Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2024-02-08
ECLI:NL:RBAMS:2024:923
Strafrecht; Europees strafrecht
Eerste en enige aanleg
3,070 tokens
Inleiding
RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13/315558-23
Datum uitspraak: 8 februari 2024
UITSPRAAK
op de vordering van 1 december 2023 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).
Dit EAB is uitgevaardigd op 18 juli 2023 door the District Court in Kielce, III Criminal Division, Polen (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon] ,
geboren op [geboortedag] 1986 in [geboorteplaats] (Polen),
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:
[adres] ,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.
1Procesgang
De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 25 januari 2024, in aanwezigheid van mr. K. van der Schaft, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en bijgestaan door zijn raadsman, mr. E. Gorsselink, advocaat in Venlo, en door een tolk in de Poolse taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd.
2Identiteit van de opgeëiste persoon
Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.
3Grondslag en inhoud van het EAB
Het EAB vermeldt:
een vonnis van the Regional Court in Starachowice van 28 april 2022, referentie: II K 944/21 (hierna: vonnis I), en
een vonnis van the Regional Court in Starachowice van 2 februari 2023, referentie: II K 1176/22 (hierna: vonnis II).
Uit de aanvullende informatie van 19 december 2023 blijkt dat het vonnis van the Regional Court in Starachowice van 28 april 2022 (II K 944/21) is bevestigd bij arrest van the District Court in Kielce van 25 april 2023 (IX Ka 1017/22).
De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van twee vrijheidsstraffen, elk voor de duur van 10 maanden, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde vonnis en arrest.
Dit vonnis en arrest betreft de feiten zoals die zijn omschreven in het EAB.
3.1
Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW
Ten aanzien van het vonnis I
De rechtbank stelt voorop dat als het proces in twee opeenvolgende instanties heeft plaatsgevonden, namelijk een eerste aanleg gevolgd door een procedure in hoger beroep, dan de laatste van die beslissingen relevant is voor de beoordeling of is voldaan aan de vereisten van artikel 4 bis, eerste lid, Kaderbesluit 2002/584/JBZ en artikel 12 OLW, voor zover daartegen geen gewoon rechtsmiddel meer openstaat en daarom de zaak bij die beslissing ten gronde definitief is afgedaan.
De rechtbank zal voor de beslissing van the District Court in Kielce van 25 april 2023 (IX Ka 1017/22) moeten beoordelen of de opgeëiste persoon in die procedure zijn verdedigingsrechten heeft kunnen uitoefenen, nu met die beslissing de zaak ten gronde definitief is afgedaan.
De rechtbank stelt vast dat het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van een arrest terwijl de verdachte niet in persoon is verschenen bij het proces dat tot die beslissing heeft geleid, en dat - kort gezegd - is gewezen zonder dat zich één van de in artikel 12, sub a tot en met c, OLW genoemde omstandigheden heeft voorgedaan en evenmin een garantie als bedoeld in artikel 12, sub d, OLW is verstrekt.
Gelet daarop kan de overlevering ex artikel 12 OLW worden geweigerd.
Het standpunt van de raadsman
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de rechtbank gebruik moet maken van haar bevoegdheid de overlevering te weigeren. De opgeëiste person wist niet van de zitting in hoger beroep en dat kan hem ook niet worden verweten. De oproepingen voor de zitting zijn verzonden naar een adres in Polen, terwijl de opgeëiste persoon op dat moment al stond ingeschreven op een vast adres in Nederland.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft de rechtbank verzocht af te zien van haar bevoegdheid om de overlevering te weigeren, nu de oproep voor de zitting in hoger beroep is verzonden naar het door de opgeëiste persoon opgegeven correspondentieadres en hij de instructie had ontvangen om adreswijzigingen door te geven, waarbij hij ook is gewezen op de gevolgen van het niet nakomen van deze verplichting.
Beoordeling
De rechtbank ziet aanleiding om af te zien van haar bevoegdheid om de overlevering te weigeren en overweegt daartoe als volgt.
Uit het EAB en de aanvullende informatie blijkt dat de opgeëiste persoon in de procedure in eerste aanleg in persoon is verschenen en werd bijgestaan door een advocaat van zijn eigen keuze. Deze advocaat heeft vervolgens hoger beroep ingesteld. De opgeëiste persoon heeft in het verhoor bij de officier van justitie verklaard dat hij daarvan op de hoogte was. Vervolgens is de oproep voor de zitting in hoger beroep verzonden naar het door de opgeëiste persoon opgegeven correspondentieadres, maar deze is niet door hem in ontvangst genomen en/of afgehaald. Nu de opgeëiste persoon wist dat door zijn advocaat hoger beroep was ingesteld tegen het vonnis, had het op zijn weg gelegen zichzelf – al dan niet via zijn advocaat – op de hoogte te houden van het verloop van die procedure. Dat heeft hij niet gedaan. Hieruit leidt de rechtbank af dat de opgeëiste persoon (stilzwijgend) afstand heeft gedaan van het recht op bij de procedure in hoger beroep aanwezig te zijn en dat de overlevering geen schending van zijn verdedigingsrechten oplevert.
