegedeeld dat voor het wijzigen van tickets een fee van € 813,86 diende te worden betaald. Deze optie zou 24 uur kunnen worden opgeslagen. Tevens heeft KLM meegedeeld dat een PIR (Property Irregularity Report, kantonrechter) rapport ter zake van de verloren koffer enkel opgemaakt kan worden indien de laatste vlucht was uitgevoerd door KLM. [verzoeker] heeft bezwaar tegen de fee/wijziging gemaakt, heeft KLM gewezen op artikel 3.4 d van de toepasselijke algemene voorwaarden en heeft KLM verzocht om gebruik te maken van de terugvlucht zonder bijkomende kosten. KLM heeft vervolgens aan [verzoeker] meegedeeld: ‘Ik kan u helaas niet anders informeren dan reeds is gedaan. Mocht u de wijziging voor [sic] willen zetten om uw ticket te behouden, hoor ik het graag. Anders kunt u helaas alleen een nieuw ticket boeken vanaf de bestemming van waar u zal vertrekken.’ 1.7. [verzoeker] en [naam 1] hebben geen gebruik gemaakt van de optie/wijziging, zijn op 21 september 2024 naar de luchthaven van [plaats 2] gegaan, zijn toegelaten tot de vlucht en hebben de vlucht van [plaats 2] naar [plaats 1] genomen. 1.8. Via e-mail van 24 september 2024 heeft een medewerker van ‘the lost and found section’ van Vietnam Airport aan [verzoeker] meegedeeld: ‘We checked on Vietnam Airlines system, you didn’t check in any baggage, this is the reason we could not create file (PIR, kantonrechter ) for Vietnam Airlines (…)’ 1.9. [verzoeker] heeft per e-mail van 3 oktober 2024 aan KLM verzocht een PIR rapport op te maken voor de verloren bagage, vergoeding gevraagd van gemaakte noodkosten ten gevolge van verlies van bagage en tot slot compensatie op grond van het Verdrag van Montreal. 1.10. KLM heeft via e-mail van 11 oktober 2024 aan [verzoeker] meegedeeld: ‘We have decided to waive the payment as a goodwill gesture on this occasion (…) Regarding the lost baggage issue, we have thoroughly checked our records and found no (…) (PIR) filed with us. As you have mentioned that the baggage was lost before your journey on flight [vluchtnummer] , we advise you to contact the airline you traveled with prior to our flight for further assistance (…)’ Vordering en verweer 2. [verzoeker] vordert, KLM te veroordelen tot betaling van € 4.999,00 en tot betaling van de proceskosten. De vordering behelst de volgende deelvorderingen: a. € 3.100,00 aan emotionele schade en gederfd vakantiegenot; b. € 500,00 wegens onterechte omboekingskosten; c. € 381,52 wegens verlies van bagage; d. € 500,00 wegens noodzakelijke aankopen ten gevolge van verlies van bagage; e. wettelijke rente over voornoemde posten vanaf 6 maart 2025; f. proceskosten. 3. [verzoeker] stelt daartoe – kort gezegd – dat hij en [naam 1] door het handelen van KLM schade hebben geleden. [verzoeker] vordert schadevergoeding. 4. KLM verweert zich tegen de vordering. 5. De stellingen en verweren van partijen komen voor zover van belang bij de beoordeling aan de orde. Beoordeling Rechtsmacht en bevoegdheid kantonrechter 6. De kantonrechter stelt vast dat de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft en dat hij bevoegd is van de vordering kennis te nemen. Toepasselijk recht 7. De kantonrechter verwerpt het beroep van [verzoeker] op het Belgische (Consumenten)recht. Op grond van artikel 5 lid 2 van de Verordening (EG) nr.
