Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2025-12-01
ECLI:NL:RBAMS:2025:10717
Strafrecht; Strafprocesrecht
Eerste en enige aanleg
1,993 tokens
=== VOLLEDIG ===
ECLI:NL:RBAMS:2025:10717 text/xml public 2026-02-05T16:37:06 2026-01-06 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Amsterdam 2025-12-01 C/13/777666 / HA RK 25-375 Uitspraak Eerste en enige aanleg Wraking Op tegenspraak NL Amsterdam Strafrecht; Strafprocesrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2025:10717 text/html public 2026-02-05T16:31:58 2026-02-05 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBAMS:2025:10717 Rechtbank Amsterdam , 01-12-2025 / C/13/777666 / HA RK 25-375 Een procesbeslissing is geen grond tot wraking. Dat verzoeker onvoldoende gelegenheid heeft gekregen zijn standpunt naar voren te brengen, is niet gebleken. Maar ook indien aangenomen zou moeten worden dat de rechter verzoeker heeft beperkt in zijn verweer, levert dat op zichzelf geen grond tot wraking op. beslissing RECHTBANK Amsterdam Wrakingskamer zaaknummer: C/13/777666 / HA RK 25/375 Beslissing van 1 december 2025 van de meervoudige wrakingskamer van de rechtbank op het verzoek van [verzoeker] , hierna te noemen: verzoeker raadsman: mr. E.B. Jobse strekkende tot de wraking van mr. D.A. Segbedzi rechter in deze rechtbank hierna te noemen: de rechter. 1 De procedure De wrakingskamer heeft kennisgenomen van: het verkort proces-verbaal van de zitting van 24 oktober 2025 waarin het wrakingsverzoek van verzoeker is opgenomen, met een bijlage; het proces-verbaal van de zitting van 24 oktober 2025 met twee bijlagen; de pleitaantekeningen van de raadsman voor de zitting van 24 oktober 2025; de schriftelijke reactie van de rechter. De rechter berust niet in de wraking. Het verzoek is behandeld ter openbare terechtzitting van 26 november 2025. Op de mondelinge behandeling zijn verzoeker en de rechter verschenen. Verzoeker en de rechter hebben hun standpunten nader toegelicht - verzoeker mede aan de hand van een pleitnota en twee bijlagen - en vragen beantwoord. 2 De feiten Uitgegaan wordt van de volgende feiten: Verzoeker is verdachte in een strafzaak die is geregistreerd onder parketnummer 13/395298-24 . Op de zitting van 24 oktober 2025 is door verzoeker onder meer het verzoek gedaan tot het horen van een getuige en het benoemen van een deskundige. De rechter heeft deze verzoeken afgewezen. Verzoeker heeft naar aanleiding daarvan het woord gevoerd. Na de ondervraging van de verdachte heeft de officier van justitie gerekwireerd tot bewezenverklaring van het tenlastegelegde feit en oplegging van een straf. Vervolgens heeft de raadsman gepleit overeenkomstig zijn pleitnota en heeft re- en dupliek plaatsgevonden. De rechter heeft aan verzoeker het laatste woord gegeven. In het proces-verbaal is hierover het volgende opgenomen: “(…) De politierechter geeft verdachte het laatste woord. De verdachte verklaart: Ik ga nu de internationaal rechtelijke verweren voeren. Dit gaat wel even duren. Ik denk een kwartier bezig te zijn. De verdachte voert het woord overeenkomstig het overgelegde document, die aan dit proces-verbaal gehecht is. De inhoud daarvan dient als ingelast te worden beschouwd. De politierechter onderbreekt de verdachte. De politierechter verzoekt de verdachte zich te houden tot het feit dat hem verweten wordt. De verdachte en zijn raadsman trekken zich kort terug op de gang. De verdachte verzoekt om wraking van de politierechter (…)” 3 Het wrakingsverzoek en de reactie daarop 3.1 Verzoeker legt aan zijn wrakingsverzoek - samengevat - ten grondslag dat de rechter zijn verzoek tot het horen van een belastende getuige en het benoemen van een deskundige heeft afgewezen en hem geen (voldoende) gelegenheid heeft geboden tot het (zelf) voeren van pleidooi ten aanzien van zijn internationaalrechtelijke verweren. Volgens verzoeker was de zitting nog in de fase van pleidooi en heeft de rechter hem ten onrechte op dat moment al het laatste woord gegeven. Doordat de rechter hem niet de mogelijkheid heeft geboden zijn zes internationaalrechtelijke verweren te voeren, is zij vooringenomen ten aanzien van de in deze zaak nog te nemen beslissingen. Dit wordt onderstreept doordat het proces-verbaal niet zijn gehele mondeling voorgedragen pleidooi weergeeft. 