Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2024-10-31
ECLI:NL:RBAMS:2024:9011
Strafrecht; Materieel strafrecht
Eerste aanleg - meervoudig
6,087 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBAMS:2024:9011 text/xml public 2026-03-13T13:12:27 2026-03-11 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Amsterdam 2024-10-31 13/091237-24 Uitspraak Eerste aanleg - meervoudig NL Amsterdam Strafrecht; Materieel strafrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2024:9011 text/html public 2026-03-13T11:19:40 2026-03-13 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBAMS:2024:9011 Rechtbank Amsterdam , 31-10-2024 / 13/091237-24 Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan twee overtredingen van de Opiumwet, door samen met anderen ruim twee kilogram cocaïne en verschillende voor drugshandel bestemde voorwerpen voorhanden te hebben, zoals drugspersen en versnijdingsmiddelen. De rechtbank legt aan verdachte op een gevangenisstraf van 18 maanden met aftrek waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren. vonnis RECHTBANK AMSTERDAM Afdeling Publiekrecht Teams Strafrecht Parketnummer: 13/091237-24 Datum uitspraak: 31 oktober 2024 Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen: [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 1] 1997, ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres: [adres 1] , gedetineerd in [detentieadres] . 1 Het onderzoek ter terechtzitting Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen op 27 juni 2024, 15 augustus 2024 en 17 oktober 2024. De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. E.M. Meppelink, en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. V.Y. Ramdhan, naar voren hebben gebracht. 2 Tenlastelegging Aan verdachte is – kort gezegd – ten laste gelegd dat hij zich op 15 maart 2024 in Amsterdam heeft schuldig gemaakt aan: Feit 1: het medeplegen van het opzettelijk telen/bereiden/bewerken/verwerken/verkopen/ afleveren/verstrekken/vervoeren/aanwezig hebben van 2151 gram cocaïne; Feit 2: het medeplegen van het voorbereiden/bevorderen van een feit als bedoeld in artikel 10 lid 4 of 5 van de Opiumwet; Feit 3: het medeplegen van het voorhanden hebben van een pistool van categorie III; Feit 4: het medeplegen van het voorhanden hebben van munitie van categorie III; Feit 5 primair: het medeplegen van het witwassen van meerdere geldbedragen van in totaal € 13.400,-; Subsidiair: eenvoudig witwassen van € 13.400,-. De volledige tenlastelegging is opgenomen in bijlage I , die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd. 3 Voorvragen De raadsman heeft ter terechtzitting betoogd dat de dagvaarding nietig is voor zover deze ziet op het onder feit 5 ten laste gelegde, nu het daarin genoemde ‘althans een of meer voorwerpen’ onvoldoende specifiek is en daarmee niet duidelijk is waar de witwasverdenking op ziet. De rechtbank verwerpt dit verweer. In de tenlastelegging onder feit 5 staat het zinsdeel ‘een of meerdere geldbedrag(en) (in totaal ongeveer 13.400 euro), althans een of meer voorwerpen’. Uit het eerste deel van dit zinsdeel blijkt naar het oordeel van de rechtbank dat de witwasverdenking ziet op een geldbedrag. Uit het dossier blijkt dat er een geldbedrag in beslag is genomen. Het dossier biedt verder geen enkel aanknopingspunt om te denken dat de witwasverdenking op enig ander voorwerp zou zien. Daarmee is naar het oordeel van de rechtbank voldoende duidelijk waar het onder feit 5 ten laste gelegde op ziet. De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging. 4 Waardering van het bewijs 4.1 Inleiding Op 15 maart 2024 komen verbalisanten naar aanleiding van de aanhouding van verdachte [medeverdachte 1] kort daarvoor en vanwege een vermoedelijke relatie met de woning aan de [adres 2] bij die woning aan. In de woning treffen verbalisanten verdachte en medeverdachte [medeverdachte 2] aan, terwijl zij in de badkamer staan met doorzichtige zakken met daarin een witte brokkelige substantie. Verbalisanten zien dat zij bezig zijn deze witte substantie door het toilet te spoelen. In de woning worden verschillende goederen aangetroffen, waaronder drugsgerelateerde voorwerpen en een contant geldbedrag van € 13.400,-. De vraag die de rechtbank moet beantwoorden, is of verdachte zich samen met anderen heeft schuldig gemaakt aan overtreding van de Opiumwet, het voorhanden hebben van een geladen vuurwapen en het witwassen van het contante geldbedrag. 