Volledig
593/2008 (Rome 1) is bij vervoersovereenkomst het toepasselijke recht het recht dat, bij gebreke van een rechtskeuze, het recht van het land van de woonplaats van de consument toepasselijk mits de plaats van vertrek of van de bestemming daar gelegen zijn. Gesteld noch gebleken is dat er sprake is geweest van een rechtskeuze zodat de kantonrechter ervan uitgaat dat er geen rechtskeuze heeft plaatsgevonden. In het arrest van 9 juli 2009 (Rehder, C-204/08) heeft het Hvj EU geoordeeld dat bij een vliegreis zowel de plaats van vertrek als de plaats van bestemming van de vlucht gelden als de plaats waar de dienst werd verstrekt of verstrekt had moeten worden. Dat betekent dat het Belgisch recht niet toepasselijk is nu de dienst niet is verstrekt in België. Op grond van artikel 5 lid 2 is in dat geval het recht waar de vervoerder zijn gewone verblijfplaats heeft van toepassing, in casu Amstelveen, zodat het Nederlandse recht van toepassing is. Processtukken 8. De kantonrechter heeft de stukken van [verzoeker] die na het indienen van het processtuk van de zijde van KLM genaamd conclusie van dupliek in het geding zijn gebracht buiten beschouwing gelaten. De conclusie van dupliek bevatte geen producties waar [verzoeker] op had mogen reageren. Daarmee was een einde gekomen aan de mogelijkheid om stukken in te dienen. Bevoegdheid [verzoeker] 9. Het meest verstrekkende verweer van KLM is dat [verzoeker] niet bevoegd is om een vordering in te stellen namens [naam 1] . Dit heeft [verzoeker] gepoogd te repareren door een volmacht van [naam 1] te verstrekken om voor hem in deze procedure op te treden. Daartegen heeft KLM bezwaar gemaakt en zij heeft gesteld dat dit enkel via lastgeving kan. De kantonrechter oordeelt als volgt. De small claim procedure is opgezet om relatief eenvoudige vorderingen, althans tot een bedrag van € 5.000,- in te kunnen stellen in grensoverschrijdende gevallen als de onderhavige. Daarmee verhoudt zich niet dat er al te strikt wordt gekeken naar formele vereisten in die zin dat uit de volmacht afdoende volgt dat het de bedoeling van [naam 1] is om de vordering over te dragen aan [verzoeker] . De kantonrechter zal de volmacht in die zin lezen. Voorts volgt uit de stukken dat KLM inhoudelijk verweer voert op de gehele vordering, inclusief het gedeelte dat betrekking heeft op [naam 1] , zodat KLM niet in haar procesbelang is geschaad. Dit betekent dat de gehele vordering wordt beoordeeld. Dit betekent tevens dat [naam 1] niet zelf een vordering meer zal kunnen instellen ter zake van hetgeen thans over wordt geoordeeld. Hoogte vordering 10. De kantonrechter constateert dat [verzoeker] de facto een bedrag van € 4.481,52 vordert vermeerderd met kosten in plaats van € 4.999,00. Verloren bagage 11. Voor zover [verzoeker] een beroep doet op Verordening 261/2004 ter zake van de verloren bagage wordt daaraan voorbij gegaan. De Verordening is hierop niet van toepassing. Het Verdrag van Montreal is van toepassing. 11. De vraag is of KLM verantwoordelijk is voor het verlies van het bagagestuk. Dat is naar het oordeel van de kantonrechter het geval. Uit de feiten volgt dat de koffer is ingecheckt bij het grondpersoneel van KLM voor de vlucht van [plaats 1] naar [plaats 2] . De koffer is vervolgens niet overgedragen aan het toestel dat naar [plaats 3] is gevlogen, hetgeen volgt uit de e-mail van 24 september 2024 (1.8). Dat betekent dat de koffer hetzij in [plaats 1] dan wel in [plaats 2] is achtergebleven. In beide gevallen is KLM verantwoordelijk voor het verlies van de koffer. Dat KLM verantwoordelijk is voor het verlies van de koffer volgt overigens ook uit de e-mail van 11 oktober 2024 van KLM waarin wordt verwezen naar de vlucht voorafgaand aan die naar Vietnam, hetgeen de vlucht was die door KLM is uitgevoerd. Dat er geen PIR rapport opgemaakt kon worden is dan niet onlogisch omdat de bagage kennelijk nimmer is overgedragen aan Vietnam Airlines en voorts omdat onweersproken is gebleven de stelling van [verzoeker] dat er geen KLM personeel aanwezig was op de luchthaven in [plaats 3] . 