Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2025-10-24
ECLI:NL:RBAMS:2025:10457
Civiel recht
Eerste aanleg - enkelvoudig
6,064 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBAMS:2025:10457 text/xml public 2026-01-29T10:50:57 2025-12-23 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Amsterdam 2025-10-24 C/13/775916 / KG ZA 25-769 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig Kort geding Proceskostenveroordeling Voorlopige voorziening Op tegenspraak NL Amsterdam Civiel recht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2025:10457 text/html public 2026-01-29T10:49:48 2026-01-29 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBAMS:2025:10457 Rechtbank Amsterdam , 24-10-2025 / C/13/775916 / KG ZA 25-769 Kort geding. (Langlopend) geschil tussen familieleden, aandeelhouders en certificaathouders. Verbod tot nemen besluit tot hof over deze voorlopige voorziening heeft beslist. RECHTBANK Amsterdam Civiel recht, voorzieningenrechter Zaaknummer: C/13/775916 / KG ZA 25-769 MK/EvK Vonnis in kort geding van 24 oktober 2025 in de zaak van 1 [eiser 1] , te [woonplaats 1] , hierna te noemen: [eiser 1] , 2. [eiser 2] , te [woonplaats 2] , hierna te noemen: [eiser 2] , 3. STICHTING ADMINISTRATIEKANTOOR TER CONTINUERING HUIZENMAATSCHAPPIJ. , te Amsterdam, hierna te noemen: de Stak, tezamen bij advocaat: mr. G.C. Endedijk 4 4. [eiser 4] , te [woonplaats 3] , hierna te noemen: [eiser 4] , advocaat: mr. A.M. van Riemsdijk, samen eisende partijen/eisers, bij dagvaarding van 29 september 2025, en B.V. HUIZENMIJ , te Amsterdam, hierna te noemen: Huizenmij, gevoegde partij aan de zijde van eisers, advocaat: mr. M.P.H. Sanders en mr. J.S. Mennema, tegen 1 [gedaagde 1] , te [woonplaats 4] , hierna te noemen: mevrouw [gedaagde 1] , 2. [gedaagde 2] , te [woonplaats 5] , hierna te noemen: [gedaagde 2] , tezamen bij advocaat: mr. S. Knottnerus, 3 3. [gedaagde 3] STICHTING, te [locatie] , hierna te noemen: [gedaagde 3] , advocaat: mr. J. Stikkelbroeck, gedaagde partijen, hierna samen te noemen: gedaagden of certificaathouders. korte samenvatting De aandelen in Huizenmij zijn gecertificeerd en worden gehouden door de Stak. [gedaagde 1] , [gedaagde 2] en [gedaagde 3] (gedaagden) zijn tezamen met [eiser 4] (een van de eisers) certificaathouders. Er bestaat grote onenigheid over de toekomst van de Stak. [eiser 4] , samen met [eiser 1] en [eiser 2] (bestuurders van de Stak) willen een andere koers dan mevrouw [gedaagde 1] (ook bestuurder van de Stak), [gedaagde 2] en [gedaagde 3] . [gedaagde 3] is de partij die graag, om de impasse te doorbreken, de aandelen in Huizenmij wil decertificeren en de Stak wil ontbinden. In eerste aanleg bij de rechtbank heeft [gedaagde 3] dit voornemen al eerder geuit, maar toen is, op verzoek van de tijdelijk bestuurder, een verbod opgelegd om hiertoe te beslissen. Uiteindelijk heeft de rechtbank in haar eindbeslissing het voltallige bestuur van de Stak ontslagen, maar deze beslissing niet uitvoerbaar bij voorraad verklaard, wat betekent dat de drie bestuurders van de Stak er nu nog zitten. De partijen [eiser 2] , [eiser 1] en de Stak hebben hoger beroep ingesteld en in het kader van dit hoger beroep bij het hof om een voorlopige voorziening verzocht om opnieuw een verbod op te leggen tot het nemen van een besluit tot decertificering van de aandelen en ontbinding van de Stak. In de tussentijd is op verzoek van [gedaagde 3] een vergadering van certificaathouders bijeengeroepen om, onder meer, te beslissen over decertificering van de aandelen en ontbinding van de Stak. De eerste vergadering op 2 oktober 2025 heeft plaatsgevonden, maar daar zijn niet alle certificaathouders verschenen. Daarom staat een tweede certificaathoudersvergadering gepland op 30 oktober 2025. Op 22 oktober 2025 stond de zitting bij het hof gepland waarbij (onder meer) wordt gesproken over de voorlopige voorziening tot geven van een verbod tot het besluiten tot decertificering van de aandelen en ontbinding van de Stak. Eisers vrezen dat het hof geen uitspraak zal doen vóór de tweede geplande certificaathoudersvergadering op 30 oktober 2025 en vragen daarom in dit kort geding om gedaagden te verbieden een besluit tot decertificering van de aandelen en ontbinding van de Stak te nemen vóórdat het hof over deze voorlopige voorziening heeft beslist. 