Rechtspraak Rechtbank Amsterdam 2024-06-05
ECLI:NL:RBAMS:2024:8950
vonnis RECHTBANK AMSTERDAM Afdeling privaatrecht zaaknummer / rolnummer: C/13/715999 / HA ZA 22-293 Vonnis van 5 juni 2024 in de zaak van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid BALLAST NEDAM BOUW & ONTWIKKELING SPECIALE PROJECTEN B.V. , gevestigd te Amsterdam, eiseres in conventie, verweerster in reconventie, eiseres in het incident, advocaat mr. A. Moret te Amsterdam, tegen de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid DE LELIE VASTGOED B.V. , gevestigd te Bussum, gedaagde in conventie, eiseres in reconventie, verweerster in het incident, advocaat mr. F.G. Horsting te Amsterdam. Partijen zullen hierna BN en DLV worden genoemd. 1 De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - het tussenvonnis van 17 mei 2023, met de daarin genoemde processtukken, - de conclusie na tussenvonnis tevens houdende eiswijziging, incidentele vordering ex artikel 223 Rv van BN van 19 juli 2023, - het tussenvonnis van 3 januari 2024, met de daarin genoemde processtukken, waarin een deskundige is benoemd, - het tussenvonnis in het incident van 24 januari 2024, met de daarin genoemde processtukken, - het proces-verbaal van de op 29 februari 2024 gehouden mondelinge behandeling, met de daarin genoemde processtukken, - de akte van 14 maart 2024 met producties 179 t/m 202 van BN, - de (herziene) akte uitlating producties van 3 april 2024 met productie 154 van DLV, - de akte uitlating productie van BN van 17 april 2024, met de daarbij gevoegde producties, - de akte van DLV van 1 mei 2024. 1.2. Ten slotte is vonnis bepaald. 2 De verdere beoordeling In de hoofdzaak In conventie 2.1. In de hoofdzaak is de rechtbank in afwachting van de antwoorden van de deskundige op de in het tussenvonnis van 3 januari 2024 aan hem voorgelegde vragen. In verband daarmee zal in dit tussenvonnis in de hoofdzaak, voor zover mogelijk, alleen op de vordering van BN onder (i), de betaling door DLV van de eindafrekening, worden beslist. De eindafrekening 2.2. BN vordert, na wijziging eis, DLV te veroordelen tot betaling van een bedrag van € 20.771.113,65 (hierna: de eindafrekening), 2.3. In de op 14 september 2018 door partijen gesloten aannemingsovereenkomst is in artikel 2 de Uniforme administratieve voorwaarden voor de uitvoering van werken en van technische installatiewerken 2012 (UAV 2012) van toepassing verklaard. In de onderhavige zaak is sprake van beëindiging in onvoltooide staat en dient de eindafrekening tussen partijen plaats te vinden conform het bepaalde in paragraaf 14, tiende lid, UAV 2012. Daarin staat het volgende: De aannemer heeft alsdan recht op de aannemingssom, vermeerderd met de kosten die hij als gevolg van de niet voltooiing heeft moeten maken en verminderd met de hem door de beëindiging bespaarde kosten. Aanspraken van de aannemer en de opdrachtgever op hetgeen overigens ter zake van de overeenkomst verschuldigd is blijven onverlet. 2.4. Uitgangspunt bij de beoordeling van de eindafrekening aan de hand van § 14, tiende lid, UAV 2012 is dat de aanneemsom € 71.150.000,- bedraagt en dat tussen partijen niet in geschil is dat DLV van de aanneemsom reeds een bedrag van € 51.344.182,- heeft betaald. Van de aanneemsom staat daarmee in beginsel dus nog een bedrag van € 19.805.818,- open. Hierna worden eerst de kosten doorgenomen die nog bij de aanneemsom opgeteld moeten worden (de posten onder 3, 4 en 5), daarna de bespaarde kosten die in mindering strekken op de aanneemsom (de posten onder 6 t/m 10). 3 Overeengekomen meer- en minderwerk en stelposten 3.1. BN vordert dat bij de aanneemsom moet worden opgeteld het tot en met 17 februari 2023 overeengekomen meer- en minderwerk en de op dat moment goedgekeurde stelposten. Op BN rust de stelplicht en de bewijslast van het bestaan en de omvang van het overeengekomen meer- en minderwerk en de overeengekomen stelposten. Het gaat hier uitdrukkelijk nog niet om de beoordeling van de vraag of de overeengekomen werkzaamheden daadwerkelijk (goed) zijn verricht en in hoeverre dit leidt De rechtbank volgt hier de indeling van BN en zal het meer- en minderwerk waarover nog geen (schriftelijke) overeenstemming bestond op 17 februari 2023 verderop in dit vonnis onder 4 bespreken. Conclusie bestekwijzigingen 3.3.5. De slotsom is dat bij de aanneemsom € 5.953.762,- aan uitdrukkelijk overeengekomen bestekwijzigingen moet worden opgeteld. Bouwkundige voorzieningen 3.4. BN komt tot een totaal van € 1.903.851,-. DLV komt in haar eigen lijst (productie G-84) tot een totaalbedrag van € 1.910.247,-. Een deel van de verschillen wordt verklaard doordat BN drie posten claimt (BV118a, BV166 en BV 167 van in totaal € 27.868,- en € 31.094,- inclusief opslagen) die door DLV niet worden erkend als opgedragen bouwkundige voorzieningen. Een ander deel van de verschillen wordt verklaard doordat DLV ook bedragen heeft opgenomen die volgens haar door BN in rekening zijn gebracht, wat niet het geval is (bijvoorbeeld BV168 en BV172). Tot slot worden de verschillen verklaard doordat BN bedragen heeft vermeerderd met opslagen voor algemene kosten, winst en risico, wat door DLV buiten beschouwing is gelaten. Zo gaat DLV bijvoorbeeld uit van een bedrag van € 560,- voor ‘aarding fundatiepalen’ (BV001) en berekent BN deze post voor € 625,- door aan DLV. 3.4.1. De rechtbank is van oordeel dat in dit geval de systematiek van BN moet worden gevolgd, en dat de bedragen vermeerderd moeten worden met algemene kosten, winst en risico. In deze categorie gaat het namelijk om het vaststellen van de overeengekomen aanneemsom, inclusief dit soort kosten. Of deze kosten uiteindelijk betaald moeten worden komt verderop in dit vonnis nog apart aan de orde. 3.4.2. Op BN rust de stelplicht en de bewijslast van het bestaan en de omvang van de overeengekomen bouwkundige voorzieningen. Gezien de betwisting door DLV zal de rechtbank de drie door DLV betwiste posten van in totaal € 31.094,- (inclusief opslagen) in mindering brengen op de categorie overeengekomen bouwkundige voorzieningen. Al met al leidt dit tot de conclusie dat € 1.872.757,- (€ 1.903.851,- min € 31.094,-) als overeengekomen bouwkundige voorzieningen wordt opgenomen. Stelposten 3.5. Over dit bedrag aan stelposten zijn partijen het eens, zodat de aanneemsom vermeerderd moet worden met € 2.062.101,-. Conclusie overeengekomen meer-/minderwerk / stelposten 3.6. In totaal zal € 9.888.620,- bij de overeengekomen aanneemsom worden opgeteld. Dit bedrag is opgebouwd uit de volgende posten: - bestekwijzigingen € 5.953.762,- - bouwkundige voorzieningen € 1.872.757,- - stelposten € 2.062.101,- 4 Lopend meer- en minderwerk 4.1. In haar eindafrekening vraagt BN in aanvulling op het overeengekomen meer- en minderwerk, een vergoeding voor bouwkundige voorzieningen en bestekwijzigingen waar geen (schriftelijke) overeenstemming over bestaat. Per 17 februari 2023 gaat het om een totaalbedrag van € 1.455.923,-. Ook dit onderwerp betreft het bestaan en de omvang van meer- en minderwerk waarbij op BN de stelplicht en de bewijslast rust. 4.2. BN geeft in haar productie 108 een overzicht van de relevante posten. Dat overzicht wordt hierna weergegeven en per post besproken. Bestekwijzigingen MM‐111.d Hulpstaal 15e Verdieping Pending € 26.775 MM‐111.e Resterende Hulpstaal Werkzaamheden Pending € 12.634 MM‐116.a Wijzigingen Hang‐ en Sluitwerk [bedrijf 2] Deuren 3 t/m 30 Pending € 35.942 MM‐135 Wijzigingen TR‐05/TR‐06 UO t.o.v. TO Pending € 94.469 MM‐144 Afprijzen van Brandwerende Gevel Kozijnen Pending € 26.286 MM‐166 Wijzigingen Gevels BGG t/m 2e Verdieping Pending € 207.109 MM‐179 Voorstel Openstaande MM‐061.a / MM‐077 / MM‐086 Pending € 70.248 MM‐205.a Herstelwerkzaamheden Beton Daloc Voordeuren Pending € 57.679 MM‐239.d Gipsplaten ter Preventie Tegeldilataties Pending € 16.108 MM‐240 Noodcilinders Pending € 50.051 MM‐249 Laagwatertoeslag Beton Pending € 15.799 Totaal Meer en Minder Werken € 613.100 4.3. Ten aanzien van de posten MM-116a, MM-135, MM-205.a en MM-239.d heeft DLV geen verweer gevoerd, zodat deze posten als Ingevolge paragraaf 47 UAV 2012 is BN gerechtigd deze kosten door te belasten aan DLV, hetgeen zij heeft gedaan bij meerwerkofferte van 28 juni 2022. 