11. Vervolgens dient de omvang van de schade te worden begroot. Het Verdrag van Montreal is van toepassing, meer specifiek de artikel 17 lid 2 ter zake van de aansprakelijkheid van de vervoerder en artikel 22 lid 2 met betrekking tot maximering van de schade. Uit de door KLM aangehaalde rechtspraak van de HvJ EU meer specifiek, [naam 2] / Iberia, 22 november 2012, C-410/11, ECLI:EU:C:2012:747 en SL/Vueling 9 juli 2020, C-96/19 ECLI:EU:2020:538, volgt dat artikel 22 lid 2 geen forfaitaire schadevergoedingsbepaling is maar dat de passagier de schade dient te onderbouwen, met name door middel van bewijsstukken van de kosten die zijn gemaakt om de inhoud van hun bagage te vervangen, de schade die zij hebben geleden in geval van vernieling, verlies, beschadiging of vertraging van die bagage te bewijzen. Er dient kortom een concrete onderbouwing van de schade te worden gegeven. In SL/Vueling is daarnaast in r.o. 41 geoordeeld dat in een situatie waarin de benadeelde passagier geen bewijs heeft aangedragen van de schade die is veroorzaakt door het erkende verlies van de bagage, de door de verwijzende rechter genoemde factoren, zoals het gewicht van de verloren bagage en de omstandigheid dat het verlies heeft plaatsgevonden op de heenreis of de terugreis, door de nationale rechter in aanmerking kunnen worden genomen om de geleden schade te beoordelen en het bedrag van de aan de benadeelde passagier te betalen schadevergoeding vast te stellen. Deze factoren moeten evenwel niet los van elkaar worden gezien, maar als één geheel worden beoordeeld. Gelet op het voorgaande wordt de stelling van [verzoeker] dat enkel het gewicht van de koffer, begrensd op het evenredige deel van het maximumbedrag op grond van artikel 22 lid 2, reeds afdoende is om de hoogte van de schade te bepalen, gepasseerd. 11. [verzoeker] heeft op geen enkele wijze de schade onderbouwd, hetgeen wel op zijn weg had gelegen. [verzoeker] heeft enkel gesteld dat de koffer kleding, medische benodigdheden, opladers en persoonlijke spullen bevatte en dat er vervangende goederen diende te worden aangeschaft. De kantonrechter valt dan terug op r.o. 41. van het SL/Vuelling arrest en dient de schade te schatten. Van doorslaggevend belang in deze zaak is echter dat [verzoeker] heeft meegedeeld dat de schade door hem is gemeld aan de reisverzekering maar dat er geen bewijs door KLM is ingebracht dat er een uitkering heeft plaatsgevonden noch dat er afstand van verhaal is overeengekomen. KLM beschikt echter niet over deze gegevens. Het had op de weg van [verzoeker] gelegen om hierover uitsluitsel te geven bijvoorbeeld door een verklaring van de verzekeraar over te leggen. Dit is informatie die zich in zijn domein bevindt. Aldus is onduidelijk of er een vergoeding heeft plaatsgevonden en zo ja wat de hoogte daarvan is en tot slot of de verzekeraar is gesubrogeerd in de rechten van [verzoeker] dan wel [naam 1] , waardoor er mogelijkerwijs geen vorderingsrecht meer bestaat. Gelet op het voorgaande is een schatting ook niet mogelijk. Dit deel van de vordering wordt afgewezen. Immateriële schadevergoeding Oneerlijke handelspraktijk 15. Er is onder meer sprake van een oneerlijke handelspraktijk indien er bijvoorbeeld sprake is van misleiding dan wel ongepaste beïnvloeding bij agressieve verkoop. De kantonrechter oordeelt dat er in casu sprake is geweest van een oneerlijke handelspraktijk nu KLM druk en dwang heeft uitgeoefend op [verzoeker] om tegen betaling een wijziging van de overeenkomst te accepteren. De algemene voorwaarde 3.4 d. is naast de algemene voorwaarden waar KLM zich op beroept van toepassing en is daar kennelijk een aanvulling op. Deze bepaling is onduidelijk. Uit 3.4 d. volgt dat bij het missen van segmenten van een reis KLM binnen een bepaalde periode daarvan in kennis dient te worden gesteld. Dat is gebeurd. Voorts is onduidelijk of het missen van een segment bij tijdige melding kosten met zich brengt. Deze onduidelijkheid dient op grond van de contra proferentem regel voor risico van KLM te komen.