1 De procedure 1.1. Tijdens de mondelinge behandeling van dit kort geding op 10 oktober 2025 hebben eisers en Huizenmij (zie hierna) de dagvaarding toegelicht. Gedaagden hebben, mede aan de hand van een vooraf ingediende conclusies van antwoord, verweer gevoerd. Alle partijen hebben producties ingediend en een pleitnota. 1.2. Huizenmij heeft voorafgaand aan de mondelinge behandeling een incident tot voeging ingesteld. Bij aanvang van de mondelinge behandeling hebben partijen hun standpunt ten aanzien van deze voeging kort toegelicht waarbij gedaagden hebben aangevoerd dat Huizenmij geen belang heeft bij de voeging en dat deze in strijd is met de goede procesorde. Na een korte schorsing heeft de voorzieningenrechter beslist dat Huizenmij zich mag voegen aan de zijde van eisers omdat Huizenmij voldoende belang heeft bij de uitkomst van deze zaak en de voeging niet in strijd is met de goede procesorde. 1.3. Bij de mondelinge behandeling waren aanwezig: [eiser 1] en [eiser 2] , mr. Endedijk, [eiser 4] , mr. Van Riemsdijk, mr. Sanders en mr. Mennema, mr. J.H.A. van Woudenberg, de beheerder van de aandelen in Huizenmij, [gedaagde 2] , mr. Knottnerus, mr. Stikkelbroeck. 1.4. Na verder debat is vonnis bepaald op vandaag. 2 De feiten partijen 2.1. [eiser 4] en [gedaagde 2] zijn tweelingbroers. Mevrouw [gedaagde 1] is hun moeder. Vader [naam 1] (hierna: [naam 1] ) is overleden op [overlijdensdatum] 2021. 2.2. [gedaagde 3] is in 1913 opgericht en heeft een charitatieve doelstelling. 2.3. Huizenmij beheert een vastgoedportefeuille. Bij de oprichting in 1891 is een deel van het gezamenlijk familievermogen van de [familienaam gedaagde 3] en de [familienaam gedaagde 1,2] in Huizenmij ondergebracht. 2.4. De aandelen in het kapitaal van Huizenmij worden gehouden door de Stak, opgericht op 2 april 2002. De certificaten van de aandelen (3.200) worden in gelijke delen gehouden door twee groepen: de [familienaam gedaagde 1,2] en [familienaam gedaagde 3] : de heer [naam 2] had de helft, 1.600 certificaten, en heeft die ingebracht/geschonken aan [gedaagde 3] , [naam 1] hield de andere helft, 1.600 certificaten, waarvan mevrouw [gedaagde 1] er nu 1596 heeft en [eiser 4] en [gedaagde 2] ieder twee. 2.5. Het bestuur van de Stak bestaat volgens de statuten (samengevat) uit (minimaal) drie bestuurders: een bestuurder A gelieerd aan de [familienaam gedaagde 3] , een bestuurder B gelieerd aan de [familienaam gedaagde 1,2] , en een bestuurder C, een onafhankelijke derde. 2.6. De bestuurders van de Stak zijn op dit moment: [eiser 1] (benoemd als bestuurder A), mevrouw [gedaagde 1] (benoemd als bestuurder B) en [eiser 2] (benoemd als bestuurder C). 2.7. [eiser 4] is de bestuurder van Huizenmij. andere procedures 2.8. In de procedure bij deze rechtbank, gestart met een verzoekschrift van [eiser 1] en [eiser 2] van 31 maart 2023, hebben [eiser 1] & [eiser 2] enerzijds, en mevrouw [gedaagde 1] anderzijds (bij zelfstandig (tegen)verzoek) verzocht om elkaars ontslag. Er zijn meerdere beschikking gewezen. Relevant voor dit kort geding is dat bij beschikking van 20 juli 2023 is geoordeeld dat binnen het bestuur van de Stak sprake is van een onherstelbare vertrouwensbreuk die adequaat functioneren van het bestuur in de weg staat. Daarbij is als voorlopige voorziening mr. J.H. van Woudenberg benoemd tot onafhankelijke, tijdelijke bestuurder van de Stak, met beslissende stem. 2.9. In de beschikking van 10 oktober 2024 heeft de rechtbank beslist op een door de tijdelijke bestuurder ingesteld spoedverzoek. Haar verzoek is om als voorlopige voorziening de vergadering van certificaathouders van de Stak een verbod op te leggen om bepaalde besluiten te nemen, waaronder een besluit tot decertificering van de Stak. De rechtbank heeft dit verzoek toegewezen en overwoog hierbij als volgt: “(…) 4.15. De rechtbank overweegt als volgt. Een billijke afweging van de hiervoor genoemde belangen brengt mee, dat de door mevrouw [gedaagde 1] c.s. gevoerde argumenten niet opwegen tegen de belangen van de STAK bij de verzochte voorziening.