4.2 Het standpunt van het Openbaar Ministerie De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van alle feiten. Verdachte maakte samen met medeverdachte [medeverdachte 2] gebruik van de woning aan de [adres 2] , waar een grote hoeveelheid verdovende middelen en drugsgerelateerde goederen, zoals versnijdingsmiddelen, drugspersen, een drugsstempel en stapels geld zijn aangetroffen. Als gebruikers van de woning hadden beide verdachten de wetenschap van de aanwezigheid van deze goederen en ook de beschikkingsmacht daarover. Hetzelfde geldt voor het geladen vuurwapen. Met betrekking tot het aangetroffen geldbedrag van € 13.400,- is het zo dat hierover een witwasvermoeden bestaat. Van verdachte (en medeverdachte [medeverdachte 2] ) mag daarom verwacht worden dat zij een verklaring geven over de herkomst van dat geldbedrag. Nu die verklaring niet is afgelegd en uit het financieel onderzoek naar beide verdachten blijkt dat zij een vrijwel nihil inkomen hadden in de periode 2019 tot en met 2023, kan het niet anders zijn dan dat het geldbedrag uit enig misdrijf afkomstig was. Daarmee is witwassen ook bewezen. 4.3 Het standpunt van de verdediging De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte integraal moet worden vrijgesproken en heeft daartoe de volgende verweren gevoerd. Ten aanzien van de aangetroffen cocaïne, de drugsgerelateerde voorwerpen, het geladen vuurwapen en het bedrag van € 13.400,- geldt dat verdachte geen wetenschap over de aanwezigheid van deze goederen in de woning had en daarover ook geen beschikkingsmacht had. Verdachte was slechts aanwezig in de woning en was daar geen gebruiker van. Verder heeft de raadsman ten aanzien van feit 1 aangevoerd dat het dossier geen bewijs bevat dat verdachte de aangetroffen cocaïne heeft bereid, bewerkt, verwerkt, afgeleverd, verstrekt of vervoerd. Ook is niet gebleken dat er in totaal netto 2.151 gram cocaïne is aangetroffen. Met betrekking tot feiten 3 en 4 heeft verdachte aangegeven kort het wapen gezien en aangeraakt te hebben, maar dat betekent niet dat het wapen van hem is. Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij het wapen slechts aan de kant heeft geschoven om een sigaret te pakken. Het slechts kort aanraken van het wapen levert geen beschikkingsmacht daarover op. Daarnaast hecht de verdediging minder waarde aan de bewijskracht van de resultaten van het DNA-onderzoek aan het wapen, omdat de verkeerde kansberekeningsmethode is gehanteerd. Het NFI had een inclusiekans moeten berekenen vanwege het mengprofiel. Het aangetroffen geldbedrag van € 13.400,- is op de grond onder het raam in de woonkamer aangetroffen en lag tussen allerlei spullen. Verdachte heeft dit geld niet gezien en er zijn geen sporen van hem daarop aangetroffen. Ook hiervan had de verdachte dus geen wetenschap en dus dient ook voor feit 5 vrijspraak te volgen. Met betrekking tot alle ten laste gelegde feiten geldt dat het medeplegen niet is bewezen. 4.4 Het oordeel van de rechtbank 4.4.1 Vrijspraak van (eenvoudig) witwassen (feit 5) De rechtbank zal verdachte vrijspreken van het onder feit 5 ten laste gelegde witwassen en overweegt daartoe als volgt. Uit het proces-verbaal van bevindingen van de doorzoeking van de woning en de daarbij behorende foto’s, blijkt dat het contante geldbedrag van € 13.400,- op de grond in de woonkamer onder een raam is aangetroffen. Het geld lag enigszins verscholen tussen allerlei goederen die op dezelfde plek lagen, zoals verschillende tassen, kabels en andere niet nader gespecificeerde goederen. Met de raadsman is de rechtbank daarom van oordeel dat niet is komen vast te staan dat verdachte enige wetenschap had van het geldbedrag.