Volledig
Bij de contra proferentem regel dient een bepaling ten nadele te worden uitgelegd van de gebruiker, die immers deze bepaling heeft geformuleerd en onderdeel van de overeenkomst heeft gemaakt, en ten gunste van, in dit geval [verzoeker] . Dat betekent dat [verzoeker] en [naam 1] op grond van de door hen gesloten overeenkomst zonder bijkomende kosten gebruik mocht maken van hun tickets. KLM heeft echter meegedeeld, terwijl zij van het standpunt van [verzoeker] op de hoogte was, dat dit niet het geval was en heeft aangedrongen op het sluiten van een nieuwe overeenkomst voor een fors bedrag, binnen een bepaalde tijd, bij gebreke waarvan [verzoeker] geen gebruik mocht maken van de vlucht. 15. De vraag is vervolgens waar dit toe leidt. Een overeenkomst die op grond van een oneerlijke handelspraktijk is gesloten kan worden vernietigd. Er is echter geen overeenkomst aangegaan naar aanleiding van de oneerlijke handelspraktijk. Vervolgens rijst de vraag wat de schade is van de oneerlijke handelspraktijk c.q. de onrechtmatige daad. KLM is de verplichtingen uit de oorspronkelijke overeenkomst nagekomen en heeft bij e-mail van 11 oktober 2024 meegedeeld geen aanspraak meer te maken op bijkomende kosten. [verzoeker] heeft uiteindelijk geen kosten gemaakt. Reeds gelet hierop is het bedrag van € 500,00 dat wordt gevorderd aan omboekingskosten niet toewijsbaar. 17. [verzoeker] doet een beroep op emotionele schade wegens het missen van een vakantiedag, ernstige stress wegens detentie van [naam 1] te Vietnam, de angst om niet terug te kunnen vliegen, de volledige overschaduwing van een dure geplande vakantie. Voor het aannemen van immateriële schadevergoeding gelden strenge eisen. Op grond van artikel 6:106 Burgerlijk Wetboek (BW) dient er in dit geval sprake te zijn van ‘op andere wijze in zijn persoon aangetast zijn’. [verzoeker] dient voldoende concrete gegevens te stellen waaruit kan volgen dat in verband met de omstandigheden van het geval psychische schade is ontstaan, waartoe nodig is dat naar objectieve maatstaven het bestaan van geestelijk letsel kan worden vastgesteld (HR 15 maart 2019, ECLI:NL:HR:2019:376, NJ 2019/162 (EBI)). Om van geestelijk letsel te kunnen spreken is niet voldoende dat sprake is van meer of minder sterk psychisch onbehagen of een zich gekwetst voelen (HR 13 januari 1995, ECLI:NL:HR:1995:ZC1608. Dat er een gevoel van ongemak of stress zal zijn geweest kan de kantonrechter zich voorstellen maar voor een beroep op vergoeding van immateriële schadevergoeding ligt de drempel hoog. Deze drempel is niet genomen. Daarvoor zijn onvoldoende concrete gegevens gesteld en is er onvoldoende onderbouwing geweest van hetgeen is gesteld, waarbij ter zake van KLM enkel dient te worden uitgegaan van immateriële schade ten gevolge van de oneerlijke handelspraktijk en niet ten gevolge van de gestelde detentie te Vietnam. Daarover wordt overwogen het volgende. Niet voldoen aan informatieplicht 18. Voor zover [verzoeker] de emotionele schade grondt op het niet verstrekken van de juiste inreisgegevens door KLM en de daaruit voortvloeiende gestelde detentie, wordt daaraan voorbij gegaan. KLM heeft [verzoeker] in de boekingsbevestiging op de hoogte gesteld dat hij dient te beschikken over de juiste ‘entry requirements’. [verzoeker] en [naam 1] hebben visa aangevraagd, hebben aan KLM meegedeeld dat ze beschikten over ‘approved Visa’s’ en hebben in de initiële mailwisseling met KLM meegedeeld dat er geen verantwoordelijkheid bij KLM hiervoor ligt. Dat daar één visum vervolgens niet in orde is volgens de Vietnamese autoriteiten kan, zonder nadere onderbouwing van [verzoeker] op welk punt KLM niet aan de informatieverplichting heeft voldaan, niet aan KLM worden tegengeworpen. Overige stellingen en verweren 19. Hetgeen overigens is gesteld of aangevoerd leidt niet tot een ander oordeel. Hoofdsom en proceskosten 20. Dat betekent dat de vordering van [verzoeker] integraal wordt afgewezen. Gelet op handelen van KLM als opgenomen onder 14. ziet de kantonrechter aanleiding de proceskosten te compenseren als hierna te melden. BESLISSING De kantonrechter: wijst de vordering af; compenseert de proceskosten in die zin dat ieder der partijen de eigen kosten draagt. Deze beschikking is gegeven door mr. E. Pennink, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 23 oktober 2025