4.10.1. DLV betwist niet dat een laagwatertoeslag verschuldigd zou kunnen zijn, maar betwist dat er daadwerkelijk sprake is geweest van droogte en laagwaterstanden en voert aan dat zij vergeefs om onderbouwing van de betreffende post heeft gevraagd door overlegging van een factuur van de betonleverancier. De meerwerkofferte is pas achteraf, een klein jaar nadat het beton was gestort, ingediend. 4.10.2. BN heeft het verweer van DLV niet verder bestreden, zodat deze post van € 15.799,- niet in de eindafrekening wordt betrokken omdat deze gezien het verweer, onvoldoende is onderbouwd. Bouwkundige voorzieningen BV‐115.a Aftekenen Gibo Binnenwanden exclusief Deuropeningen & Keukens Verbally Approved € 22.989 BV‐117.b Gebruik Bouwlift in Week 15/2021 t/m Week 52/2021 voor Homij Pending € 15.347 BV‐118.b Homij Verbruikskosten t/m week 40‐2022 (resterende/lopende discussie) Pending € 23.421 BV‐122.b Meet‐ en Herstelwerkzaamheden Betonvloeren 9e t/m 30e Verdieping Pending € 228.887 BV‐127 Internal Transport Rolcontainers & Housekeeping Derden Pending € 129.564 BV‐146 Diverse Boorformulieren BN‐154 / 159 / 163 + [ H‐137 t/m H‐148 (behalve H‐138 & 143) ] Verbally Approved € 17.057 BV‐147 Gebruik Torenkraan & Bouwlift in Week 1/2022 t/m Week 26/2022 voor Derden Pending € 19.557 BV‐147.a Gebruik Torenkraan & Bouwlift in Week 26/2022 t/m Week 52/2022 voor Derden Pending € 15.592 BV‐168 Productie Firejob Week 45 / 2022 tm week 48 / 2022 Pending € 21.384 BV‐170 Diverse Boorformulieren Pending € 28.069 BV‐172 Productie Firejob Week 49 / 2022 tm week 52 / 2022 Pending € 7.952 BV‐173 Kosten Bouwwarmte Pending € 287.475 BV‐174 Homij Verbruikskosten week 41 t/m week 52‐2022 (electra) Pending € 16.741 BV‐176 Beschadingen en Nalopende Elektra ‐ Reparaties & Teruglopende Gibowanden Pending € 8.786 Totaal Bouwkundige Voorzieningen € 842.823 BV-117.b, BV-118b, BV-127, BV-147, BV-147.a en BV-174, gebruik door nevenaannemers van bouwkundige voorzieningen 4.11. Deze posten zien op gebruik door nevenaannemers van bouwkundige voorzieningen. BN stelt dat ingevolge het bestek de nevenaannemers de bouwkundige voorzieningen van BN kunnen gebruiken en dat BN gerechtigd is deze kosten door te belasten. BN heeft dit gedaan en DLV heeft de kosten steeds betaald. BN stelt dat het onduidelijk is waarom DLV deze kosten nu niet meer wenst te vergoeden. 4.11.1. DLV voert ten aanzien van een aantal posten verweer. BV-117.b, BV-147 en BV-147.a, gebruik bouwliften 4.12. Volgens DLV is het standpunt van BN onjuist. In het bestek onder 05.00.23.94 is bepaald dat de aanwezige bouwliften kosteloos door de nevenaannemers mogen worden gebruikt. 4.12.1. BN heeft het verweer van DLV dat het bestek voorziet in het kosteloos gebruik van bouwliften door de nevenaannemers niet weersproken, zodat dit onderdeel van de vordering wordt afgewezen. BV-118.b, verbruikskosten nevenaannemers 4.13. Volgens DLV is deze post niet verschuldigd omdat verbruikskosten van Homij voor ICT-begeleiding, materieeldienst en afvalcontainers krachtens de aanneemovereenkomst niet voor verrekening in aanmerking komen. DLV betwist dat de kosten zijn gemaakt en voor zover zij zien op de ICT-begeleiding vallen ze onder de coördinatieovereenkomst. 4.13.1. Ook hier geldt dat BN het verweer van DLV dat deze kosten op grond van de aanneemovereenkomst voor rekening van BN komen, niet heeft weersproken, zodat deze zullen afgewezen. BV-127, kosten opruimwerkzaamheden 4.14. DLV betwist deze kosten. Op grond van het bestek (05.32.30-a) coördineert BN het gebruik van afvalcontainers ook ten behoeve van derden en moet zij de kosten met de derden verrekenen. 4.14.1. Dat het bestek een dergelijke regeling bevat is door BN niet weersproken, zodat deze post wordt afgewezen. BV-174, elektriciteit voor de bouwkeet van Homij 4.15. DLV betwist de gevorderde kosten. Het aanbod is Volgens BN blijkt niet dat deze kosten zijn voldaan en zij stelt dat de post deel uitmaakt van de kosten van de vertraging. 4.18.3. Op grond van het voorgaande constateert de rechtbank dat de door BN gemaakte kosten mogelijk verband houden met vertraging van de bouw. Daarom houdt de rechtbank een beslissing op dit punt aan totdat de rechtbank een vonnis zal wijzen over de gevorderde vertragingsschade. In de akte na deskundigenbericht kan DLV zich dan ook uitlaten over de door haar gestelde kosten die verrekend zouden moeten worden. Conclusie lopend meer- en minderwerk 4.19. In totaal zal € 321.580,- aan lopend meer- en minderwerk bij de aanneemsom worden opgeteld. Dit bedrag is als volgt opgebouwd: - € 249.198,- aan bestekwijzigingen, - € 72.382,- aan bouwkundige voorzieningen. 5 Kosten als gevolg van de niet voltooiing van het werk 5.1. BN stelt als gevolg van de niet voltooiing van het werk en vanwege het door haar uitgeoefende retentierecht, kosten te hebben gemaakt die anders voor rekening van DLV zouden zijn gekomen. Hierna zal afzonderlijk op de door BN in dit verband gestelde kosten en het verweer van DLV daartegen worden ingegaan. 5.1.1. Bij de beoordeling wordt voorop gesteld dat op BN de stelplicht en de bewijslast rust dat zij schade heeft geleden en hoe omvangrijk die schade is. Ook als de schade niet nauwkeurig kan worden vastgesteld, maar alleen kan worden geschat, blijft die stelplicht- en bewijslastverdeling overeind staan. Kosten van beveiliging en kosten van veilig stellen van het werk 5.2. BN stelt dat ter beveiliging van het werk en ter voorkoming van vorst- en waterschade in het werk een tijdelijk stroomvoorziening, noodverlichting, een hydrofoor en beveiligingscamera’s op het werk aanwezig dienen te blijven. Ook dient er steigerwerk aanwezig te blijven om het werk toegankelijk en veilig te houden. BN stelt dit materieel te huren zolang het retentierecht wordt uitgeoefend en dat die huurkosten (of de afkoop daarvan) voor rekening van DLV dienen te komen. Onder verwijzing naar haar productie E-110 stelt BN dat de kosten hiervan in totaal € 147.653,- bedragen. 5.2.1. DLV heeft het een deel van deze door BN gevorderde kosten betwist. Het gaat daarbij om de door BN gevorderde kosten voor de steigers, zijnde € 75.000,-, en de kosten voor de door BN gehuurde stroomvoorzieningen, zijnde € 30.000,-. DLV heeft in dat kader aangevoerd dat als gevolg van de beëindiging van het werk de steigers op het werk niet meer nodig zijn en dus weg kunnen. Ten aanzien van de gehuurde stroomvoorzieningen heeft DLV aangevoerd dat de ABK (algemene bouwplaats kosten)-begroting reeds een terugkoopregeling voor de tijdelijke stroomvoorziening bevat. DLV heeft daarbij verwezen naar post 1.04.004 in de door BN als productie E-100 overgelegde inschrijvingsbegroting van 21 juli 2017, waarin met betrekking tot tijdelijke elektrische installaties een bedrag van € 148.980,- is opgenomen onder de vermelding “Aanneemsom - terugkoop elektra”. DLV acht aldus slechts een bedrag van € 42.653,- toewijsbaar. 5.2.2. DLV heeft niet heeft betwist dat voormelde door BN gestelde kosten zijn gemaakt. Voorts wordt overwogen dat BN ter zitting heeft toegelicht dat de steigers nog op het werk aanwezig zijn om zo het werk toegankelijk en veilig te houden, dat de steigers zijn opgesteld in vide’s en trappenhuizen en dat vanwege arbeidsomstandigheden en ook vanwege mogelijke incidenten met insluipers, zij verplicht is de steigers te laten staan. Geoordeeld wordt dat BN daarmee voldoende heeft onderbouwd dat de aanwezigheid van de steigers op het werk ook na de beëindiging daarvan nog steeds is vereist en dat het daarbij gaat om kosten die zij zonder de beëindiging van het werk en de uitoefening daarna van het retentierecht niet zou hebben gemaakt. Hetzelfde geldt voor de door BN gehuurde stroomvoorzieningen. Daarbij is van belang dat DLV onvoldoende inzichtelijk heeft gemaakt dat de door haar genoemde post in de inschrijvingsbegroting met nummer 1.04.004 mede Dat neemt echter niet weg dat gelet op het specifieke verweer van DLV tegen de in het overzicht opgenomen uren voor de HSE, de coördinator QC en de bouwplaatsmanager, het op de weg van BN had gelegen om nader te onderbouwen dat ook deze personen werkzaamheden in het kader van de beëindiging hebben verricht. Nu BN dat heeft nagelaten zijn de voor de HSE, de coördinator QC en de bouwplaatsmanager opgevoerde loonkosten, zijnde in totaal € 70.154,-, als onvoldoende onderbouwd niet toewijsbaar. Ten aanzien van de overige genoemde werknemers heeft DLV – tegenover de gemotiveerde onderbouwing door BN – niet, althans onvoldoende, betwist dat de in het overzicht opgenomen uren zien op beëindigingswerkzaamheden. Dit betekent dat van de gevorderde loonkosten voor de periode 17 februari 2023 – 12 juli 2023 een bedrag van € 541.918,- (€ 612.072,- min € 70.154,-) toewijsbaar is. Loonkosten 12 juli 2023 – januari 2024 en leegloopkosten 5.4. BN vordert ook loonkosten in verband met de beëindiging van het werk die zien op de periode na 12 juli 2023. BN had deze loonkosten onder verwijzing naar productie E-112 aanvankelijk begroot op € 423.704, - maar heeft deze ter zitting verminderd met € 81.090,-. Van deze vordering resteert daarmee nog een bedrag van € 342.614.