Volledig
In het bijzonder weegt de rechtbank mee dat het gaat om (voorgenomen) besluiten met verregaande en onomkeerbare gevolgen voor de STAK en haar governance, terwijl die governance nu juist onderwerp is van deze procedure en de besluiten bovendien zouden indruisen tegen hetgeen in deze procedure reeds is bepaald. Het standpunt van mevrouw [gedaagde 1] c.s. dat de tijdelijke bestuurder en [eiser 1] c.s. gehouden waren om terug te treden na het besluit tot Statutenwijziging – omdat daarmee, zo begrijpt de rechtbank, uitvoering zou zijn gegeven aan de Uitgangspunten – is innerlijk tegenstrijdig aan hun standpunt dat juist dat besluit tot statutenwijziging (ver)nietig(baar) is. De rechtbank overweegt verder dat de tijdelijke bestuurder en [eiser 1] c.s. er terecht op hebben gewezen dat de geagendeerde besluiten ook haaks staan op de door de Ondernemingskamer getroffen maatregel om de aandelen in Huizenmij ten titel van beheer nu juist in handen te stellen van een tijdelijke beheerder. Uit het gegeven dat de tweede certificaathoudersvergadering reeds is gepland en de besluiten onverkort op de agenda staan, blijkt de noodzaak om de gevraagde voorziening te treffen. Het op te leggen verbod is niet disproportioneel, mede omdat het gaat om een voorlopige voorziening die een beperkte werkingsduur heeft, namelijk tot aan de eindbeschikking in deze procedure. De certificaathoudersvergadering behoudt dan ook haar rechten op dit punt, maar de rechtbank volgt de STAK in haar betoog dat de inroeping daarvan – voorzover de lezing van de statuten van mevrouw [gedaagde 1] c.s. juist is – op dit moment verhinderd moet worden. (…)” 2.10. Bij beschikking van 6 maart 2025 heeft deze rechtbank (samengevat) geoordeeld dat ondanks de benoeming van de tijdelijke bestuurder en haar inspanningen het bestuur niet is geslaagd om te voorzien in haar opvolging en dat de impasse in het bestuur nog steeds aanwezig is. Daarom heeft de rechtbank overwogen dat het voltallige bestuur van de Stak moet worden ontslagen, hetgeen bij eindbeschikking zal worden beslist. Verder heeft de rechtbank geoordeeld dat bij die (nog te nemen) eindbeschikking de procedure zal eindigen en dat daarmee automatisch ook de voorlopige maatregelen en voorzieningen, waaronder het aan de certificaathouders opgelegde verbod om bepaalde besluiten (het besluit tot decertificering van de aandelen van de Stak en ontbinding van de Stak) te nemen. 2.11. In de eindbeschikking van deze rechtbank van 15 mei 2025 heeft de rechtbank mevrouw [gedaagde 1] , [eiser 1] en [eiser 2] ontslagen als bestuurder van de Stak. Deze eindbeschikking is niet uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Daarover heeft de rechtbank als volgt overwogen: “(…) 3.11. De rechtbank volgt mevrouw [gedaagde 1] c.s. hierin niet. Zoals al overwogen in de tussenbeschikking van 3 april 2025, heeft de bij deze eindbeschikking te nemen beslissing op zichzelf mogelijk verstrekkende gevolgen voor de rechtspositie van betrokkenen. Daarnaast hebben verzoekers aangekondigd hoger beroep in te zullen stellen tegen de te nemen eindbeschikking. Als de eindbeschikking niet uitvoerbaar bij voorraad wordt verklaard, zal het instellen van hoger beroep schorsende werking hebben voor de beslissingen in de eindbeschikking, waaronder het ontslag van de zittende bestuursleden en de benoeming van de bestuurder C. Bij die stand van zaken kunnen de belanghebbenden gebruik maken van hun recht op hoger beroep, zonder dat de gevolgen van de beslissing van de rechtbank, die als gezegd mogelijk verstrekkend en onomkeerbaar zijn, onmiddellijk intreden. Deze omstandigheden wegen naar het oordeel van de rechtbank zwaarder dan het door mevrouw [gedaagde 1] c.s. benoemde belang. De rechtbank zal deze eindbeschikking daarom niet uitvoerbaar bij voorraad verklaren. 