Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2025-01-07
ECLI:NL:RBAMS:2025:100
Strafrecht
Eerste en enige aanleg
2,974 tokens
Inleiding
RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13-230384-24
Datum uitspraak: 7 januari 2025
UITSPRAAK
op de vordering van 31 oktober 2024 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).
Dit EAB is uitgevaardigd op 10 juli 2024 door the Public Prosecutor with the Judicial Court of Rennes, Frankrijk (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedag] 1971,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:
[BRP-adres] ,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.
1Procesgang
De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 24 december 2024, in aanwezigheid van mr. K. van der Schaft, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. K.A. Kieft, advocaat in Amsterdam.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd.
Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen met gelijktijdige schorsing van dat bevel tot aan de uitspraak.
2Identiteit van de opgeëiste persoon
Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Nederlandse nationaliteit heeft.
3Grondslag en inhoud van het EAB
Het EAB vermeldt een arrest warrant issued by the Investigating Judge at Rennes Judicial Court van 9 juli 2024 (met JIRS Investigation no. JIJIRS7C21000004 en Prosecutors Office no. 21264000009)
De uitvaardigende justitiële autoriteit verzoekt de overlevering vanwege het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan naar Frans recht strafbare feiten. Deze feiten zijn omschreven in het EAB.
3.1
Verweer ten aanzien van de ondertekening van het EAB
De verdediging stelt dat het originele Franstalige EAB mogelijk niet een authentiek document betreft aangezien dit EAB alleen op de laatste pagina ondertekend is en het vertaalde, Engelstalige EAB op elke pagina is voorzien van een handtekening. Het is bovendien onduidelijk of het EAB bij uitvaardiging wel door een rechter is beoordeeld.
De officier van justitie heeft geen standpunt ingenomen ten aanzien van dit verweer.
De rechtbank stelt vast dat het Franstalige EAB op de laatste pagina is ondertekend door Kristofic Amandine, Deputy prosecutor at Rennes Judicial Court. Het Franse openbaar ministerie kan worden aangemerkt als uitvaardigende rechterlijke autoriteit in de zin van het Kaderbesluit EAB. Ook is voldaan aan het vereiste van effectieve rechterlijke bescherming ten aanzien van het uitvaardigen van het EAB. Het is niet vereist dat het EAB op elke pagina wordt ondertekend door de uitvaardigende justitiële autoriteit. De handtekeningen op elke pagina van het vertaalde EAB zijn (blijkens de stempel) afkomstig van de vertaalster die het EAB in de Engelse taal heeft vertaald.
4Strafbaarheid
Feiten
De uitvaardigende justitiële autoriteit wijst de strafbare feiten aan als zogenoemde lijstfeiten, die in Nederland in de lijst van bijlage 1 bij de OLW staan vermeld, te weten:
deelneming aan een criminele organisatie
illegale handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen
witwassen van de opbrengsten van misdrijven.
Uit het EAB volgt dat op deze feiten naar het recht van Frankrijk een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren is gesteld.
Dit betekent dat een onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van de feiten waarvoor de overlevering wordt verzocht, achterwege moet blijven.
5De garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, OLW
De opgeëiste persoon heeft de Nederlandse nationaliteit en beroept zich op de garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, OLW. De rechtbank stelt vast dat de opgeëiste persoon zodanige banden heeft met Nederland, dat de tenuitvoerlegging van een eventueel na overlevering opgelegde straf, uit het oogpunt van maatschappelijke re-integratie beter in Nederland kan plaatsvinden dan in de uitvaardigende lidstaat. Zijn overlevering kan daarom worden toegestaan, wanneer is gewaarborgd dat de opgeëiste persoon, in geval van veroordeling in de uitvaardigende lidstaat tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf na overlevering, deze straf in Nederland mag ondergaan.
De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft bij brief van 20 november 2024 de volgende garantie gegeven:
“Subject: Return guarantee
Further to your request […], and in accordance with the provisions of the Framework Decision of the Council of the European Union of 13 June 2002 on the European arrest warrant and the surrender procedures between Member States, I would state you, unequivocally and unconditionally, that Mr.
[opgeëiste persoon]
will be returned to the Netherlands, in order to serve the custodial sentence or measure involving deprivation of liberty which might be imposed on him by the French judicial authorities.”
Naar het oordeel van de rechtbank is deze garantie voldoende.
6Artikel 11 OLW; detentieomstandigheden
De rechtbank heeft eerder geoordeeld dat er voor de detentie-instellingen in Nîmes, Nanterre, Bois-d’Arcy en Metz en voor voorlopig gedetineerden ook de detentie-instellingen Lille-Loos-Sequedin, Montauban en Toulouse een algemeen reëel gevaar bestaat dat personen die daar zijn gedetineerd onmenselijk of vernederend worden behandeld in de zin van artikel 4 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: Handvest).