-. Tevens heeft BN ter onderbouwing van deze kostenpost gewezen op haar productie E-171. Het gaat hier om kosten voor nog resterende werkzaamheden voor het afwikkelen van contractuele relaties met onderaannemers, voor werkvoorbereiders die wekelijks nog een controle doen, voor een projectleider en commercieel manager die dat begeleiden en zogenoemde leegloopkosten van uitvoerders omdat voor deze personen niet direct ander werk beschikbaar is waar ze kunnen worden ingezet. 5.4.1. Ook de juistheid van deze kosten heeft DLV betwist, in die zin dat DLV naast het door BN gehanteerde uurtarief ook de juistheid van het aantal door BN gestelde uren betwist. Ten aanzien van de leegloopkosten heeft DLV aangevoerd dat op BN de verplichting rust om redelijke pogingen te doen om de schade te beperken door het personeel op andere projecten in te zetten. DLV acht het onaannemelijk dat de betreffende werknemers van BN niet elders inzetbaar zouden zijn. 5.4.2. Uit productie E-112 blijkt dat ook deze loonkosten mede zien op gestelde werkzaamheden door een coördinator QC en een bouwplaatsmanager. Nu DLV gemotiveerd heeft betwist dat die personen nog werkzaamheden uitvoeren en DLV de werkzaamheden daarvan niet nader heeft onderbouwd, zijn die gevorderde loonkosten niet toewijsbaar. Dit betreft een bedrag van € 32.848,-. Ten aanzien van de overige personen geldt dat nu niet in geschil is dat er werkzaamheden nodig zijn als gevolg van de beëindiging van het werk, DLV in het licht daarvan onvoldoende gemotiveerd heeft betwist dat het door BN gestelde resterende aantal uren juist is. Daarbij komt dat DLV evenmin concreet heeft gemaakt dat voor de desbetreffende medewerkers werkzaamheden op andere projecten beschikbaar zijn geweest, waarbij wordt betrokken dat door BN onbetwist is gesteld dat uit haar jaarcijfers een daling van de omzet blijkt. Dit ondersteunt de stelling van BN dat geen andere werkzaamheden beschikbaar zijn geweest. 5.4.3. In het door BN gevorderde hogere uurtarief wordt BN gevolgd. Voor wat betreft de leegloopkosten van de uitvoerders, werkvoorbereiders en planner geldt dat bij een reguliere beëindiging kan worden geanticipeerd op een einddatum en medewerkers tijdig op andere projecten kunnen worden ingezet. Voor de overige in productie E-112 genoemde personen, die zich na 12 juli 2023 nog bezig houden of hebben gehouden met de afwikkeling van de onderaannemers, wordt BN ook hier gevolgd dat het daarbij gaat om werkzaamheden die los staan van de inschrijvingsbegroting en de daarin opgenomen uurtarieven en dat BN voor werkzaamheden in het kader van de beëindiging daar niet aan gebonden is. Een bedrag van € 309.766,- (€ 342.614,- min € 32.848,-) is daarmee toewijsbaar. Kosten demobilisatie on Verder is voor het resterende bedrag van belang, zoals door DLV aangevoerd, dat de hefsteigers aan het einde van het werk sowieso door Alimak dienden te worden afgevoerd. Het afvoeren van de hefsteigers behoort daarmee tot de normale kosten en zal in beginsel in de huurprijs zijn inbegrepen. Althans, BN heeft onvoldoende onderbouwd dat dat hier niet het geval is geweest. BN heeft daarmee tegenover het gemotiveerde verweer van DLV onvoldoende onderbouwd dat de voortijdige beëindiging van het werk met betrekking tot het afvoeren van de hefsteigers tot extra demobilisatiekosten heeft geleid. Het in dit verband gevorderde bedrag van € 95.230,- is daarmee niet toewijsbaar. [bedrijf 2] B.V. 5.7. BN vordert in verband met de demobilisatie van onderaannemer [bedrijf 2] B.V. een bedrag van € 2.000,-. Vastgesteld wordt dat in de vaststellingsovereenkomst die BN als productie E-182 heeft overgelegd in de eindafrekening een bedrag van € 2.000,- als demobilisatiekosten is opgenomen en dat DLV de verschuldigdheid daarvan niet wezenlijk heeft betwist. Dit bedrag is daarmee toewijsbaar. BGI Tegelwerk B.V. 5.8. BN vordert in verband met de demobilisatie van onderaannemer BGI Tegelwerk B.V. (hierna: BGI Tegelwerk) een bedrag van € 20.000.-. In de vaststellingsovereenkomst die BN als productie E-183 heeft overgelegd staat in artikel 2.3 echter dat BGI Tegelwerk als gevolg van de opzegging geen extra werkzaamheden heeft uitgevoerd. De in die vaststellingsovereenkomst opgenomen demobilisatiekosten zien daarmee kennelijk op demobilisatiekosten die BGI Tegelwerk ook bij een reguliere beëindiging van de overeenkomst had moeten maken. Althans, BN heeft gelet op het verweer van DLV en het bepaalde in artikel 2.3 van de met BGI Tegelwerk gesloten vaststellingsovereenkomst onvoldoende onderbouwd dat het bedrag van € 20.000,- ziet op kosten die niet zouden zijn gemaakt indien het werk niet voortijdig was beëindigd. Het bedrag van € 20.000,- is daarmee niet toewijsbaar. [bedrijf 3] B.V. 5.9. BN vordert in verband met de demobilisatie van onderaannemer [bedrijf 3] B.V. een bedrag van € 7.500,-. Vastgesteld wordt dat in de vaststellingsovereenkomst die BN als productie E-190 heeft overgelegd in de eindafrekening een bedrag van € 7.500,- als demobilisatiekosten is opgenomen en dat DLV de verschuldigdheid daarvan niet wezenlijk heeft betwist. Dit bedrag is daarmee toewijsbaar. Square Afbouw 5.10. BN vordert in verband met de demobilisatie van onderaannemer Square Afbouw een bedrag van € 16.667.-. In de met Square afbouw gesloten vaststellingsovereenkomst die BN als productie E-194 heeft overgelegd staat in artikel 2.2 echter dat Square Afbouw als gevolg van de opzegging geen extra werkzaamheden heeft uitgevoerd. Bovendien bevat die vaststellingsovereenkomst in het kostenoverzicht niet de post “demobilisatiekosten”. Gelet op het verweer van DLV en het bepaalde in artikel 2.2 van de door BN met Square Afbouw gesloten vaststellingsovereenkomst, heeft BN daarmee onvoldoende onderbouwd dat het bedrag van € 16.667.- ziet op kosten die niet zouden zijn gemaakt indien het werk niet voortijdig was beëindigd. Het bedrag van € 16.667.- is daarmee niet toewijsbaar. Stucadoorsbedrijf BGI Volendam B.V. 5.11. BN vordert in verband met de demobilisatie van onderaannemer Stucadoorsbedrijf BGI Volendam B.V. (hierna: Stucadoorsbedrijf BGI) een bedrag van € 17.300,-. In de vaststellingsovereenkomst die BN als productie E-196 heeft overgelegd is in de eindafrekening wel een bedrag van € 17.300,- als demobilisatiekosten opgenomen, maar BN heeft tegenover de betwisting door DLV onvoldoende onderbouwd waaruit de extra demobilisatiekosten voor Stucadoorsbedrijf BGI als gevolg van de voortijdige beëindiging van de overeenkomst hebben bestaan. Daarbij is mede van belang dat DLV wordt gevolgd in haar verweer dat de kosten van demobilisatie bij stukadoorswerkzaamheden in beginsel in de prijs per vierkante meter is inbegrepen. Waarom dat hier anders is heeft BN onvoldoende toegelicht. Dit BN heeft daarmee voldoende onderbouwd dat zij vanwege de schorsing van het werk extra kosten heeft gemaakt, die voor rekening van DLV dienen te komen als veroorzaker van de schorsing. Dit geldt evenwel niet voor de door BN gestelde schorsingskosten voor Eigenhuis B.V. ter hoogte van € 34.292,52. Van belang daarvoor is dat Eigenhuis B.V. op grond van de planning van november 2022 haar werkzaamheden zou starten omtrent april 2023. Op het moment dat het werk op 17 februari 2023 werd geschorst, was Eigenhuis B.V. dus nog niet met haar werkzaamheden begonnen. Dat Eigenhuis B.V. in die situatie toch schorsingskosten heeft gemaakt, heeft BN onvoldoende onderbouwd en inzichtelijk gemaakt. Het voorgaande betekent dat van de door BN gevorderde schorsingskosten een bedrag van € 50.500,48 (€ 84.793,- min € 34.292,52) toewijsbaar is. Onderhoud groengevel 5.15. BN vordert een bedrag van € 79.500,- aan kosten voor het onderhoud van de groengevel. DLV heeft deze kosten niet betwist. Dit bedrag is daarmee toewijsbaar. Opname werk 5.16. BN heeft aan Hanselman opdracht gegeven voor de opname van het gehele werk en de bepaling van het percentage van voltooiing. BN vordert in verband daarmee betaling door DLV van een bedrag van € 20.425,-. DLV heeft de hoogte en verschuldigdheid van deze kosten niet betwist. Ook dit bedrag is daarmee toewijsbaar. Bouwmateriaal bij onderaannemers/leveranciers 5.17. BN stelt dat zij bij haar onderaannemers/leveranciers ten behoeve van het werk bestellingen heeft gedaan voor de levering van bouwmaterialen, zoals tegels, kozijnen en deuren en dat van dit bouwmateriaal nog een deel bij deze onderaannemers en leveranciers aanwezig is. BN stelt dat zij deze bestelde materialen niet meer kan gebruiken, maar wel moet overnemen en dat zij dus aanzienlijke kosten maakt. In totaal gaat het om een bedrag van € 2.539.156,-. Ter onderbouwing daarvan heeft BN gewezen op de door haar overgelegde productie E-120. 