Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2024-05-02
ECLI:NL:RBAMS:2024:9015
Strafrecht; Materieel strafrecht
Eerste aanleg - meervoudig
9,040 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBAMS:2024:9015 text/xml public 2026-03-19T15:48:58 2026-03-11 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Amsterdam 2024-05-02 13/012042-24 Uitspraak Eerste aanleg - meervoudig NL Amsterdam Strafrecht; Materieel strafrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2024:9015 text/html public 2026-03-19T15:48:19 2026-03-19 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBAMS:2024:9015 Rechtbank Amsterdam , 02-05-2024 / 13/012042-24 Verdachte heeft vier strafbare feiten gepleegd. Hij heeft zich schuldig gemaakt aan een diefstal met geweld in een restaurant, waarbij hij € 25,- heeft gestolen uit de kassalade. Daarbij heeft hij één medewerker geduwd en vastgehouden en een andere medewerker met de vuist in het gezicht en tegen de arm geslagen. Tijdens zijn vlucht heeft hij onder dreiging van een nepvuurwapen een scooter weggenomen van de eigenaar daarvan, die daar op dat moment op zat. Bij zijn aanhouding heeft verdachte de politieagenten beledigd. De rechtbank legt aan verdachte op een gevangenisstraf van 8 maanden met aftrek waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren. Daarnaast legt zij een taakstraf van 240 uren op. De bijzondere voorwaarden worden dadelijk uitvoerbaar verklaard. vonnis RECHTBANK AMSTERDAM Afdeling Publiekrecht Teams Strafrecht Parketnummer: 13/012042-24 Datum uitspraak: 2 mei 2024 Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen: [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2005, ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres: [adres 1] , hierna: verdachte. 1 Het onderzoek ter terechtzitting Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 18 april 2024. De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. R.W. van Zanten, en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. T.H.L. Kneepkens, advocaat te Amsterdam, naar voren hebben gebracht. 2 Tenlastelegging Aan verdachte is – kort weergegeven – tenlastegelegd dat hij zich op 11 januari 2024 in [plaats] heeft schuldig gemaakt aan: Feit 1: diefstal van € 15,00 met (bedreiging) met geweld tegen [persoon 1] en [persoon 2] ; Feit 2: afpersing van [persoon 3] ; Feit 3: belediging van politieambtenaren; Feit 4: het in bezit hebben van een nagebootst vuurwapen. De volledige tenlastelegging is opgenomen in bijlage I die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd. 3 Waardering van het bewijs 3.1 Inleiding Op 11 januari 2024 krijgt een medewerker van restaurant [naam restaurant] in [plaats] , aangever [persoon 1] , een woordenwisseling met een man buiten het restaurant. De man volgt de medewerker het restaurant in en daar ontstaat een fysieke confrontatie tussen hen. Op enig moment steekt de man zijn hand in de kassalade en pakt daar geld uit. Dan raken ook andere medewerkers van het restaurant erbij betrokken, waaronder aangeefster [persoon 2] . Vervolgens verlaat de man het restaurant. Even later komt bij de politie een melding binnen dat een vrouw, aangeefster [persoon 3] , op straat door een gewapende man van haar scooter is beroofd. De politie treft kort daarna een man aan op de scooter van aangeefster. Deze man blijkt later verdachte te zijn. Bij zijn aanhouding uit hij beledigingen naar de agenten en wordt een vuurwapen in zijn jaszak aangetroffen. Uit later onderzoek blijkt dit een nagebootst vuurwapen te zijn. Het signalement van de aangehouden verdachte komt overeen met het signalement van de man die even daarvoor een overval op het restaurant heeft gepleegd en daarom wordt verdachte ook daarvoor aangehouden. 3.2 Het standpunt van het Openbaar Ministerie De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat alle feiten kunnen worden bewezen. Ten aanzien van feit 1 moet verdachte worden vrijgesproken van de ten laste gelegde uitlatingen, nu de aangifte van [persoon 1] onvoldoende duidelijk is op dat punt en dit niet wordt ondersteund door andere bewijsmiddelen in het dossier. Ten aanzien van feit 1 heeft de officier van justitie gevraagd om verdachte te veroordelen voor de diefstal van een geldbedrag van € 25,-. In de dagvaarding is per abuis het bedrag van € 15,- komen te staan. 