3.12. Voor de goede orde merkt de rechtbank op dat de voor de duur van de procedure genomen voorlopige voorzieningen van benoeming van de tijdelijke bestuurder en van het aan de certificaathouders opgelegde verbod om bepaalde besluiten te nemen, van rechtswege onmiddellijk eindigen met de eindbeschikking. Vanwege dit automatische gevolg van de eindbeschikking is het verzoek van mevrouw [gedaagde 1] c.s. dat de rechtbank deze voorzieningen eindigt niet toewijsbaar. Indien daartoe redenen zouden bestaan, kunnen partijen zich voor het treffen van voorzieningen tot het hof wenden. (…)” 2.12. Tegelijkertijd met de procedure in eerste aanleg bij de rechtbank is een procedure bij de Ondernemingskamer (hierna: de OK) naar het beleid en de gang van zaken van Huizenmij gestart. In het kader van die procedure heeft de OK bij beschikking van 6 juli 2023 bepaald voor de duur van het geding de aandelen in Huizenmij ten titel van beheer over te dragen aan een door de OK te benoemen beheerder; mr. J.H. van Woudenberg (benoemt bij beschikking van 12 juli 2023), en een onderzoek bevolen. Bij beschikking van 30 januari 2025 is mr. P.M. Gunning aangewezen als onderzoeker. De huidige stand van zaken bij de OK is dat men in afwachting is van het rapport van de onderzoeker. 2.13. Op 5 augustus 2025 hebben [eiser 1] , [eiser 2] en de Stak hoger beroep ingesteld tegen de beschikking van de rechtbank van 6 maart 2025 en de eindbeschikking van 15 mei 2025. Bij dit verzoekschrift is ook verzocht om voorlopige voorzieningen te treffen voor de duur van het geding, waaronder het verbod aan de certificaathouders tot het nemen van een besluit tot decertificering van de aandelen en ontbinding van de Stak. certificaathoudersvergadering 2.14. Op 12 september 2025 heeft de heer [naam 3] , bestuurder van [gedaagde 3] , aan het bestuur van de Stak verzocht om een certificaathoudersvergadering bijeen te roepen waarin besloten kan worden over de ontbinding van de Stak en de decertificering van de aandelen. Hij schrijft dat hij dit doet omdat [eiser 2] en [eiser 1] niet willen aftreden maar hoger beroep hebben ingesteld tegen de beschikkingen van de rechtbank. 2.15. Op 18 september 2025 heeft [eiser 2] de certificaathouders opgeroepen voor een vergadering van certificaathouders op 2 oktober 2025. 2.16. Op de vergadering van 2 oktober 2025 zijn niet alle certificaathouders verschenen. Conform de statuten zijn de certificaathouders opgeroepen voor een tweede vergadering op 30 oktober 2025. 2.17. Op 22 oktober 2025 stond de mondelinge behandeling bij het hof gepland over de voorlopige voorzieningen van [eiser 1] , [eiser 2] en Stak (zie hiervoor 2.13). Bij het wijzen van dit vonnis was bij de voorzieningenrechter niet bekend of deze mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden. 2.18. De advocaat van eisers heeft de advocaat van gedaagden verzocht om te bevestigen dat niet wordt beslist op het agendaonderwerp decertificering van de aandelen en ontbinding van de Stak totdat het hof op deze gevraagde voorlopige voorziening heeft beslist. Hierop is geen bevestiging ontvangen. 3 Het geschil 3.1. Eisers vorderen – samengevat – bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis: I. gedaagden te verbieden om voorafgaande aan het oordeel van het hof Amsterdam in de zaak met zaaknummer 200.357.809 over de voorlopige voorziening die bescherming zou moeten bieden tegen decertificering van de aandelen en ontbinding van de Stak, te besluiten tot decertificering van de aandelen in het kapitaal van Huizenmij en/of tot ontbinding van de Stak, op straffe van een dwangsom; II. gedaagden hoofdelijk te veroordelen in de proceskosten, te vermeerderen met wettelijke rente. 3.2. [eiser 1] , [eiser 2] en de Stak hebben hun vorderingen onderbouwd bij monde van mr. Endedijk en [eiser 4] bij monde van mr. Van Riemsdijk. Gedaagden dreigen met hun voorgenomen besluitvorming op de certificaathoudersvergadering van 30 oktober 2025 de procedure bij het hof te doorkruisen. Het hof zal namelijk op korte termijn beslissen over de voorlopige voorziening met betrekking tot deze besluitvorming. Gedaagden hebben niet bevestigd dat zij bereid zijn te wachten tot het hof heeft beslist .