5.17.1. DLV heeft aangevoerd dat zij uiteraard bereid is om de voor de voltooiing van het werk benodigde en deugdelijke materialen van BN over te nemen, maar dat de door BN ingediende specificaties niet te controleren zijn. Op de door BN overgelegde foto's zijn veelal dichtgeplakte pallets te zien waarbij de inhoud en de kwaliteit daarvan niet controleerbaar is. DLV stelt daarom dat – tot de kwaliteit en de volledigheid van de aangeboden materialen is vastgesteld – zij niet gehouden is om het door BN opgegeven bedrag te betalen. 5.17.2. De rechtbank dient ook bij de beoordeling van deze vordering uit te gaan van de onder 2.3 genoemde maatstaf bij voltooiing van het werk in onvoltooide staat: De aannemer heeft alsdan recht op de aannemingssom, vermeerderd met de kosten die hij als gevolg van de niet voltooiing heeft moeten maken en verminderd met de hem door de beëindiging bespaarde kosten. (…). De bespaarde kosten worden berekend op basis van de mate waarin het werk voltooid is, zoals hierna te bespreken onder 6.1 en volgende, Gevolg daarvan is dat de bespaarde kosten bestaan uit zowel het niet gebruikte bouwmateriaal als de niet verrichte arbeid. Aangeschafte bouwmaterialen die nog niet verwerkt zijn moeten afzonderlijk worden verrekend, omdat bij de berekening van de stand van het werk alleen de al verwerkte bouwmaterialen worden meegerekend. Partijen zijn hier ook vanuit gegaan. 5.17.3. In de akte van 14 maart 2024 is BN onder meer nader ingegaan op de bouwmaterialen die nog bij de onderaannemers aanwezig zijn. Daaruit blijkt dat BN met onderaannemer A.T. Projecten B.V. (hierna: A.T. Projecten) nog niet tot een financiële afwikkeling is gekomen en dat om die reden door A.T. Projecten nog geen eigendomsverklaring is ondertekend, een factuur van A.T. Projecten ontbreekt, alsmede een betalingsbewijs van BN aan A.T. Projecten. Hetzelfde geldt voor het materiaal van [bedrijf 5] B.V. (hierna: [bedrijf 5] ). Een ondertekende eigendomsverklaring daarvan ontbreekt omdat tussen [bedrijf 5] en BN een arbitrage aanhangig is over de Ook voor dit materiaal heeft DLV betwist dat het materiaal niet voldoet aan de daaraan te stellen eisen, althans dat zij de kwaliteit niet kan controleren, maar enige concrete aanwijzing dat het materiaal niet kwalitatief voldoet heeft DLV niet overgelegd. In productie G-143 stelt DLV ten aanzien van dit materiaal dat het “ mogelijk te gebruiken materiaal ” betreft, maar dat is een onvoldoende betwisting van de kwaliteit. 5.21.1. Enige uitzondering daarop is het door NBK Keramik geleverde keramiek. DLV heeft aangevoerd dat er een kleurverschil zit in het door NBK Keramik geleverde keramiek dat reeds aan de gevel van het gebouw is bevestigd, zie hierna onder 8.22. Niet kan worden uitgesloten dat dit gestelde kleurverschil ook aanwezig is in het van NBK Keramik afkomstige bouwmateriaal dat nog niet in de gevel is verwerkt en op de bouwplaats staat. De hierna onder 8.22.1 genoemde deskundige zal zich daarom ook dienen uit te laten of het gestelde kleurverschil ook aanwezig is in het van NBK Keramik afkomstige keramiek dat op de bouwplaats aanwezig is en nog niet is verwerkt, voordat kan worden beslist over de toewijsbaarheid van het bedrag van € 390.320,- dat BN in verband daarmee vordert. 5.21.2. Uit het voorgaande volgt dat in verband met het door BN gevorderde bedrag aan materiaal dat op de bouwplaats aanwezig is maar nog niet is verwerkt, (op dit moment) een bedrag van € 996,104,- (€ 1.386.424,- min € 390.320,-) toewijsbaar is. Niet bespaarde engineeringskosten onderaannemers 5.22. BN stelt dat een aantal onderaannemers engineeringswerkzaamheden heeft verricht met betrekking tot het niet uitgevoerde deel van haar werkzaamheden en dat in de met de onderaannemers gesloten vaststellingsovereenkomsten deze kosten door de onderaannemers bij BN in rekening zijn gebracht. BN vordert in verband daarmee, als niet bespaarde engineeringskosten en onder verwijzing naar haar productie E-121, betaling door DLV van een bedrag van € 122.084,-. 5.22.1. DLV heeft als verweer aangevoerd dat BN niet inzichtelijk heeft gemaakt welke werkzaamheden door de betreffende onderaannemers zijn verricht en welke bedragen daar daadwerkelijk voor zijn betaald. Daarnaast heeft DLV aangevoerd dat niet duidelijk is in hoeverre de in dit kader door BN opgevoerde bedragen een dubbeling zijn ten opzichte van de door BN opgevoerde indirecte kosten. DLV heeft daarbij gewezen op door BN gestelde niet bespaarde engineeringskosten van Senta, de onderaannemer inzake de keramische gevel. Bij de toelichting op de indirecte kosten heeft BN gesteld dat de werkvoorbereiding volledig is uitgevoerd en heeft zij in verband daarmee een hoger bedrag aan indirecte kosten opgevoerd. Dit duidt op een dubbeltelling, aldus DLV. Daarnaast heeft DLV aangevoerd dat de gewijzigde opzet voor de gevel als gevolg van het besluit van BN om onderaannemer Leebo te vervangen door Senta niet voor rekening van DLV dient te komen. 5.22.2. Geoordeeld wordt dat BN tegenover het gemotiveerde verweer onvoldoende heeft onderbouwd dat de hier gevorderde engineeringskosten zien op het nog niet voltooide deel van het werk. De in dit verband door BN overgelegde factuur van Senta is bijvoorbeeld van 15 april 2022. Die datum ligt bijna meer dan een jaar vóór 17 februari 2023, zijnde de datum waarop BN de werkzaamheden heeft beëindigd. Het had op de weg van BN gelegen om inzichtelijk te maken waarom die werkzaamheden toch als niet bespaarde engineeringskosten moeten worden aangemerkt. Hetzelfde geldt voor de overige in dit verband opgevoerde engineeringskosten. Het bedrag van € 122.084,- is daarmee niet toewijsbaar. Conclusie kosten als gevolg van de niet voltooiing van het werk 5.23. In totaal zal € 3.710.395,48 aan kosten als gevolg van de niet voltooiing van het werk bij de aanneemsom worden opgeteld. Dit bedrag is als volgt opgebouwd: - € 147.653,- aan kosten beveiliging en veilig stellen van het werk, - € 851.684,- aan loonkosten, - € 9.500,- aan mobilisatiekosten, - € 50.500,48 aan scho Er zijn geen besparingen als het gaat om precario. Vaste bouwkraan 6.5. Ten aanzien van de vaste bouwkraan heeft DLV uitgelegd dat de kosten niet volledig moeten worden toegeschreven aan de ruwbouw die in december 2021 was voltooid, omdat deze bouwkraan ook na de ruwbouw nog nodig was en daarmee in de categorie ‘general’ valt. Dat klopt en is ook door BN erkend, zodat ook de rechtbank daarvan zal uitgaan. Partijen gaan ervan uit dat het werk gemiddeld voor 77% gereed was op 17 februari 2023, waardoor 23% van de indirecte bouwkraankosten als besparing kan worden aangemerkt. Het gaat hier om de door BN op een rijtje gezette kosten (productie 177, € 48.089,-) en de door DLV genoemde kosten van de aanpikkelateur (23% van € 107.752,- is € 24.783,-). In totaal zal dus € 72.872,- als besparing voor de bouwkraan worden aangemerkt. DLV heeft weliswaar gesteld dat ook nog andere kosten bij de indirecte bouwkraankosten opgeteld moeten worden, maar zij heeft nagelaten om die kosten concreet te benoemen in haar conclusie. Het verwijzen naar een (ook nog eens omvangrijke) productie is in dit verband onvoldoende. Tot slot heeft DLV erop gewezen dat