3.2 De rechter heeft laten weten niet in de wraking te berusten en heeft op het verzoek gereageerd en - kort gezegd - gesteld dat zij aan verzoeker heeft uitgelegd dat zij het verzoek tot het benoemen van een deskundige heeft afgewezen omdat het voor de in de zaak te nemen beslissingen niet relevant is of de aangever genocide heeft gepleegd. Dit heeft zij ook herhaald toen zij verzoeker verzocht zich te beperken tot de beschuldiging toen hij tijdens zijn laatste woord liet weten zijn verdediging te willen voeren en dat dit een kwartier zou duren. 3.3 De nadere standpunten worden hierna - voor zover nodig - besproken. 4 De beoordeling 4.1 Op grond van artikel 512 Sv kan een rechter worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Daarvan is sprake als de rechter jegens een procesdeelnemer vooringenomen is of als de vrees daarvoor objectief gerechtvaardigd is. Daarbij is het uitgangspunt dat een rechter wordt vermoed onpartijdig te zijn omdat hij als rechter is aangesteld. Voor het oordeel dat de rechterlijke onpartijdigheid toch schade lijdt, bestaat alleen grond in geval van bijzondere omstandigheden die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het aannemen van (de objectief gerechtvaardigde schijn van) partijdigheid. Uit de wet volgt dat de verzoeker die concrete omstandigheden moet aanvoeren en wel zodra deze aan hem bekend zijn geworden. 4.2 In zijn arrest van 25 september 2018 (HR 25 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1413) heeft de Hoge Raad overwogen dat het gesloten stelsel van rechtsmiddelen meebrengt dat een rechterlijke (tussen)beslissing als zodanig nimmer grond kan vormen voor wraking: wraking is geen verkapt rechtsmiddel. Het gerecht dat over het wrakingsverzoek moet oordelen (de wrakingskamer) komt geen oordeel toe over de juistheid van de (tussen)beslissing noch over het verzuim te beslissen. Dat oordeel is voorbehouden aan de rechter die in geval van de aanwending van een rechtsmiddel belast is met de behandeling van de zaak. 4.3 Bij de beantwoording van de vraag of de motivering van een dergelijke (tussen)beslissing getuigt van vooringenomenheid, moet uitgangspunt zijn dat het gesloten stelsel van rechtsmiddelen zich evenzeer ertegen verzet dat die motivering grond kan vormen voor wraking, ook indien het gaat om een door de wrakingskamer onjuist, onbegrijpelijk, gebrekkig of te summier geachte motivering of om het ontbreken van een motivering. Dit is uitsluitend anders indien de motivering van de (tussen)beslissing in het licht van alle omstandigheden van het geval en naar objectieve maatstaven gemeten - bijvoorbeeld door de in de motivering gebezigde bewoordingen - niet anders kan worden verstaan dan als blijk van vooringenomenheid van de rechter die haar heeft gegeven. 4.4 Het afwijzen van de onderzoekswensen van verzoeker betreft een beslissing van de rechter. Zoals de Hoge Raad heeft geoordeeld in het hierboven genoemde arrest kan een rechterlijke beslissing geen grond voor wraking opleveren. Dat geldt ook voor de motivering van die beslissing, die ziet op de juridische (ir)relevantie voor enige te nemen beslissing. 4.5 Ten aanzien van de naar voren gebrachte wrakingsgrond, dat verzoeker geen of onvoldoende gelegenheid zou hebben gekregen om zijn internationaalrechtelijke verweren te voeren, wordt het volgende overwogen. Eén van de taken van de rechter is om de orde ter zitting te bewaken en regie te voeren op de zitting. In dat kader is er ook een rol voor de rechter weggelegd om ervoor zorg te dragen dat hetgeen door een partij wordt aangevoerd zoveel mogelijk wordt beperkt tot datgene dat voor de beoordeling van de zaak relevant is. Uit het proces-verbaal blijkt dat verzoeker en zijn raadsman op de zitting meermaals het woord hebben gekregen en de raadsman ook gebruik heeft gemaakt van pleitnotities.