Volledig
Daarom vorderen eisers in dit kort geding een verbod om voor het oordeel van het hof een besluit te nemen over decertificering van de aandelen en ontbinding van de Stak, omdat de verwachting is dat het hof niet voor de tweede certificaathoudersvergadering van 30 oktober 2025 uitspraak zal doen. 3.3. Huizenmij, die zich heeft gevoegd aan de zijde van eisers, sluit zich aan bij de stellingen van eisers. Zij voegt verder toe dat de rechtbank uitdrukkelijk en met een goede motivatie de eindbeschikking van 15 mei 2025 niet uitvoerbaar bij voorraad heeft verklaard, om eisers de gelegenheid te geven hun zaak in hoger beroep te beproeven. Daarom moet nu eerst de beslissing van het hof worden afgewacht. 3.4. Gedaagden hebben verweer gevoerd bij monde van mr. Stikkelbroeck en Knottnerus. Samengevat voeren zij samen het volgende verweer. Zij betogen dat eisers geen belang hebben bij de gevraagde voorzieningen, als het hof het noodzakelijk acht, heeft zij nog ruim een week om een voorlopige voorziening te treffen voor de vergadering van 30 oktober 2025. Verder leent deze kwestie zich ook niet voor een kort geding en maakt dit de zaak alleen maar nog complexer. 3.5. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan. 4 De beoordeling formeel verweer: nietigheid dagvaarding 4.1. [gedaagde 3] heeft als formeel verweer aangevoerd dat de dagvaarding ten aanzien van [eiser 4] nietig is. Bij de aanvraag van het kort geding heeft mr. Endedijk een concept-dagvaarding ingediend met daarop slechts drie partijen als eiser: [eiser 1] , [eiser 2] en de Stak. Bij de betekende dagvaarding was er opeens een vierde eiser: [eiser 4] . Volgens [gedaagde 3] is dit geen kennelijke vergissing, maar een opzetje. [eiser 4] had direct als vierde eisende partij in het concept vermeld moeten zijn, dat is niet het geval en daarom is de dagvaarding nietig, aldus [gedaagde 3] . 4.2. Dit verweer gaat niet op. Het was beter geweest als [eiser 4] als vierde eiser al in de concept dagvaarding was opgenomen. Gedaagden zijn echter als gevolg hiervan niet in hun verdedigingsbelang geschaad. Met het opnemen van [eiser 4] is namelijk geen nieuw onderdeel aan het debat toegevoegd nu hij als mede eiser hetzelfde vordert als de eisers die al wel in de concept dagvaarding waren opgenomen. besluit tot decertificering aandelen en ontbinding Stak 4.3. Partijen zijn in een steeds groter wordend conflict met elkaar verwikkeld, waarbij al vele procedures zijn gevoerd die deels nog lopen. Partijen staan recht tegenover elkaar en komen er samen niet uit. 4.4. In dit kort geding ligt enkel de vraag voor of gedaagden de beslissing van het hof, over het treffen van een voorlopige voorziening tot een verbod voor het nemen van een besluit tot decertificering van de aandelen en ontbinding van de stak, moeten afwachten. 4.5. In de procedure bij de rechtbank heeft eerder een voornemen tot het nemen van een besluit door de vergadering van certificaathouders over decertificering van de aandelen en ontbinding van de Stak gespeeld. De rechtbank heeft toen de certificaathouders bij voorlopige voorziening een verbod opgelegd om tijdens die procedure een dergelijk besluit te nemen (zie 2.9 voor de motivering van de rechtbank). 4.6. Bij eindbeschikking zijn de bestuurders van de Stak ontslagen, maar heeft de rechtbank die beschikking niet uitvoerbaar bij voorraad verklaard en dat gemotiveerd (zie 2.11). Tevens heeft zij toegelicht dat voorlopige voorzieningen automatisch eindigen maar desgewenst bij het hof opnieuw kunnen worden verzocht (zie ook 2.11). 