BN een rekenfout heeft gemaakt bij de berekening van de kraanbediening, maar dat is niet juist. BN heeft 23% van 24 weken kraanbediening als besparing berekend, wat neerkomt op het door BN genoemde bedrag. Conclusie indirecte kosten 6.6. De rechtbank stelt concluderend vast dat de besparingen op de indirecte kosten (€ 1.798.700,- plus € 72.872,-) € 1.871.572,- bedragen. Verleende kortingen 6.7. Bij het aangaan van de aannemingsovereenkomst heeft BN vier commerciële kortingen verleend op de aanneemsom (DBK € 22.838,-, ABK € 18.481,-, aanvullende commerciële korting € 151.449,- en korting prijsvast Leebo € 100.000,- ). BN stelt zich op het standpunt dat deze kortingen nu (deels) vervallen en dat DLV deze kortingen moet terugbetalen, althans geen aanspraak meer kan maken op deze kortingen. Het gaat hier, aldus BN, om ten tijde van het sluiten van de overeenkomst voorziene besparingen, die BN nu niet meer volledig kan realiseren. Bovendien heeft BN door het geven van deze korting haar winstmarge verminderd, en winst is geen besparing. Ter onderbouwing van haar standpunt heeft BN gewezen op een vonnis van deze rechtbank van 27 april 2011 (ECLI:NL:RBAMS:2011:BQ4280) en twee uitspraken van de Raad van Arbitrage (16 juli 2013, nr. 71.811 en 17 oktober 2011, nr. 32.830). 6.7.1. DLV brengt hier tegenin dat de overeengekomen kortingen zonder voorwaarden in mindering zijn gebracht op de aanneemsom, en dat BN dan ook geen aanspraak kan maken op terugbetaling van deze bedragen. DLV heeft op haar beurt verwezen naar een uitspraak van de Raad van Arbitrage (23 augustus 2016, nr. 35.351). 6.7.2. De rechtbank is het met DLV eens dat partijen de kortingen zonder voorbehoud zijn overeengekomen. Er is bijvoorbeeld niet de voorwaarde gesteld dat de korting alleen geldt als het gehele werk is afgerond. Het gaat ook niet, anders dan in de door BN aangehaalde zaken, om een specifieke inkoopkorting voor een bepaald onderdeel van het (nu niet uitgevoerd) werk of om een korting die is gekoppeld aan te verwachten (en nu misgelopen) inkomsten. In de onderhavige zaak gaat het om vier kortingen die BN heeft gegeven om de totale prijs te laten zakken en zo een aantrekkelijkere contractspartij te worden. BN heeft daarbij als ondernemer een risico genomen, dat zij nu niet op DLV kan afwentelen. BN en DLV hebben namelijk geen voorwaarden verbonden aan het verstrekken van de kortingen en BN kan er dus ook niet op terugkomen. Dat betekent dat deze bedragen niet afgetrokken hoeven te worden van de bespaarde kosten. Conclusie bespaarde kosten in verband met het overeengekomen werk 6.8. In totaal zal € 13.183.580,- aan besparingen in mindering worden gebracht. Dit bedrag is als volgt opgebouwd: - € 11.312.008,- aan directe kosten en - € 1.871.572,- aan indirecte kosten 7 Bespaarde kosten in verband met het meer- en minderwerk 7.1. In het Dat het grootste deel van het overeengekomen verwachtte meerwerk door nevenaannemers niet is uitgevoerd, betekent dat BN ook geen coördinatiewerkzaamheden heeft hoeven verrichten. Voor een vergoeding daarvan is dan geen plaats, zodat de rechtbank met DLV uit zal gaan van een besparing van € 250.319,- (het overeengekomen bedrag aan meerwerk € 280.395,- min het daadwerkelijk verschuldigde bedrag € 30.076,-). BW010/MM-010 en BW074/MM-074, kozijnen en wijzigen kernkleur keramiek (88D) 7.8. DLV stelt dat partijen zijn overeengekomen dat BN zich zou inspannen om in het kader van deze post een bezuiniging te realiseren van € 1.350.000,-. Indien dit niet zou lukken, zouden de meerkosten als meerwerk worden verrekend. BN heeft [bedrijf 5] ingehuurd en DLV bericht dat de gewenste bezuiniging niet is gerealiseerd en dat de uiteindelijke kosten € 5.482.329,- bedroegen. Als gevolg daarvan is een post van € 420.427,- als meerwerk opgenomen. Op enig moment heeft [bedrijf 5] beslag gelegd onder DLV ten laste van BN en is DLV uit de beslagstukken gebleken dat de opdracht aan [bedrijf 5] voor een lager bedrag van € 5.069.011,- is gegeven. Aldus heeft BN DLV onjuist geïnformeerd en is een te hoog bedrag aan meerwerk opgenomen van € 413.318,-. 7.8.1. Ook ten aanzien van de opdracht voor het wijzigen van de kernkleur van het keramiek van de gevel heeft BN volgens DLV ten onrechte een bedrag in het meerwerk opgenomen. Nadat BN van leverancier was gewisseld, kwamen partijen namelijk overeen dat de extra gemaakte kosten met betrekking tot het wijzingen van de kleur, niet in rekening zouden worden gebracht. 7.8.2. Een en ander leidt volgens DLV tot de conclusie dat er ten aanzien van de posten BW010 en BW074 geen sprake is van meerwerk van € 825.042,- (€ 420.427,- + € 404.615,-) maar minderwerk van € 2.149,-. 7.8.3. De rechtbank stelt vast dat de door DLV opgeworpen discussie in het kader van mogelijke besparingen op meer- en minderwerk, feitelijk een betwisting inhoudt van door BN bij DLV in rekening gebracht meerwerk. Ten aanzien van het gevorderde meerwerk rust de bewijslast in beginsel op BN. Omdat DLV haar verweer in het kader van de systematiek van de eindafrekening ten onrechte heeft opgenomen bij de besparingen en BN zich hierover nog niet heeft uitgelaten, krijgt zij de gelegenheid dat alsnog te doen in een nadere akte. BW078/MM-078, aanpassen wand trappenhuizen (89D) 7.9. DLV verklaart dat partijen op verzoek van BN hebben afgesproken dat de wanden van het trappenhuis in metal stud in plaats van kalksteen zouden worden uitgevoerd. DLV heeft niet ingestemd met extra kosten en is daartoe op grond van het bestek (00.02.34.90) ook niet gehouden. DLV brengt in het kader van het bespaarde meerwerk daarom € 205.418,- in mindering op de eindafrekening. 7.9.1. Ook ten aanzien van deze post stelt de rechtbank vast dat de door DLV opgeworpen discussie in het kader van mogelijke besparingen op meer- en minderwerk, feitelijk een betwisting inhoudt van door BN bij DLV in rekening gebracht meerwerk. Ten aanzien van het gevorderde meerwerk rust de bewijslast in beginsel op BN. Omdat DLV haar verweer in het kader van de systematiek van de eindafrekening ten onrechte heeft opgenomen bij de besparingen en BN zich hierover nog niet heeft uitgelaten, krijgt zij de gelegenheid dat alsnog te doen in een nadere akte. BW81e/MM-081e, wijzigingen gevel (G-90 en E-150) 7.10. DLV stelt dat 26% van verschillende werkzaamheden aan de gevel onvoltooid is, hetgeen leidt tot een besparing van € 201.500,-. DLV verwijst daarbij, zonder verdere toelichting, naar de door haar als productie 81 overgelegde “standopname [naam B.V.] ”. 7.10.1. BN betwist dat de besparing 26% bedraagt. Dit percentage is te algemeen omdat het om allerlei verschillende soorten werk gaat. BN legt een overzicht over waar de voortgang van de verschillende werken in een percentage worden uitgedrukt en komt op een besparing van € 74.562,-. De rechtbank zal dit bedrag aanhouden als gerealiseerde besparing nu Hiervoor is onder 4.18.3 bepaald dat een beslissing ten aanzien van de door BN in het meerwerk opgevoerde post van € 287.475,- in relatie tot de bouwwarmte zal worden aangehouden totdat de rechtbank een beslissing zal geven over de vertragingsschade. Aldus geldt dit ook voor de opgevoerde besparing en wordt de vraag of er sprake is van een besparing eveneens aangehouden. Conclusie: 7.20. Op grond van het voorgaande zal de rechtbank op dit moment uitgaan van een totale besparing met betrekking tot de bouwkundige voorzieningen van € 33.536,- (€ 19.969,- en € 13.536). Besparing op de stelposten 7.21. DLV stelt dat er een besparing op de stelposten is van in totaal € 1.540.329,- (G-84). BN betwist de omvang van de besparing en komt in haar eigen afrekening op een besparing van € 1.198.806,- (E-117). Partijen verschillen met name van mening over de besparingen op de groene gevels, de balustrades en de keukens in de appartementen. SP01 groene gevels (G-109 en E-144) 7.22. DLV stelt dat uit de opname door [naam 3] en foto’s van de gevel blijkt dat 47% van de groengevel niet is uitgevoerd, hetgeen neerkomt op een besparing van € 112.380,-. BN betwist dat er sprake is van een besparing op het totale bedrag van € 239.104,- en beroept zich daarbij op een rapport van de Hanselman Groep die op verzoek van BN de stand van dit werk heeft onderzocht. 