Ten aanzien van het vonnis II
Beoordeling
De rechtbank stelt vast dat het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van een vonnis, terwijl de verdachte niet in persoon is verschenen bij het proces dat tot die beslissing heeft geleid, maar wel tijdig in persoon is gedagvaard, waarbij hij is geïnformeerd over de tijd en plaats van de zitting en de mogelijkheid dat de beslissing in zijn afwezigheid kan worden genomen. Daarmee is sprake van een situatie als bedoeld in artikel 12 onder a OLW en is de weigeringsgrond niet van toepassing.
4Strafbaarheid: feiten waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist
De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft de feiten niet aangeduid als feiten waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de kaderbesluitconform uitgelegde eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW juncto artikel 7, eerste lid, onder a 2°, OLW zijn neergelegd.
De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan.
Feiten
Ten aanzien van vonnis I
belaging, en
eendaadse samenloop van eenvoudige belediging, bedreiging en mishandeling.
Ten aanzien van vonnis II
diefstal.
5Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 6a OLW
De raadsman heeft de rechtbank verzocht de opgeëiste persoon gelijk te stellen met een Nederlander en de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf over te nemen.
De opgeëiste persoon heeft de Poolse nationaliteit. Overlevering van een met een Nederlander gelijk te stellen vreemdeling kan op basis van artikel 6a, eerste en negende lid, OLW worden geweigerd als deze is gevraagd ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een hem bij onherroepelijk vonnis opgelegde vrijheidsstraf en de rechtbank van oordeel is dat de tenuitvoerlegging van die straf kan worden overgenomen.
Om in aanmerking te komen voor gelijkstelling met een Nederlander moet op grond van artikel 6a, negende lid, OLW zijn voldaan aan twee vereisten, te weten:
de opgeëiste persoon verblijft ten minste vijf jaren ononderbroken rechtmatig in Nederland als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e en l, Vreemdelingenwet 2000;
ten aanzien van de opgeëiste persoon bestaat de verwachting dat hij niet zijn recht van verblijf in Nederland verliest ten gevolge van de opgelegde straf of maatregel.
Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat het gelijkstellingsverweer niet slaagt, omdat niet is onderbouwd dat de opgeëiste persoon tenminste vijf jaar ononderbroken rechtmatig in Nederland heeft verbleven.
6Weigeringsgrond artikel 11 OLW: Poolse rechtsstaat
De rechtbank heeft eerder vastgesteld dat, vanwege structurele of fundamentele gebreken in de Poolse rechtsorde, in Polen een algemeen reëel gevaar bestaat van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld.
Nu de opgeëiste persoon geen elementen heeft aangevoerd waaruit blijkt dat die structurele of fundamentele gebreken een concrete invloed hebben gehad op de behandeling van zijn strafzaak, is niet aangetoond dat sprake is van een individueel reëel gevaar van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld.
Conclusie
De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe.
8Toepasselijke wetsbepalingen
De artikelen 266, 285, 285b, 300 en 310 Wetboek van Strafrecht, en 2, 5, 7 en 12 OLW.
Dictum
STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan the District Court in Kielce, III Criminal Division (Polen) voor de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. E.G.M.M. van Gessel, voorzitter,
mrs. W.M.C. van den Berg en A.W.T. Klappe, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. I. van Heusden, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 8 februari 2024.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.
Zie artikel 23 Overleveringswet.
Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.
Zie onderdeel e) van het EAB.
Hof van Justitie van de Europese Unie, 21 december 2023, C-397/22, LM, (Generalstaatsanwaltschaft Berlin (Condamnation par défaut)), ECLI:EU:C:2023:1030, punt 47 en C-398/22, RQ (Generalstaatsanwaltschaft Berlin (Condamnation par défaut)), ECLI:EU:C:2023:1031, punt 32.
Rb. Amsterdam 10 februari 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:420, r.o. 5.3.1-5.3.3 en Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1794, r.o. 4.4.
Vgl. Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1794, onder verwijzing naar HvJ EU 22 februari 2022, C-562/21 PPU en C-563/21 PPU, ECLI:EU:C:2022:100 (Openbaar Ministerie (Recht op een gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld in de uitvaardigende lidstaat)).