Volledig
4.4.2 Het oordeel over het opzettelijk aanwezig hebben van de cocaïne (feit 1) De rechtbank is van oordeel dat op basis van het dossier is bewezen dat verdachte 2.151 gram cocaïne opzettelijk aanwezig heeft gehad. Uit het proces-verbaal van bevindingen van 15 maart 2024 blijkt dat verbalisanten wegens de aanhouding van verdachte [medeverdachte 1] kort daarvoor en een vermoeden van een relatie tussen hem en de woning aan de [adres 2] , naar die woning toe zijn gegaan om die te betreden ter inbeslagneming. Toen zij daar aankwamen, hebben zij duidelijk gemaakt dat zij van de politie zijn. Verbalisanten hoorden gestommel binnen en de deur werd niet geopend. Via een openstaand raam kon één van de verbalisanten naar binnen kijken. Hij zag op het aanrecht een weegschaal met daarop een grote hoeveelheid wit poeder staan. Toen is een verdenking van een overtreding van de Opiumwet ontstaan, waarna verbalisanten de deur hebben geforceerd. Toen verbalisanten eenmaal de woning in kwamen, zagen zij aan het einde van de gang door een open deur twee personen in de badkamer staan met in hun handen doorzichtige zakken gevuld met wit poeder. De inhoud van deze zakken waren zij door het toilet aan het spoelen. Ook zaten hun handen en kleding onder de poeder. Deze personen bleken later verdachte en medeverdachte [medeverdachte 2] te zijn en zijn daar aangehouden. Uit het laboratoriumrapport blijkt dat de poeder cocaïne betreft. Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij slechts enkele minuten daarvoor de woning zou hebben betreden om een zakje cocaïne te kopen van de huurder van de woning, medeverdachte [medeverdachte 3] Hij zou de cocaïne vervolgens direct hebben gebruikt, waarna hij zich niet lekker begon te voelen. Toen is hij op de bank gaan zitten en is hij in slaap gevallen of bewusteloos geraakt. Op enig moment werd hij wakker van het geluid van de politie en in verwarring is hij naar de badkamer gegaan. Over de situatie in de badkamer heeft verdachte op zitting verklaard dat hij, toen hij verward in de badkamer stond, zonder daarbij na te denken de zak zag staan en deze in het toilet leeg is gaan gooien. Verdachte zou daarom geen wetenschap van de grote hoeveelheid cocaïne die in de woning is aangetroffen hebben en daar ook geen beschikkingsmacht over hebben. De rechtbank schuift deze verklaring van verdachte als onaannemelijk terzijde. Uit de bevindingen van de politie blijkt dat vanaf het moment dat de politie zich als zodanig kenbaar maakte en verzocht de deur te openen, tot het moment dat zij daadwerkelijk binnen konden treden na het forceren van de deur, er enige tijd is verstreken en dat zij vanuit de woning gestommel hoorden. De rechtbank acht het niet aannemelijk dat verdachte, zoals hij heeft verklaard, in slechts enkele minuten de woning heeft betreden, cocaïne heeft gekocht en gebruikt, bewusteloos is geraakt en vervolgens is opgestaan om naar de badkamer te gaan waar hij uit verwarring een zak cocaïne in het toilet heeft leeggemaakt. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verdachte op het moment dat hij de zak pakte de beschikkingsmacht over de cocaïne in de zak die hij boven het toilet leeg gooide, gehad. Daarmee staat ook de wetenschap van verdachte van de aanwezigheid van de cocaïne vast. Ook het ten laste gelegde medeplegen van het aanwezig hebben van de cocaïne acht de rechtbank bewezen, nu in de woning meerdere personen aanwezig waren en uit het proces-verbaal blijkt dat verdachte samen met medeverdachte [medeverdachte 2] de zakken aan het leeggooien was. Uit het dossier is niet gebleken dat verdachte één van de overige onder feit 1 ten laste gelegde handelingen heeft gepleegd en dus zal hij daarvan partieel worden vrijgesproken. 