3.3 Het standpunt van de verdediging De raadsman heeft aangevoerd dat verdachte moet worden vrijgesproken van de onder feit 1 ten laste gelegde geweldshandelingen. Met betrekking tot het geweld tegen aangever [persoon 1] is alleen sprake geweest van duwen en trekken. Dit levert geen geweld of bedreiging met geweld op. Verder zijn die handelingen niet gepleegd met het door artikel 312 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) vereiste oogmerk. De handelingen zijn namelijk verricht naar aanleiding van de woordenwisseling die verdachte had met aangever buiten het restaurant en niet om de diefstal te vergemakkelijken, voor te bereiden of de vlucht mogelijk te maken. Ook heeft hij het wapen niet aan iemand getoond en is het niet zichtbaar geweest. Daarnaast heeft verdachte geen dreigende woorden naar aangever geuit. Verdachte heeft aangeefster [persoon 2] niet geslagen. Hij probeerde slechts zijn arm los te trekken toen zij deze vasthield. Ook deze handeling is dus niet verricht met het in artikel 312 Sr vereiste oogmerk. Met betrekking tot de feiten 2, 3 en 4 heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. 3.4 Het oordeel van de rechtbank De rechtbank acht het onder feit 1 tenlastegelegde bewezen en overweegt daartoe als volgt. De aangiftes van [persoon 1] en [persoon 2] Uit de aangifte van [persoon 1] volgt dat verdachte na een woordenwisseling aangever het restaurant in is gevolgd en dat dat hij hem daar heeft vastgepakt en geduwd. Terwijl verdachte en aangever elkaar nog vast hadden, zag aangever in de linker jaszak van verdachte een zwart voorwerp zitten dat hij direct herkende als een vuurwapen. Aangever hoorde dat verdachte zei ‘Ik ga je knallen’ en ‘Je moet betalen of ik haal de kassa hier leeg’. Vervolgens pakte verdachte geld uit de kassalade, waarvan hij dacht dat het ongeveer € 30,- moet zijn geweest. Daarna raakten ook andere collega’s, waaronder aangeefster [persoon 2] erbij betrokken. Aangever zag dat [persoon 2] probeerde verdachte tegen te houden en dat verdachte haar toen een vuistslag in het gezicht gaf. Verdachte liep vervolgens, nadat hij twee keer in het restaurant heeft overgegeven, het pand uit met het geld nog in zijn jaszak. De rechtbank gaat uit van de juistheid van de aangifte van [persoon 1] . Deze aangifte wordt ondersteund door de aangifte van [persoon 2] . Aangeefster zag dat [persoon 1] het restaurant in kwam lopen en dat hij werd gevolgd door verdachte. Zij zag dat de mannen elkaar aan het duwen waren en hoorde dat zij aan het schreeuwen waren. Omdat zij geen Nederlands spreekt, kon zij niet verstaan wat er geschreeuwd werd. Toen zag zij dat verdachte de kassalade opendeed, daar geld uit pakte en dit geld in zijn jaszak stopte. Aangeefster liep toen naar verdachte toe, zei dat hij moest stoppen en probeerde hem tegen te houden. Op dat moment werd zij door verdachte met een vuist in het gezicht geslagen, gevolgd door een klap tegen haar arm. Verdachte heeft toen twee keer overgegeven en is vervolgens het restaurant uitgegaan. Steunbewijs Beide aangiftes worden ondersteund door de overige bewijsmiddelen. Bij verdachte is namelijk, ongeveer een half uur na het incident in het restaurant, een zwart, nagebootst wapen aangetroffen in zijn jaszak. Ook is bij hem € 25,- aan briefgeld gevonden, waarvan hij zelf heeft verklaard dat dat het geld uit de kassalade van het restaurant is. Er is dan ook voldoende wettig en overtuigend bewijs voor de onder feit 1 ten laste gelegde gekwalificeerde diefstal. Gelet op het bovenstaande, acht de rechtbank ook – anders dan de officier van justitie en de raadsman – bewezen dat verdachte de dreigende uitlatingen naar [persoon 1] heeft gedaan. Gelet op het hierboven omschreven steunbewijs voor de aangifte van [persoon 1] , ziet de rechtbank geen reden om aan die verklaring te twijfelen.