4.7. Nu zijn [eiser 1] , [eiser 2] en de Stak in hoger beroep gegaan tegen onder meer de eindbeschikking en hebben daarbij direct een voorlopige voorziening verzocht die ziet op een verbod voor de certificaathouders tot het nemen van een besluit tot decertificering van de aandelen en ontbinding van de Stak. 4.8. Na het instellen van het hoger beroep heeft [gedaagde 3] besloten om een vergadering van certificaathouders bijeen te (laten)roepen met als onderwerp decertificering van de aandelen en ontbinding van de Stak. Precies het onderwerp waarover de voorlopige voorziening is gevraagd bij het hof. 4.9. De voorzieningenrechter beslist dat eerst de beslissing van het hof op de voorlopige voorziening moet worden afgewacht voordat hierover op de certificaathoudersvergadering een besluit kan worden genomen. Van omstandigheden die het nemen van een besluit over decertificering van de aandelen of de ontbinding van de Stak nu – dus voordat het hof beslist – rechtvaardigen is niet gebleken. Gedaagden hebben daartoe aangevoerd dat de bestuurders inmiddels bij eindbeschikking zijn ontslagen. Dat is strikt genomen juist, maar omdat de rechtbank gemotiveerd haar eindbeschikking niet uitvoerbaar bij voorraad verklaard, geeft dat gedaagden een onvoldoende belang om nu te mogen beslissen over decertificering van de aandelen en ontbinding van de Stak. Juist omdat het ontslag verstrekkende gevolgen heeft voor de rechtspositie van betrokkenen, heeft de rechtbank niet tot uitvoerbaarheid bij voorbaat besloten. Het past dan niet als én hoger beroep is ingesteld én een voorlopige voorziening is gevraagd de stemming over decertificering van de aandelen of ontbinding van de Stak met mogelijk onomkeerbare gevolgen nu te laten plaatsvinden. Het is eerst aan het hof om op de voorlopige voorziening te beslissen. Het belang van eisers dat er in de tussentijd geen andere situatie ontstaat weegt eenvoudigweg zwaarder. 4.10. De gevorderde dwangsom wordt afgewezen. [gedaagde 3] heeft op de mondelinge behandeling te kennen gegeven de beslissing van het hof af te wachten over het verbod tot het nemen van het besluit over decertficering van de aandelen of ontbinding van de stak. De voorzieningenrechter gaat ervan uit dat gedaagden woord houden. proceskosten 4.11. Gedaagden zijn in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) van eisers en de voegende partij aan de zijde van eisers, Huizenmij, betalen. 4.12. De proceskosten van eisers worden begroot op: - kosten van de dagvaarding € 150 - griffierecht (2x) € 1.045 - salaris advocaat (2x) € 2.214 - nakosten (2x) € 356 (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing) Totaal € 3.765 4.13. De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing. 4.14. De proceskosten van Huizenmij worden begroot op: - griffierecht € 714 - salaris advocaat € 1.107 - nakosten € 178 (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing) Totaal € 1.999 5 De beslissing De voorzieningenrechter 5.1. verbiedt gedaagden om voorafgaande aan het oordeel van het hof Amsterdam in de zaak met zaaknummer 200.357.809 over de voorlopige voorziening die bescherming zou moeten bieden tegen decertificering van de aandelen en ontbinding van de Stak, te besluiten tot decertificering van de aandelen in het kapitaal van Huizenmij en/of tot ontbinding van de Stak, 5.2. veroordeelt gedaagden in de proceskosten van eisers ter hoogte van € 3.765, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92 plus de kosten van betekening als gedaagden niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend, 5.3. veroordeelt gedaagden tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten (onder 5.2) als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald, 5.4. veroordeelt gedaagden in de proceskosten van Huizenmij ter hoogte van € 1.999, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92 plus de kosten van betekening als gedaagden niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend, 5.5. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad, 5.6. wijst het meer of anders gevorderde af. Dit vonnis is gewezen door mr. M.L.S. Kalff, voorzieningenrechter, bijgestaan door mr. E.H. van Kolfschooten, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 24 oktober 2025. ECLI:NL:RBAMS:2023:4630 ECLI:NL:RBAMS:2024:6309 ECLI:NL:RBAMS:2025:1566 Nog niet gepubliceerd ECLI:NL:GHAMS:2023:1900 type: EvK coll: JT