4.4.3 Het oordeel over de voorbereidingshandelingen van de Opiumwet (feit 2) In aanvulling op de overwegingen onder rubriek 4.4.2, blijkt uit het dossier dat bij de doorzoeking van de woning verschillende drugsgerelateerde voorwerpen zijn aangetroffen in het huis, zoals drugspersen en verschillende versnijdingsmiddelen. Deze lagen vol in het zicht verspreid door de woonkamer en de keuken, die zich op dezelfde verdieping bevinden als de badkamer waarin verdachte en medeverdachte [medeverdachte 2] zijn aangetroffen. Ook ten aanzien van deze goederen staat daarmee – en mede gelet op het feit dat verdachte en medeverdachte [medeverdachte 2] de cocaïne door het toilet aan het spoelen waren bij binnenkomst van de politie – voor de rechtbank vast dat verdachte en de medeverdachte wisten van de aanwezigheid van deze goederen en dat zij daar de beschikkingsmacht over hadden. 4.4.4 Het oordeel over het geladen vuurwapen (feiten 3 en 4) Ten aanzien van feiten 3 en 4 overweegt de rechtbank als volgt. Ook het vuurwapen met bijbehorende munitie lagen vol in het zicht op een kastje in de woonkamer, waarmee zowel de wetenschap als de beschikkingsmacht van verdachte daarover vaststaan. Uit het vergelijkend DNA-onderzoek is gebleken dat de resultaten van het onderzoek aan de voor- en binnenzijde van de loop van het pistool meer dan één miljard keer waarschijnlijker zijn wanneer het DNA afkomstig is van verdachte en een willekeurige onbekende persoon, dan wanneer het DNA afkomstig is van twee willekeurige onbekende personen. Daarnaast is het zo dat de resultaten van het onderzoek aan de ruwe delen van het vuurwapen 285 miljoen keer waarschijnlijker zijn wanneer het DNA afkomstig is van medeverdachte [medeverdachte 2] en drie willekeurige onbekende personen, dan wanneer het DNA afkomstig is van vier willekeurige onbekende personen. Verdachte heeft verklaard dat hij het pistool heeft gezien en waarschijnlijk wel heeft aangeraakt, omdat hij een servetje wilde pakken om zijn neus te snuiten. Dit acht de rechtbank niet aannemelijk, omdat dit – volgens de verklaring van verdachte zelf – dan ook zou moeten zijn gebeurd in de enkele minuten dat hij in de woning aanwezig was, waarin hij ook cocaïne zou hebben gebruikt, onwel is geraakt, op de bank bewusteloos is geraakt en vervolgens cocaïne door het toilet heeft gespoeld. De rechtbank schuift deze verklaring dan ook terzijde en komt tot een bewezenverklaring van beide feiten. Daarbij acht de rechtbank ook het medeplegen bewezen, gelet op de bevindingen van het vergelijkend DNA-onderzoek. 5 Bewezenverklaring De rechtbank acht op grond van de in bijlage II vervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte: Feit 1: op 15 maart 2024 te Amsterdam, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk aanwezig heeft gehad 2151 gram cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I; Feit 2: op 15 maart 2024 te Amsterdam, tezamen en in vereniging met anderen, om een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden en te bevorderen, te weten - het opzettelijk bereiden en bewerken van cocaïne, in elk geval een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van de Opiumwet - voorwerpen en stoffen voorhanden heeft gehad, waarvan hij, verdachte en zijn mededaders, wisten dat zij bestemd waren tot het plegen van dat feit, hebbende verdachte en verdachtes mededaders - een grote hoeveelheid versnijdingsmiddelen (waaronder Mannitol, Acetaminophen, cafeïne, polyethylene, Tetramisole en Phenylbiguanide, Levamisol, procaïne) voorhanden gehad en - drugspersen voorhanden gehad, waarvan hij, verdachte en zijn mededaders, wisten dat zij bestemd waren tot het plegen van dat feit; Feit 3: op 15 maart 2024 te Amsterdam, tezamen en in vereniging met anderen, een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een pistool, van een onbekend merk, model Competus Heart, kaliber 9mm x19 (Synoniem voor 9mm Luger) zijnde een vuurwapen in de vorm van een pistool voorhanden heeft gehad; Feit 4: op 15 maart 2024 te Amsterdam, tezamen en in vereniging met anderen, munitie als bedoeld in artikel 2 lid 2 categorie III van de Wet wapens en munitie, te weten munitie in de zin van artikel 1 onder 4° van die wet, te weten 8 kogelpatronen, kaliber 9mm x19, voorhanden heeft gehad. Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd.