Volledig
Dat de overige aanwezigen de uitlatingen niet hebben gehoord maakt dat niet anders, nu uit zowel de aangifte van [persoon 1] als die van [persoon 2] blijkt dat zij pas later betrokken raakten bij het conflict. . Om dezelfde reden acht de rechtbank ook het zichtbaar dragen van het wapen bewezen, nu dit wordt ondersteund door het latere aantreffen van een zwart wapen bij verdachte. Dat het duwen en trekken, zoals verdachte bij aangever [persoon 1] heeft gedaan, geen geweld in de zin van artikel 312 Sr oplevert, volgt de rechtbank niet. Naar de uiterlijke verschijningsvorm kunnen deze handelingen niet anders worden geïnterpreteerd, dan dat zij erop waren gericht om de diefstal van het geld uit de lade voor te bereiden. Daar komt bij dat verdachte ook ‘Je moet betalen of ik haal de kassa hier leeg’ heeft gezegd tegen aangever, wat verder ondersteunt dat het geweld ten dienste stond van de diefstal. Ook de geweldshandelingen verricht tegen [persoon 2] zijn bewezen, gelet op de verklaringen van [persoon 1] en [persoon 2] . Verdachte heeft [persoon 2] met kracht een vuistslag in het gezicht gegeven en haar tegen de arm geslagen. Dit gebeurde nadat verdachte het geld uit de kassalade had gepakt, terwijl aangeefster de diefstal probeerde te stoppen. Deze handelingen kunnen naar de uiterlijke verschijningsvorm niet anders worden geïnterpreteerd dan dat zij bedoeld waren om met het geld te kunnen vluchten. Ook ten aanzien van deze handelingen is het vereiste oogmerk dus bewezen. Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat met betrekking tot het geldbedrag sprake is van een kennelijke verschrijving en dat bedoeld is € 25,- ten laste te leggen. In het licht van de inhoud van het dossier kan er geen misverstand over bestaan dat hier € 25,- werd bedoeld. Door de raadsman is ter terechtzitting hierover ook geen verweer gevoerd. De rechtbank zal de tenlastelegging verbeterd lezen. De overige feiten De onder 2 tot en met 4 ten laste gelegde feiten 2 zijn door verdachte begaan. Verdachte heeft de feiten bekend. De raadsman heeft geen vrijspraak voor deze feiten bepleit. De rechtbank volstaat onder deze omstandigheden met een opsomming van de bewijsmiddelen in bijlage II bij dit vonnis. 4 Bewezenverklaring De rechtbank acht op grond van de in bijlage II vervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte: Feit 1: op 11 januari 2024 te [plaats] met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen - een geldbedrag (in totaal 25 euro) toebehorende aan [naam restaurant] , welke diefstal werd voorafgegaan en gevolgd van geweld en bedreiging met geweld tegen [persoon 1] en [persoon 2] gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf de vlucht mogelijk te maken en het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en welke bedreiging met geweld hierin bestonden dat hij, verdachte opzettelijk gewelddadig en dreigend, - terwijl hij een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, zichtbaar in zijn jas had zitten, - die [persoon 1] heeft vastgepakt en/of heeft vastgehouden en - die [persoon 1] heeft geduwd en - daarbij vervolgens die [persoon 1] de woorden heeft toegevoegd: “Ik ga je knallen” en “Je moet betalen of ik haal de kassa hier leeg” en - die [persoon 2] in het gezicht en tegen de arm heeft geslagen; Feit 2: op 11 januari 2024 te [plaats] met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door bedreiging met geweld [persoon 3] heeft gedwongen tot de afgifte van - een bromfiets (kenteken [kenteken] ) die toebehoorde aan die [persoon 3] , welke bedreiging met geweld hierin bestond dat hij, verdachte opzettelijk dreigend, - met een op een vuurwapen gelijkend voorwerp op die [persoon 3] is afgelopen en - vervolgens op korte afstand van die [persoon 3] dat op een vuurwapen gelijkend voorwerp aan