7.22.1. De rechtbank stelt vast dat ook de deskundige van BN uitgaat van een besparing. Volgens de Hanselman Groep is de groengevel voor 75% gereed (en dus niet 100% waar BN in haar eindafrekening vanuit gaat). De Hanselman Groep constateert net als DLV dat de beplanting voor 50% is aangebracht, maar dat de aluminium achter-constructie helemaal klaar is. DLV betwist dat de constructie af is en verwijst daarbij naar foto’s. Ook stelt zij dat de kosten van de achter-constructie veel lager zijn dan de kosten van de planten. De rechtbank gaat hieraan voorbij. DLV geeft niet aan om welke foto’s in de door haar genoemde productie het gaat, noch hoe daarop kan worden waargenomen dat de constructie niet af zou zijn. Dat de kosten van de achter-constructie minder zijn dan die van de planten wordt niet met cijfers onderbouwd, noch wordt aangegeven op welke wijze dit kostenverschil in de berekening moet worden betrokken. 7.22.2. De rechtbank volgt de deskundige van BN en gaat uit van een besparing van 25% en daarmee een bedrag van € 59.776,-. SP07c, houten balustrade (G-110 en E-152) 7.23. Voor het aanbrengen van balustrades in een aantal trappenhuizen is op 23 december 2022 aan BN een opdracht verstrekt ter waarde van € 783.828,-. DLV stelt dat nu de werkzaamheden slechts in beperkte mate zijn uitgevoerd, een besparing van € 733.828,- redelijk is. BN heeft alleen voorbereidende werkzaamheden verricht en een steiger opgebouwd. Die kosten schat DLV inclusief opslagen afgerond op € 50.000,-. 7.23.1. BN gaat in haar eindafrekening uit van een besparing van € 563.445,-. Zij beroept zich daarbij op de door DLV ondertekende uitsplitsing van werkzaamheden bij de offerte waarop ze per post heeft aangegeven welke kosten wel en niet zijn gemaakt. Volgens BN bedraagt de waarde van de wel verrichte werkzaamheden € 220.383,-. Blijkens het overzicht van BN zien de gemaakte kosten met name op arbeidsloon, huur, levering en installatie van de steigers. 7.23.2. In haar reactie op het verweer van BN, gaat DLV voor wat betreft het steigerwerk uit van € 25.000,- aan gemaakte kosten. Hoe zij aan dit bedrag komt wordt verder niet toegelicht en de opstelling van BN wordt niet weersproken. 7.23.3. Gezien het voorgaande volgt de rechtbank het standpunt van BN en wordt uitgegaan van een besparing van € 563.445,-. SP35, levering en montage keukens appartementen (E-111) 7.24. BN heeft opdracht gekregen om 317 keukens te plaatsen voor een bedrag van € 505.517,-. DLV stelt dat BN slechts één keuken heeft geplaatst ter waarde van € 5.517,-, zodat er € 500.000,- is bespaard. BN begroot de besparing op € 443.609,- BN voert aan dat zij de De deskundige zal moeten inschatten welke kosten BN als aannemer heeft bespaard doordat zij het herstel niet behoeft uit te voeren, niet welke kosten DLV zal moeten maken om het herstel door een derde te laten uitvoeren. Dat geldt voor alle gestelde schadeposten in dit hoofdstuk die aan het oordeel van een deskundige zullen worden onderworpen. De stelling van BN dat daarbij moet worden uitgegaan van de prijzen in de inschrijfbegroting wordt echter verworpen. Er dient bij de berekening uit te worden gegaan van de situatie dat BN de schade nu zou herstellen, daarom dient bij de bepaling van de schade het huidige prijspeil te worden gehanteerd. Memo BBN Post Sch04 Nat geworden HWC plafondplaten, verdieping ‐1 en ‐2 8.4. BN begroot de herstelkosten naar aanleiding van het rapport van Hanselman op € 16.056,70, volgens DLV bedragen deze € 114.300,-. Partijen zijn het er wel ongeveer over eens hoeveel platen zijn aangetast, maar verschillen van mening over de benodigde herstelwerkzaamheden en dus over de herstelkosten. Volgens DLV moeten veel meer platen vervangen worden dan volgens BN, en volgens DLV rekent BN veel te lage prijzen voor de verschillende werkzaamheden en heeft zij geen rekening gehouden met verwijderingskosten. 8.4.1. DLV heeft voldoende gesteld dat hier sprake is van een mogelijk gebrek. De rechtbank kan aan de hand van het dossier niet vaststellen of er daadwerkelijk sprake is van een gebrek en dus zal een deskundige dat na onderzoek ter plaatse moeten beoordelen. De te benoemen deskundige zal de kosten van herstel moeten begroten. 8.4.2. Om onnodige herhalingen te voorkomen zal hierna in soortgelijke gevallen als DLV voldoende heeft gesteld om aan te kunnen nemen dat mogelijk van een gebrek sprake is en onderzoek door een deskundige noodzakelijk is, slechts worden vermeld wat de deskundige zal moeten beoordelen. Memo BBN Post Sch05 waterschade kalkzandsteenwanden, verdiepingen ‐1 en ‐2 8.5. Dit gaat om aantasting van de kalkzandsteenwanden van de beide kelderverdiepingen door regenwater. BN begroot de herstelkosten naar aanleiding van het rapport van Hanselman op € 1.047,75, bestaande uit kosten voor drogen en licht schuren. Volgens DLV is dat onvoldoende om het werk op opleverniveau te krijgen. 8.5.1. In productie G-115 heeft DLV de volgens haar noodzakelijke herstelwerkzaamheden toegelicht. De kosten van het herstel worden daarin begroot op € 15.840,-. Met de daarin opgenomen uitgebreide uiteenzetting van de benodigde werkzaamheden heeft DLV voldoende onderbouwd dat slechts drogen en licht schuren onvoldoende is om de schade aan de kalksteenwanden te herstellen. Voor de herstelkosten van de waterschade zal daarom worden uitgegaan van het DLV gestelde bedrag van € 15.840,-. Memo BBN Post Sch6 en 7 vloerluiken verkeerde hoogte en verkeerde positie 8.6. Tussen partijen is niet in geschil dat het een gebrek betreft. BN begroot de herstelkosten op € 1.125,-, volgens DLV bedragen deze € 28.280,-. DLV heeft de volgens haar noodzakelijke werkzaamheden toegelicht in productie G-117. BN voert aan dat een onderbouwing van de kosten ontbreekt. 8.6.1. De rechtbank acht de in productie G-117 gegeven opsomming van te verrichten werkzaamheden een voldoende onderbouwing van de schatting van de kosten. Voor de kosten van herstel van de vloerluiken zal daarom uitgegaan van het door DLV gestelde bedrag van € 28.280,-. Memo BBN Post Sch8 en 9 verankering en aansluiting gibowanden 8.7. Volgens DLV zijn de gibowanden op de 9e t/m de 20e verdieping met te weinig veerankers bevestigd aan de plafonds. Dit blijkt uit productie G-116. Volgens BN is het gebrek verholpen en zijn er geen herstelkosten; BN verwijst naar productie E-157. Daarin heeft [naam 4] (GST Afbouw Volendam B.V. en [bedrijf 6] B.V.) het volgende geschreven: “Wij hebben een controleronde gedaan ivm met de verankeringen in de gibowanden. Deze zijn overal juist aangebracht (hier kan soms 20cm meer tussen zitten). Vaak worden de ankers aan 1 kant uitgezaagd, dus is niet altijd De rechtbank draagt DLV niet op dit verschil toe te lichten, omdat het in ieder geval nodig is dat de deskundige (als er lekkages blijken te zijn) de herstelkosten begroot en de inschatting van partijen daarvoor niet bepalend is. Memo BBN Post Sch13 scheurvorming kelder ‐2 8.13. Deze gestelde schade betreft scheurvorming in de vloer van de parkeerkelder; uit de scheuren komt water naar boven. Volgens DLV bedragen de bespaarde herstelkosten € 22.000,-. DLV verwijst naar productie G-121. Daarin is vermeld dat op 19 januari 2023 scheurvorming in de vloer van de parkeerkelder is geconstateerd. Plaatselijk is een natte plek zichtbaar. Daarvan is een foto gemaakt. Dit gebrek is door CBB nog niet goed onderzocht. De gestelde schade is een schatting. 8.13.1. BN heeft gesteld dat de schade door Nebest is onderzocht en dat Nebest adviseert de scheuren te injecteren, kosten maximaal € 9.600,-. BN verwijst naar productie E-169. Daar is vermeld: Afhankelijk van de diepte van de scheur en de hoeveelheid injectiemateriaal, zullen de kosten voor injecteren van de scheuren in beton circa € 1.300,00 tot € 1.600,00 exclusief btw per dag bedragen (injecteur/injecteerder met bus, materieel en materiaal). Gemiddeld wordt er 4 m op een dag geïnjecteerd. Ingeschat wordt dat een injecteur/injecteerder circa 6 dagen bezig zal zijn. Aangezien er een vloerdikte van circa 150 cm aanwezig is, zal een injectie langer kunnen duren, maar dit wordt niet verwacht. 