Volledig
Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad. 6 De strafbaarheid van de feiten De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden. 7 De strafbaarheid van verdachte Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar. 8 Motivering van de straffen 8.1 Het standpunt van het Openbaar Ministerie De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de door haar onder 1, 2, 3, 4 en 5 bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 48 maanden met aftrek van het voorarrest, waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren. Aan die proeftijd moeten de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden worden gekoppeld. 8.2 Het standpunt van de verdediging De raadsman heeft bij bewezenverklaring de rechtbank verzocht in de strafmaat rekening te houden met het feit dat verdachte first offender is en dat bij hem sprake is van een persoonlijkheidsstoornis, een angststoornis en depressieve klachten, welke een rol hebben gespeeld in zijn drugsgebruik. Daarnaast is verdachte bereid om een taakstraf uit te voeren en zich aan de geadviseerde bijzondere voorwaarden te houden. De raadsman acht een gevangenisstraf van tien maanden waarvan vijf maanden voorwaardelijk, in combinatie met een taakstraf van 120 uren, een passende straf. 8.3 Het oordeel van de rechtbank De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken. De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen. Ernst van de feiten Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan twee overtredingen van de Opiumwet, door samen met anderen ruim twee kilogram cocaïne en verschillende voor drugshandel bestemde voorwerpen voorhanden te hebben, zoals drugspersen en versnijdingsmiddelen. Het is een feit van algemene bekendheid dat harddrugs een gevaar voor de volksgezondheid vormen en verdachte heeft door het voorhanden hebben van deze middelen een rol gehad in het voorbereiden en bevorderen van de verspreiding van verdovende middelen, dat veel gerelateerde vermogens- en andere criminaliteit tot gevolg heeft. Drugswinsten worden vergroot door het vermengen van cocaïne met versnijdingsmiddelen. Verder heeft verdachte samen met anderen een pistool met bijbehorende munitie voorhanden gehad. Het is algemeen bekend welke ellende ongecontroleerd bezit van een vuurwapen kan veroorzaken. De rechtbank rekent dit verdachte aan. Uitgangspunten voor de strafoplegging De rechtbank heeft gekeken naar de oriëntatiepunten voor straftoemeting die rechtbanken hebben vastgesteld (LOVS-oriëntatiepunten). Bij het opzettelijk aanwezig hebben van 2.151 gram cocaïne geldt een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van negen maanden als uitgangspunt. Het voorhanden hebben van een pistool in een woning leidt in beginsel tot een gevangenisstraf van vier maanden. Bij het voorhanden hebben van acht patronen wordt uitgegaan van een geldboete tussen € 150,- en € 350,-. Er zijn geen oriëntatiepunten beschikbaar voor overtreding van artikel 10a van de Opiumwet. Gelet op het voorgaande acht de rechtbank een onvoorwaardelijke gevangenisstraf passend. Persoon van verdachte De rechtbank heeft acht geslagen op het Uittreksel Justitiële Documentatie (het strafblad) van verdachte van 10 september 2024. Hieruit blijkt dat verdachte in de afgelopen vijf jaren niet is veroordeeld wegens overtreding van de Opiumwet. Daarnaast heeft de rechtbank kennisgenomen van het