die [persoon 3] heeft getoond en - vervolgens met dat op een vuurwapen gelijkend voorwerp gebaren heeft gemaakt dat die [persoon 3] van haar scooter af moest stappen; Feit 3: op 11 januari 2024 te [plaats] opzettelijk ambtenaren, te weten [verbalisant 1] (werkzaam als aspirant bij de Eenheid Amsterdam) en [verbalisant 2] (werkzaam als hoofdagent bij de Eenheid Amsterdam), gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van hun bediening, in hun tegenwoordigheid, mondeling heeft beledigd, door hun de woorden toe te voegen: "kankerflikkertjes" en "kankerhomootjes"; Feit 4: op 11 januari 2024 te [plaats] een wapen van categorie I, onder 7° van de Wet wapens en munitie, te weten een door de Minister van Justitie en Veiligheid aangewezen voorwerp dat zodanig op een wapen geleek dat deze voor bedreiging of afdreiging geschikt was, namelijk een nabootsing van een pistool, welke door vorm en afmetingen een sprekende gelijkenis vertoont met een vuurwapen, te weten een Walther P99, voorhanden heeft gehad. Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad. 5 De strafbaarheid van de feiten De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden. 6 De strafbaarheid van verdachte Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar. 7 Motivering van de straffen en maatregelen 7.1 De vordering van het Openbaar Ministerie De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte volgens het volwassenenstrafrecht moet worden berecht. De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de door hem onder 1, 2, 3 en 4 bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 24 maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren. Daarbij moeten de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden worden opgelegd. 7.2 Het standpunt van de verdediging De raadsman heeft de rechtbank verzocht in de strafmaat rekening te houden met de volgende omstandigheden. Gelet op het reclasseringsadvies van 4 april 2024, moet het adolescentenstrafrecht worden toegepast. Daarbij is van belang dat verdachte achttien jaar was ten tijde van het plegen van de feiten en dat hij zwakbegaafd is. Nu verdachte een first offender is, is er geen sprake van recidivegevaar. Uit de tijd dat hij in voorlopige hechtenis heeft gezeten, is gebleken dat verdachte niet goed om kan gaan met detentie, om welke reden de raadsman heeft verzocht om aan verdachte een (deels voorwaardelijke) taakstraf op te leggen in plaats van een gevangenisstraf. 7.3 Het oordeel van de rechtbank De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals van een en ander ter terechtzitting is gebleken. De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen. Ernst van de feiten Verdachte heeft vier strafbare feiten gepleegd. Hij heeft zich schuldig gemaakt aan een diefstal met geweld in een restaurant, waarbij hij € 25,- heeft gestolen uit de kassalade. Daarbij heeft hij één medewerker geduwd en vastgehouden en een andere medewerker met de vuist in het gezicht en tegen de arm geslagen. Tijdens zijn vlucht heeft hij onder dreiging van een nepvuurwapen een scooter weggenomen van de eigenaar daarvan, die daar op dat moment op zat. Bij zijn aanhouding heeft verdachte de politieagenten beledigd. Het gaat om ernstige feiten, waarbij het zwaartepunt ligt bij de diefstal met geweld en de afpersing met het nepvuurwapen. Verdachte heeft met zijn handelen een ernstige inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van [persoon 1] en [persoon 2] en heeft [persoon 3] angst aangejaagd. Dat het handelen van verdachte ook nu nog veel impact heeft op de slachtoffers, is gebleken uit de verschillende verklaringen en verzoeken tot schadevergoeding. Behalve bij de slachtoffers, veroorzaakt dit soort gewelddadige overvallen ook gevoelens van angst, onrust en onveiligheid in de maatschappij.