8.13.2. Partijen zijn het er over eens dat sprake is van een gebrek. Tegenover de door Nebest gegeven onderbouwde begroting zoals door BN in het geding gebracht staat van de kant van DLV alleen een niet onderbouwde schatting van de kosten. Zij heeft de begroting van Nebest niet gemotiveerd betwist. De rechtbank gaat daarom uit van bespaarde kosten tot een bedrag van € 9.600,-. Memo BBN Post Sch15 MS wanden dagkanten 8.14. BN begroot de herstelkosten op € 941,60 (productie E-160), volgens DLV bedragen deze € 39.200,-. DLV verwijst naar productie G-122. Hieruit blijkt zoals ook ter zitting vermeld dat BN een herstel voorstelt door bredere kozijnarchitraven toe te passen. DLV vindt dat een lapmiddel, zij gaat uit van een herstelplan waarbij de metal stud-wanden ter plaatse worden vervangen zodat deze netjes aansluiten op de deurkozijnen. 8.14.1. De rechtbank behoeft hier het oordeel van de deskundige over de vraag of de door BN voorgestelde aanpak acceptabel is, dan wel de door DLV gewenste aanpak aangewezen is en wat de bespaarde kosten van herstel zijn. Memo BBN Post Sch16 verkeerd aangebrachte balkonankers 8.15. Tussen partijen is niet in geschil dat ongeveer 3.500 stuks balusterankers verkeerd zijn uitgevoerd. In plaats van roestvrijstalen ankers zijn thermisch verzinkte ankers toegepast. BN heeft blijkens productie G-123 aan de hand van het advies van een onafhankelijke specialist (Nebest) de volgende oplossing aangedragen. “Aangezien Nebest een levensduur verwacht van 24 tot 71 jaar en een levensduur vereist is van 50 jaar, hebben wij aangeboden om na 20 jaar op onze kosten de balkons te inspecteren en, indien nodig, onderhoud uit te voeren.” BN neemt als besparing € 10.000,- op. DLV heeft dit voorstel niet aanvaard. Zij stelt dat de levensduur van de verankering dan niet 50 jaar is gegarandeerd en veiligheidsrisico's kunnen optreden. Vervanging is volgens DLV nodig. Zij becijfert de besparing op € 1.748.500,-. DLV baseert zich op een advies [naam 2] Ingenieurs ( [naam 5] ) van oktober 2023. 8.15.1. Volgens BN is het door [naam 2] voorgesteld herstel niet haalbaar. Inmiddels (in februari 2024) heeft Nebest een nieuw rapport gemaakt over de theoretische levensduur van de toegepaste ankers, waarvan de conclusie als volgt luidt. “Op basis van de theoretische levensduurberekening is vastgesteld dat de theoretische levensduur van de andere toegepaste ankers, bestaande uit DEMU-staafankers type 4010 FV en verzinkte M16 bout, een theoretische levensduur van minimaal 87 jaar hebben. Hierbij is aangenomen d CBB is niet betrokken in de besluitvorming om de overstap van 20 naar 15 mm te maken. Op de tekeningen van IBS staat 15 mm aangegeven voor de vensterbanken. Dit zijn echter geen bestekstukken. BN geeft aan dat zij de details van IBS aanhouden. (…) Plan van aanpak: Als eerste moet overeenstemming bereikt worden over de dikte van de toe te passen vensterbanken (bestek vs tekeningen IBS). Dan dient er naar de overgangsverdieping gekeken te worden. Is het akkoord dat er op een verdieping twee diktes zijn toegepast? Verschillende diktes in één appartement is in geen geval acceptabel. Herstelkosten zijn voor BN, inventarisatie heeft nog niet plaatsgevonden.” 8.21.1. Het bedrag aan bespaarde herstelkosten dat DLV stelt is mede gebaseerd op de veronderstelling dat 600 meter aan vensterbanken een verkeerde dikte heeft (15 mm i.p.v. contractueel 20 mm) en dus vervangen moet worden. Daarnaast is volgens DLV ongeveer 240 meter aan vensterbanken niet netjes aangebracht (te veel toleranties en/of schade), zodat in totaal 840 meter aan vensterbanken vervangen moet worden.Volgens DLV heeft BN in de begroting van bespaarde kosten geen rekening gehouden met vervanging van vensterbanken met onjuiste dikte en vergeet zij de kosten van mortel, lijm, primer, afstandshouders, kitvoeg, stucwerk en verstekhoeken. 8.21.2. Wat de dikte van de vensterbanken betreft gaat de rechtbank ervan uit dat BN behoort te bouwen overeenkomstig het bestek, tenzij daarvan in onderling overleg is afgeweken. Dat is hier niet het geval. Vervolgens is de vraag wat de kosten zijn van herstel van het plaatsen van de verkeerde maat vensterbanken en van het herstel van beschadigde of niet goed (recht) geplaatste vensterbanken. Geoordeeld wordt dat DLV met productie G-128 voldoende heeft onderbouwd dat de op dit punt voor BN bespaarde herstelkosten € 96.950,- bedraagt. Memo BBN Post Sch23 gevel keramiek kleurverschil 8.22. Volgens BN is van kleurverschil geen sprake, zij heeft gewezen op foto’s waarbij keramiek van de gevel naast de mock up gehouden is. Door de wijze van lichtinval (de tegels zijn onder hoeken gemonteerd) zijn de kleurverschillen die er van veraf leken te zijn van dichtbij niet zichtbaar. DLV stelt dat zowel de architect als de gemeente wel een onacceptabel kleurverschil zien. Zij verwijst naar productie G-129. Daarin is niet te vinden dat de gemeente daarover een opmerking heeft gemaakt maar wel dat de bouwdirectie daarover in een memo van 22 december 2022 heeft opgemerkt: “5. Kwaliteitsborging keramiek NBK. Het lukt BN / NBK niet om een simpele vraag afdoende te beantwoorden. Per reactie ontstaat er nieuwe verwarring en onduidelijkheid. Het manifesteert zich nu ook in de uitvoering. Zichtbaar zijn te opvallende kleurverschillen. NBK reageert daar erg traag op, een afspraak maken duurt al weken en te lang” Volgens DLV zal circa 15% van het aangebrachte kramiek vervangen moeten worden en bedragen de bespaarde herstelkosten € 952.200,-. BN vindt dat dat bedrag in ieder geval onvoldoende is onderbouwd. 8.22.1. De te benoemen deskundige zal moeten beoordelen of van een onacceptabel kleurverschil sprake is en zo ja wat de bespaarde kosten van herstel zijn. Daarbij gaat het om de kleur zoals die van dichtbij zichtbaar is; dat er door reflecties of verschillen in lichtinval verschillen in kleurwaarneming vanaf een afstand kunnen optreden is inherent aan het ontwerp en de materiaalkeuze van de architect en komt niet voor rekening van de aannemer. Memo BBN Post Sch25 toilet plateauhoogte 8.23. DLV stelt dat BN het tegelwerk in de toiletten tot aan de 15e verdieping heeft doorgezet tot 1,40 meter hoogte. Met de belegger die de woningen van DLV heeft gekocht is echter een hoogte van 1,20 meter overeengekomen. Volgens DLV heeft BN gehandeld in strijd met haar herhaalde instructies. DLV verwijst naar productie G-130. Daar is het volgende vermeld: “Ondanks herhaalde instructies heeft BN het tegelwerk in de toiletten tot aan de 15e verdieping doorgezet tot 1,40m hoogte i Nadat de foto’s waar DLV naar verwijst zijn gemaakt (april 2022), zijn er nog werkzaamheden verricht. Daarnaast is het zo dat de foto’s voor een deel niet zijn gemaakt in de gangen, maar in de hotelkamers. 8.28.1. De te benoemen deskundige zal moeten beoordelen of van een te herstellen gebrek sprake is en zo ja, wat de bespaarde herstelkosten zijn. Memo BBN Post Sch35 dilataties wanden algemene ruimtes/gangen waar werkzaamheden gereed zijn 8.29. Volgens DLV ontbreken dilataties in wanden van de algemene ruimtes en gangen op de verdiepingen 2 t/m 22. DLV verwijst naar productie G-136, maar bedoeld zal zijn G-135. Daar is het gestelde gebrek als volgt toegelicht: “Indien wanden van verschillende materialen samen komen is het gebruikelijk een dilatatievoeg toe te passen. Volgens het bestek dient BN een werkplan te maken m.b.t. dilataties in de wanden. BN heeft dit niet gemaakt en aangegeven bij de overgangen tussen verschillende materialen een gaasband toe te passen. Een zeer ongebruikelijke werkwijze. Het is dan niet de vraag of er scheuren zullen optreden maar wanneer. (…) Steeksproefsgewijs is gecontroleerd op maatgevende verdiepingen -2, 3e en 9e verdieping. Geconstateerd is dat op ca. 15 posities per verdieping géén of bij beeldopname niet zichtbaar dilataties zijn gemaakt terwijl de wand wel afgewerkt is en/of aangemerkt is als schoonwerk.” Volgens BN is er geen te herstellen gebrek. Zij verwijst naar productie E-167. Dit bevat haar meerwerkaanbieding voor “Extra stukadoorswerk tgv dilataties”. Volgens DLV bedragen de herstelkosten € 56.730,-. 