Uit de aanvullende informatie van 8 november 2024 blijkt dat de opgeëiste persoon hoogstwaarschijnlijk (“most likely”) in Rennes-Vezin Penitentiary Center gedetineerd zal worden.
Standpunt van de verdediging
De verdediging stelt zich op het primaire standpunt dat – zo begrijpt de rechtbank – het openbaar ministerie niet-ontvankelijk verklaard moet worden op grond van artikel 11 jo artikel 28 lid 3 OLW. De rechtbank heeft in eerdere uitspraken weliswaar vastgesteld dat geen sprake is van een algemeen gevaar in Rennes-Vezin Penitentiary Center bij de toenmalige bezettingsgraad van 144%. Het is echter niet bekend hoe hoog de bezettingsgraad thans is. Dit baart zorgen en geeft aanleiding om na te vragen wat de huidige bezettingsgraad is. De raadsvrouw heeft verwezen naar een aantal Franse mediaberichten, onder andere over Rennes-Vezin, waarin de overbevolking en (daaraan gerelateerde) geweldsincidenten worden benoemd. Gelet hierop is niet uit te sluiten dat de opgeëiste persoon gevaar loopt om te worden onderworpen aan mensonterende of vernederende omstandigheden.
De verdediging stelt zich subsidiair op het standpunt dat de behandeling dient te worden aangehouden om aanvullende informatie te verkrijgen van de Franse autoriteiten over de huidige bezettingsgraad in Rennes-Vezin Penitentiary Center, de afmeting van de cellen, het aantal gedetineerden per cel en de in de media genoemde geweldsincidenten.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de overlevering kan worden toegestaan. De rechtbank heeft bij uitspraak van 21 november 2024 nog verwezen naar een uitspraak van 20 juni 2024 waarin is vastgesteld dat er geen sprake is van een algemeen gevaar met betrekking tot de detentie-omstandigheden in Rennes-Vezin Penitentiary Center. Ook heeft de verdediging geen objectieve, betrouwbare, nauwkeurige en naar behoren bijgewerkte gegevens overgelegd waar uit zou blijken dat inmiddels wel sprake zou zijn van een dergelijk algemeen gevaar. Het is onwerkbaar om wekelijks of maandelijks de bezettingsgraad na te vragen. De weigeringsgrond als bedoeld in artikel 11 OLW staat hierom niet aan overlevering in de weg.
Oordeel van de rechtbank
Bij voormelde uitspraken van 20 juni 2024 en 21 november 2024 van deze rechtbank is al geoordeeld dat op dat moment geen sprake was van een algemeen gevaar van onmenselijke of vernederende behandeling in Rennes-Vezin Penitentiary Center.
De raadsvrouw heeft geen recentere objectieve, betrouwbare, nauwkeurige en naar behoren bijgewerkte gegevens overgelegd die tot een ander oordeel zouden moeten leiden, noch beschikt de rechtbank ambtshalve over dergelijke gegevens. De rechtbank kan dan ook niet vaststellen dat de situatie daar thans slechter is dan ten tijde van voormelde uitspraken. Artikel 11 OLW staat daarom niet aan de overlevering van de opgeëiste persoon in de weg en de rechtbank ziet geen aanleiding om hierover nadere vragen te stellen.
Conclusie
De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe.
8Toepasselijke wetsartikelen
De artikelen 2, 5, 6 en 7 OLW.
Dictum
STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan the Public Prosecutor with the Judicial Court of Rennes, Frankrijk, voor de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. M.E.M. James-Pater, voorzitter,
mrs. H.J.H. van Meegen en B.M. Vroom-Cramer, rechters,
in tegenwoordigheid van L.E. Poel, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 7 januari 2025.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.
Zie artikel 23 Overleveringswet.
Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.
Zie onderdeel e) van het EAB.
Hof van Justitie van de Europese Unie 12 december 2019, C-566/19 PPU en C-626/19 PPU, ECLI:EU:C:2019:1077; zie ook: rechtbank Amsterdam, 29 november 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:7342.
Zie onder andere: rechtbank Amsterdam 30 mei 2017, ECLI:NL:RBAMS:2017:3763 (ten aanzien van Nîmes); rechtbank Amsterdam 9 augustus 2023, ECLI:NL:RBAMS:2023:5123 (ten aanzien van Nanterre); rechtbank Amsterdam 14 februari 2024, ECLI:NL:RBAMS:2024:782 (ten aanzien van Bois d'Arcy); rechtbank Amsterdam 20 juni 2024, ECLI:NL:RBAMS:2024:4047 (ten aanzien van Lille-Loos-Sequedin); rechtbank Amsterdam 29 augustus 2024, ECLI:NL:RBAMS:2024:5399 (ten aanzien van Toulouse en Montauban); rechtbank Amsterdam 3 oktober 2024, ECLI:NL:RBAMS:2024:6162 (ten aanzien van Metz).
ECLI:NL:RBAMS:2024:7620.
ECLI:NL:RBAMS:2024:4042.