Volledig
Verder kan met een vuurwapen gelijkend voorwerp, zoals verdachte voorhanden heeft gehad, een ander schrik worden aangejaagd (hetgeen hij ook daadwerkelijk heeft gedaan). Door de politieagenten te beledigen, heeft verdachte blijk gegeven van een gebrek aan respect voor het openbaar gezag. Deze feiten rechtvaardigen in beginsel een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van forse duur. Het strafblad van verdachte De rechtbank heeft acht geslagen op het Uittreksel Justitiële Documentatie (het strafblad) van verdachte van 21 maart 2024. Hieruit blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke feiten. Rapportages De rechtbank heeft ook kennis genomen van het reclasseringsadvies van 4 april 2024, opgesteld door [persoon 4] . De reclassering signaleert bij verdachte instabiliteit op verschillende leefgebieden, zoals het ontbreken van een stabiele daginvulling en zijn financiën. Positief is dat er sprake is van stabiele huisvesting en een positief netwerk binnen zijn familie. De reclassering schat het risico op recidive in als hoog. De risico’s op letsel en onttrekking aan voorwaarden worden beide ingeschat als gemiddeld. Geadviseerd wordt om het adolescentenstrafrecht toe te passen. Bij een veroordeling adviseert de reclassering oplegging van een (deels) voorwaardelijke straf met de volgende bijzondere voorwaarden: een meldplicht, een drugsverbod, een locatieverbod met elektronische monitoring, een locatiegebod met elektronische monitoring, meewerken aan het vinden van een dagbesteding en meewerken aan schuldhulpverlening. Daarnaast heeft de rechtbank acht geslagen op het Pro Justitia-rapport van 10 april 2024, opgemaakt door drs. [persoon 5] , GZ-psycholoog. Dit rapport houdt (voor zover van belang voor de strafoplegging) onder meer het volgende in, zakelijk weergegeven: bij verdachte is sprake van een stoornis in cannabisgebruik, licht tot matig, in kortdurende remissie. Daarnaast voldoet verdachte aan de classificatie van zwakbegaafdheid. Deze stoornissen waren aanwezig ten tijde van het plegen van de bewezenverklaarde feiten. Deze zijn echter niet van invloed geweest op de feiten. Verder worden onvoldoende argumenten gezien die aanleiding geven om het adolescentenstrafrecht toe te passen. Verdachte was ten tijde van het plegen van de feiten 18 jaar oud en dus meerderjarig. Op een jongvolwassen verdachte onder de 23 jaar kan op grond van artikel 77c van het Wetboek van Strafrecht het zogenaamde adolescentenstrafrecht (jeugdstrafrecht) worden toegepast als sprake is van omstandigheden gelegen in de persoon van verdachte of als de omstandigheden waaronder het feit is gepleegd daartoe aanleiding geven. Niet is gesteld, noch is gebleken dat de persoonlijkheid en ontwikkeling van verdachte ten tijde van het begaan van het strafbare feit afwijkt van die van zijn leeftijdsgenoten. Evenmin zijn er omstandigheden waaronder het feit is gepleegd gesteld of gebleken die nopen tot toepassing van een jeugdsanctie. De rechtbank ziet derhalve geen grond als bedoeld in artikel 77c van het Wetboek van Strafrecht om tot toepassing van het jeugdsanctierecht over te gaan en zal verdachte derhalve berechten conform het volwassenenstrafrecht. Wel houdt de rechtbank in de strafmaat rekening met de jonge leeftijd van verdachte. Strafoplegging Gezien de ernst van de feiten kan in beginsel niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een gevangenisstraf. Voor dergelijke feiten wordt in de regel een gevangenisstraf opgelegd van enige duur. De rechtbank zal echter afzien van het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf die het voorarrest overstijgt, omdat zij van oordeel is dat zowel verdachte als de samenleving meer is gediend bij het feit dat verdachte in de toekomst geen (soortgelijke) strafbare feiten zal plegen. Verdachte is nog jong, en kan nog een positieve invulling aan zijn leven gaan geven. In plaats daarvan wordt daarom de maximale taakstraf opgelegd en een voorwaardelijke gevangenisstraf die als forse stok achter de deur moet dienen en de ernst van verdachtes