reclasseringsadvies van 25 juni 2024, opgesteld door [reclasseringsmedewerker] . Hieruit blijkt, kort samengevat, het volgende. De reclassering constateert geen delictpatroon bij verdachte. Wel ziet de reclassering risico verhogende factoren op de volgende leefgebieden: dagbesteding, financiën en psychosociaal functioneren. Bij verdachte is een sociale angststoornis vastgesteld samen met een persisterende (blijvende) depressieve stoornis. Vanuit zijn problematiek voelt verdachte zich met periodes onrustig. Zonder ritme of structuur in de vorm van werk en/of dagbesteding (welke verdachte op dit moment niet heeft) dreigen klachten te verergeren, maar neemt ook het risico op delictgedrag toe omdat verdachte zich dan impulsief toont en ondoordachte keuzes kan maken (zoals al dan niet sporadisch verdovende middelen gebruiken). Daarnaast heeft verdachte ruim € 7.000,- aan CJIB-vorderingen openstaan, waardoor een financieel motief niet uitgesloten kan worden. Positief te noemen is dat verdachte in staat is om op zijn gedrag te reflecteren. Hij weet welke stappen hij dient te zetten, maar lijkt hier niet altijd even realistisch in te zijn of zichzelf (blijvend) te kunnen motiveren. Werk vasthouden blijkt een terugkerend punt van aandacht te zijn en hoewel verdachte in de periode van juli 2021 tot en met januari 2022 behandeling volgde, kwam hij ook hier vaker niet dan wel opdagen. Eerder reclasseringstoezicht rondde verdachte, ondanks een berisping en enkele waarschuwingen, positief af. Omdat verdachte zich destijds beriep op zijn zwijgrecht, kon de reclassering geen inschatting maken van de risico’s op respectievelijk recidive en letsel. Het risico op onttrekking wordt ingeschat als gemiddeld. Bij een veroordeling adviseert de reclassering om een (deels) voorwaardelijke straf met de volgende bijzondere voorwaarden op te leggen: een meldplicht, ambulante behandeling, een contactverbod met de medeverdachten, dagbesteding en meewerken aan schuldhulpverlening en middelencontrole. De rechtbank ziet in het reclasseringsadvies en de bereidheid van verdachte ter terechtzitting om mee te werken met reclasseringstoezicht en -hulp aanleiding om een deel van de straf voorwaardelijk op te leggen en daaraan de geadviseerde bijzondere voorwaarden te koppelen. Strafoplegging Alles afwegende, zal de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van achttien maanden met aftrek van voorarrest, waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren opleggen aan verdachte. Daaraan worden ook de hierboven genoemde bijzondere voorwaarden verbonden. 9 Toepasselijke wettelijke voorschriften De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 47, 55 en 57 van het Wetboek van Strafrecht, artikelen 2, 10 en 10a van de Opiumwet en artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie. 10 Beslissing De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing. Verklaart het onder feit 5 ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij. Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld. Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij. Het bewezen verklaarde levert op: Ten aanzien van feit 1: het medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod; Ten aanzien van feit 2: het medeplegen van om een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden en te bevorderen, voorwerpen en stoffen voorhanden hebben, waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit; Ten aanzien van feit 3 en 4: De eendaadse samenloop van: het medeplegen van het handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III; en het medeplegen van het handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie. Verklaart het bewezene strafbaar. Verklaart verdachte, [verdachte] , daarvoor strafbaar. Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 (achttien) maanden .