misdragingen uitdrukt. Omdat de rechtbank van oordeel is dat verdachte moet worden gecontroleerd, begeleid, en ondersteund, zal de rechtbank aan voornoemde gevangenisstraf de na te noemen (bijzondere) voorwaarden verbinden. Die dienen ertoe verdachte ervan te weerhouden in de toekomst opnieuw strafbare feiten te plegen. Alles afwegende, wordt aan verdachte een gevangenisstraf van acht maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan zes maanden voorwaardelijk opgelegd. Daarbij wordt – gelet op het hoge recidiverisico zoals dat uit het reclasseringsadvies blijkt – een proeftijd van drie jaren opgelegd, met daaraan verbonden de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden. De bijzondere voorwaarden en het bijbehorende reclasseringstoezicht zullen dadelijk uitvoerbaar worden verklaard. Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan misdrijven die gevaar veroorzaken voor de onaantastbaarheid van het lichaam van personen, te weten een diefstal met (bedreiging met) geweld, afpersing en verboden wapenbezit. Gelet op het hoge recidiverisico is de rechtbank van oordeel dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte wederom een dergelijk misdrijf zal begaan. 8 Ten aanzien van de benadeelde partijen en de schadevergoedingsmaatregel De benadeelde partij [persoon 2] De benadeelde partij [persoon 2] vordert € 433,05 aan vergoeding van materiële schade en € 3.000,00 aan vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van het ontstaan van de schade tot aan de dag der algehele voldoening. De materiële schade bestaat uit € 25,00, te weten het door verdachte gestolen geld en € 408,05 aan omzetderving voor de tijd waarin het restaurant gesloten is geweest na de diefstal. De immateriële schade bestaat uit lichamelijk en psychisch letsel. De hoogte van de vordering is ter terechtzitting betwist. De officier van justitie heeft verzocht de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren ten aanzien van de materiële schade. Met betrekking tot de immateriële schade, heeft de officier van justitie verzocht deze te matigen tot € 1.500,00 en de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk te verklaren. De raadsman heeft hetzelfde verzocht. De rechtbank stelt vast dat aan de benadeelde partij door het onder feit 1 bewezenverklaarde rechtstreeks immateriële schade is toegebracht. Op grond van artikel 6:106 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek heeft de benadeelde partij recht op een naar billijkheid vast te stellen vergoeding van de immateriële schade aangezien de benadeelde partij ten gevolge van het strafbare feit lichamelijk en geestelijk letsel heeft opgelopen. De rechtbank begroot, op grond van de door de benadeelde partij gestelde omstandigheden en rekening houdend met de vergoedingen die in soortgelijke zaken worden toegekend, de immateriële schade op € 750,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van het ontstaan van de schade tot aan de dag der algehele voldoening. Verdachte zal worden veroordeeld dit bedrag aan de benadeelde partij te betalen. Voor het overige deel van de gevorderde immateriële schade, zal de rechtbank de vordering afwijzen. Ook met betrekking tot de gevorderde materiële schade van € 25,00 wordt de vordering afgewezen, nu uit het dossier is gebleken dat dit geld al is teruggegeven aan de benadeelde partij. Met betrekking de gevorderde vergoeding voor omzetderving, wordt de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard in de vordering nu niet aannemelijk is gemaakt dat zij bevoegd is om het restaurant te vertegenwoordigen. De behandeling van de vordering levert voor dit deel een onevenredige belasting van het strafgeding op omdat de vordering onvoldoende is onderbouwd en het toelaten van nadere bewijslevering zou betekenen dat de behandeling van de strafzaak moet worden aangehouden. De benadeelde partij kan dit deel van haar vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen. Verdachte zal worden veroordeeld in de proceskosten op de wijze als in het dictum van dit vonnis is bepaald.
Volledig
De rechtbank zal de hierna te noemen schadevergoedingsmaatregel opleggen, aangezien verdachte jegens het slachtoffer [persoon 2] naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het onder 1 bewezen geachte feit is toegebracht. De rechtbank waardeert deze op een bedrag van € 750,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van het ontstaan van de schade tot aan de dag der algehele voldoening. De benadeelde partij [persoon 3] benadeelde partij [persoon 3] vordert € 2.299,00 aan vergoeding van materiële schade en € 3.000,00 aan vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van het ontstaan van de schade tot aan de dag der algehele voldoening. De materiële schade bestaat uit de schade die door verdachte zou zijn toegebracht aan de scooter, gebaseerd op een offerte van een autoschadeherstelbedrijf. De immateriële schade bestaat uit psychisch letsel. De hoogte van de vordering is ter terechtzitting betwist. De officier van justitie heeft verzocht de vordering voor wat betreft de immateriële schade te matigen tot een bedrag van € 1.500,00. De raadsman heeft ook verzocht de vergoeding van de immateriële schade te matigen. De rechtbank stelt vast dat aan de benadeelde partij door het onder feit 2 bewezenverklaarde rechtstreeks immateriële schade is toegebracht. Op grond van artikel 6:106 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek heeft de benadeelde partij recht op een naar billijkheid vast te stellen vergoeding van de immateriële schade aangezien de benadeelde partij ten gevolge van het strafbare feit geestelijk letsel heeft opgelopen. De rechtbank begroot, op grond van de door de benadeelde partij gestelde omstandigheden en rekening houdend met de vergoedingen die in soortgelijke zaken worden toegekend, de immateriële schade op € 1.500,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van het ontstaan van de schade tot aan de dag der algehele voldoening. Verdachte zal worden veroordeeld dit bedrag aan de benadeelde partij te betalen. Voor het overige deel van de gevorderde immateriële schade, zal de rechtbank de vordering afwijzen. De rechtbank zal de gevorderde materiële schade geheel toewijzen. Gelet op het korte tijdsbestek van slechts een half uur tussen het wegnemen van de scooter door verdachte – op welk moment de scooter nog schadevrij was – en zijn aanhouding door de politie, is de rechtbank van oordeel dat niet anders kan dan dat de schade rechtstreeks door zijn toedoen is veroorzaakt. Ook anderszins is uit het dossier geen reden gebleken om daaraan te twijfelen. De hoogte van de vordering acht de rechtbank ook redelijk. Verdachte zal worden veroordeeld in de proceskosten op de wijze als in het dictum van dit vonnis is bepaald. De rechtbank zal de hierna te noemen schadevergoedingsmaatregel opleggen, aangezien verdachte jegens het slachtoffer [persoon 3] naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het onder 2 bewezen geachte feit is toegebracht. De rechtbank waardeert deze op een bedrag van € 3.799,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van het ontstaan van de schade tot aan de dag der algehele voldoening. 9 Toepasselijke wettelijke voorschriften De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f, 57, 60a, 266, 267, 312 en 317 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 13 en 55 van de Wet wapens en munitie. 10 Beslissing De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing. Verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld. Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hiervoor is bewezenverklaard en spreekt verdachte daarvan vrij. Het bewezenverklaarde levert op: Ten aanzien van feit 1: diefstal, voorafgegaan en gevolgd van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en om, bij betrapping op heter daad, aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren; Ten aanzien van feit 2: afpersing; Ten aanzien van feit 3: eenvoudige belediging, terwijl de belediging wordt aangedaan aan een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, meermalen gepleegd; Ten aanzien van feit 4: handelen in strijd met artikel 13, eerste lid, van de Wet wapens en munitie. Verklaart het bewezene strafbaar. Verklaart verdachte, [verdachte] , daarvoor strafbaar. Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 (acht) maanden. Beveelt dat de tijd die door verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden. Bepaalt dat een gedeelte, groot 6 (zes) maanden , van deze gevangenisstraf niet ten uitvoer gelegd zal worden, tenzij later anders wordt bevolen. Stelt daarbij een proeftijd van 3 (drie) jaren vast. De tenuitvoerlegging kan worden bevolen als verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit. De tenuitvoerlegging kan ook worden bevolen als verdachte gedurende de proeftijd niet aan de hierna vermelde bijzondere voorwaarden voldoet. Stelt als bijzondere voorwaarden: Meldplicht: Verdachte meldt zich bij Inforsa Amsterdam op het adres [adres 2] . Verdachte blijft zich melden op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt; Drugsverbod: Verdachte gebruikt geen drugs en werkt mee aan controle op dit verbod. De controle gebeurt met urineonderzoek. De reclassering bepaalt hoe vaak verdachte wordt gecontroleerd; Locatieverbod met elektronische monitoring: Verdachte bevindt zich niet in het verboden gebied, te weten binnen een straal van 250 meter om het restaurant [naam restaurant] op het adres [adres 3] , zolang het Openbaar Ministerie dit verbod nodig vindt. Verdachte werkt mee aan elektronische monitoring van dit locatieverbod. Verdachte gaat niet naar het buitenland zonder toestemming van de reclassering, omdat het voor de elektronische monitoring nodig is dat verdachte in Nederland blijft. Locatiegebod met elektronische monitoring: Verdachte is op vooraf vastgestelde tijdstippen aanwezig op het verblijfadres. De reclassering stelt de precieze tijdstippen vast, in overleg met verdachte en mede afhankelijk van de dagbesteding. Verdachte werkt mee aan elektronische monitoring op dit locatiegebod. Het huidige verblijfadres is [adres 1] . Een ander adres voor het locatiegebod is alleen mogelijk als de reclassering daarvoor toestemming geeft. Verdachte gaat niet naar het buitenland zonder toestemming van de reclassering, omdat het voor de elektronische monitoring nodig is dat hij in Nederland blijft. Het Openbaar Ministerie kan op verzoek van de reclassering de genoemde bloktijden veranderen of het locatiegebod laten vervallen. Dagbesteding: Verdachte spant zich in voor het vinden en behouden van betaald werk, onbetaald werk en/of vrijetijdsbesteding, met een vaste structuur. De dagbesteding draagt bij aan het voorkomen van delictgedrag. Meewerken aan schuldhulpverlening: Verdachte werkt mee aan het aflossen van zijn schulden en het treffen van afbetalingsregelingen, ook als dit inhoudt meewerken aan schuldhulpverlening in het kader van de Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen. Verdachte geeft de reclassering inzicht in zijn financiën en schulden. Geeft aan de reclassering de opdracht als bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden.
Volledig
Voorwaarden daarbij zijn dat verdachte gedurende de proeftijd ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt; medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, daaronder begrepen de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht. Beveelt dat de op grond van artikel 14c van het Wetboek van Strafrecht gestelde voorwaarden en het op grond van artikel 14c, zesde lid van het Wetboek van Strafrecht uit te oefenen toezicht, dadelijk uitvoerbaar zijn. Veroordeelt verdachte tot een taakstraf van 240 (tweehonderdveertig) uren , met bevel, voor het geval dat verdachte de taakstraf niet naar behoren heeft verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van 120 (honderdtwintig) dagen. Wijst de vordering van de benadeelde partij [persoon 2] toe tot een bedrag van € 750,00 (zegge: zevenhonderdvijftig euro) aan vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade op 11 januari 2024 tot aan de dag van de algehele voldoening. Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [persoon 2] voornoemd. Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil. Wijst de vordering af voor zover het ziet op de gevorderde materiële schade van € 25,00 en de overige gevorderde immateriële schade. Verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering voor zover deze ziet op de gevorderde materiële schade van € 408,25. Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [persoon 2] aan de Staat € 750,00 (zegge: zevenhonderdvijftig euro) te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade op 11 januari 2024 tot aan de dag van de algehele voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van 15 (vijftien) dagen. De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op. Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen. Wijst de vordering van de benadeelde partij [persoon 3] toe tot een bedrag van € 2299,00 (zegge: tweeduizendtweehonderdennegenennegentig euro) aan vergoeding van materiële schade en een bedrag van € 1500,00 (zegge: duizendvijfhonderd euro) aan vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade op 11 januari 2024 tot aan de dag van de algehele voldoening. Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [persoon 3] voornoemd. Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil. Wijst de vordering voor het overige af. Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [persoon 3] aan de Staat € 3799,00 (zegge: drieduizendzevenhonderdennegenennegentig euro) te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade op 11 januari 2024 tot aan de dag van de algehele voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van 47 (zevenenveertig) dagen. De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op. Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen. Heft op het - geschorste - bevel tot voorlopige hechtenis. Dit vonnis is gewezen door mr. H.B.W. Beekman, voorzitter, mr. C.A.E. Wijnker en mr. M.F.A.M. Smeets, rechters, in tegenwoordigheid van mr. Ç.H. Dede, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 2 mei 2024. [...] [...] [...] [...] [...] [...] [...] [...] [...] [...] [...] [...] [...]