8.29.1. Uit de meerwerkaanbieding van BN is niet af te leiden of de werkzaamheden zijn verricht en zo ja of dit goed is gedaan. De te benoemen deskundige zal moeten beoordelen of van een te herstellen gebrek sprake is en zo ja, wat de bespaarde herstelkosten zijn. Memo BBN Post Sch40 wind en waterdicht diverse issues 8.30. Volgens DLV is het gebouw onvoldoende wind- en waterdicht, zoals blijkt uit de opname van [naam B.V.] , en overigens ook uit de aanvullende eisen van de CAR-verzekeraar. Zij gaat uit van een besparing van € 20.000,-. Zij zal eventuele hogere schade als deze komt vast te staan alsnog vorderen uit hoofde van schending van de zorgplicht van BN als retentor.BN stelt dat de kosten voor wind- en waterdicht maken geen bespaarde kosten van herstel zijn. 8.30.1. De mate waarin een gebouw in aanbouw wind- en waterdicht behoort te zijn hangt af van de stand van de bouw. Van bespaarde kosten van herstel kan alleen sprake zijn als gezien de mate waarin het werk gevorderd was een verdere mate van afdichting tegen water en wind mocht worden verwacht dan is gerealiseerd. De deskundige zal moeten beoordelen, voor zover mogelijk, of het gebouw op 17 februari 2023 gezien de stand van het werk op dat moment voldoende wind- en waterdicht was en zo niet, welke kosten dan zijn bespaard. Memo BBN Post Sch43 technische installaties 8.31. Dit gaat om sprinklerkoppen/-leidingen die conflicteren met kozijnen en wanden. Gevolg hiervan is dat aanpassing noodzakelijk is. DLV verwijst naar de memo van BBN (productie G-137). Daar is vermeld: “1. De sprinklerkoppen / - leidingen komen nog al eens in conflict met kozijnen wanden. Het probleem is bekend bij Homij maar een oplossing is bij CBB niet bekend.” BN acht niet aangetoond dat dit een gebrek is en dat dit haar kan worden toegerekend. 8.31.1. Homij is als nevenaannemer ingeschakeld voor de technische installaties en gezien de aangehaalde toelichting lijkt de sprinklerinstallatie daar ook toe te behoren. De rechtbank acht onvoldoende toegelicht waarom BN verantwoordelijk zou zijn voor herstel van dit gebrek. Er zal vanuit worden gegaan dat hier geen sprake is van bespaarde herstelkosten. Memo BBN Post Sch44 diverse kwaliteit‐/schade issues Snagstreamopnames 8.32. Snagstream is een applicatie waarin gebreken in een bouwproject kunnen worden gemeld. Deze post gaat over daarmee gemelde diverse gebreken die niet in een van de andere categorieën valle Na de beoordeling door de deskundige zal worden bepaald welk bedrag aan bespaarde kosten daarbij komt. 9 Bespaarde onderhouds- en garantieaanspraken 9.1. Partijen zijn het erover eens dat BN als gevolg van de beëindiging van het werk in onvoltooide staat niet kan worden aangesproken op onderhouds- en garantieverplichtingen die zij zou hebben als het tot oplevering was gekomen. Zij bespaart dus de kosten die zij anders zou moeten maken uit hoofde van die verplichtingen. Omdat dit kosten zijn van in de toekomst blijkende gebreken kan de besparing niet nauwkeurig worden vastgesteld en moet zij worden geschat. BN stelt dat uit de bij de aannemingsovereenkomst behorende inschrijfbegrotingen voor de indirecte kosten (bijlage 3 en bijlage 8 bij de aannemingsovereenkomst) volgt dat zij € 175.478,- heeft begroot voor onderhoudskosten. Dit zijn volgens haar dus ook de bespaarde kosten. DLV erkent deze besparing en de omvang daarvan, maar stel dat daaronder niet vallen de bespaarde kosten als gevolg van het komen te vervallen van garantieverplichtingen. Voor de waardering daarvan beroept DLV zich op een uitspraak waarin een percentage van 1,5% voor garantieaanspraken redelijk is geacht (RvA 15 juli 2009, 28.888). 9.1.1. Het door BN begrote bedrag betreft onderhoudskosten. Daarbij is kennelijk gedoeld op de kosten die worden gemaakt om gebreken die gedurende de onderhoudstermijn aan de dag treden te herstellen (§ 11 UAV 2012). Hiervan te onderscheiden zijn garanties, die voor een langere periode dan de onderhoudstermijn worden afgegeven en die geregeld zijn in § 22 UAV 2012. BN neemt deze verplichtingen dus ten onrechte samen. 9.1.2. DLV zal moeten toelichten op welke garantieverplichtingen zij het oog heeft; het is niet mogelijk los van de concreet gemaakte afspraken over garantie te bepalen wat wordt bespaard als deze garantieverplichtingen vervallen. De genoemde uitspraak is onvoldoende basis om aan te nemen dat in alle gevallen garanties op 1,5% van de aanneemsom kunnen worden gewaardeerd omdat van werk tot werk kan verschillen of garanties zijn verstrekt en zo ja wat de inhoud daarvan is. 9.1.3. Nadat DLV heeft opgegeven welke garanties BN heeft verstrekt (onderbouwd met bewijsstukken) en BN daarop heeft kunnen reageren (en de rechtbank zo nodig daarover nader heeft beslist) zal de deskundige, gezien de in het bestek opgenomen garanties, moeten waarderen welke besparing het niet nakomen van de garanties oplevert. 10 Opslagen 10.1. BN stelt dat uit § 14 lid 10 UAV 2012 volgt dat de nakoming van de betalingsverplichting van DLV in stand blijft. BN behoudt aldus haar recht op betaling van de aanneemsom, recht op betaling van het overeengekomen meer-/minderwerk en recht op de afrekening van de stelposten. BN leidt hieruit af dat zij ook haar recht op betaling van de opslagen voor algemene kosten, winst en risico behoudt. Zij verwijst naar vier vindplaatsen in de literatuur. 10.1.1. DLV stelt dat BN ten onrechte voor het niet uitgevoerde deel van het werk wel de opslagen voor algemene kosten (6%), winst en risico (3%), een opslag voor indexatie/prijs vast einde werk (2%) en de CAR-verzekering (0,36%) in rekening breng, omdat zij verzuimt deze opslagen als besparing in mindering te brengen op de eindafrekening. Volgens DLV heeft BN uitsluitend aanspraak op deze opslagen over het niet uitgevoerde deel van het werk voor zover hiervoor geen dekking kan worden gevonden in vervangende opdrachten. Anders zou BN van de beëindiging beter worden en dat is niet de bedoeling. DLV wijst op de volgende uitspraken:- hof Arnhem Leeuwarden 23 april 2013 ECLl:NL:GHARL:2013:B28540: r.o. 7.3 en- RvA 21 oktober 2021, 36.739, r.o. 42. 10.1.2. Gelet op § 14 UAV 2012 lid 10 (dat in 2.3 al is geciteerd) gaat het om de vraag of de in de aanneemsom opgenomen opslagen gelden als bespaarde kosten. Dit zal afhangen van de aard van de opslag. Daarbij zijn partijen het erover eens dat bij de beëindiging van het werk in onvoltooide staat de aannemer niet in een betere of Het voorgaande samenvattende komt de rechtbank met toepassing van § 14, tiende lid, UAV 2012 tot de volgende voorlopige berekening van de eindafrekening. Bij/af rechtsoverweging Aanneemsom € 71.150.000,- 2.4 bij Overeengekomen meer- en minderwerk € 9.888.620,- 3.6 bij Lopend meer- en minderwerk € 321.580,- 4.19 bij Kosten als gevolg van de niet voltooiing € 3.710.395,48 5.23 Totaal bij aanneemsom € 13.920.595,48 af Bespaarde directe kosten € 11.312.008,- 6.2.1 af Bespaarde indirecte kosten € 1.871.572,- 6.6 af Bespaarde kosten meer- en minderwerk € 2.072.783,- 7.26 af Bespaarde herstelkosten € 398.331,- + nog nader te bepalen 8.36 af Bespaarde onderhouds- en garantieafspraken nog nader te bepalen 9.1.3 af Besparing op CAR-verzekering nog nader te bepalen 10.2.1 Totaal aan besparingen € 15.654.694,- af Reeds betaald € 51.344.182,- 2.4 Resteert op dit moment als eindafrekening € 18.071.719,48 Deskundige 11.2. Zoals hiervoor overwogen, acht de rechtbank het in het kader van de eindafrekening nodig een deskundigenbericht in te winnen over de volgende onderwerpen. Onderwerp/vraagstelling rechtsoverweging bewijslast rust op 1 Herstel vloeren 4.17.3 BN 2 Waterschade 8.3.1 - 8.3.2 DLV (r.o. 8.1) 3 Plafondplaten 8.4.1 DLV 4 Gibowanden 8.8 DLV 5 Dekvloer 8.9.1 DLV 6 Lekkages 8.12.1 DLV 7 MS wanden 8.14.1 DLV 8 Balkonankers 8.15.3 DLV 9 Coating stalen frames 8.17.1 DLV 10 Dilatatie vloer 8.20 DLV 11 Kleurverschillen Keramiek 8.22.1 DLV 12 Vlakheid wanden gangen 8.26 DLV 13 Herstelwerkzaamheden hotelkamers 8.27.1 DLV 14 Stucwerk gangen hotel 8.28.1 DLV 15 Dilataties wanden algemene ruimte 8.29.1 DLV 16 Wind- en waterdichtheid gebouw 8.30.1 DLV 17 Vervangen isolatie gevel 8.33.1 DLV 18 Scheurvorming 1e verdieping 8.35.1 DLV 19 Bespaarde garantieaanspraken 9.1.3 DLV 11.3. Voordat daartoe wordt overgegaan, zal de rechtbank partijen in de gelegenheid stellen zich uit te laten over de in de genoemde rechtsoverwegingen geformuleerde vraagstelling c.q. opdracht aan de deskundige. De rechtbank gaat in alle gevallen uit van een bouwkundige als deskundige, die zo nodig zelf op een specifiek terrein een deskundige kan raadplegen. Ook zal de deskundige zich kunnen laten bijstaan door andere hulppersonen die onder zijn verantwoordelijkheid werken. 11.4. Partijen kunnen in gezamenlijk overleg een of meer deskundigen voordragen. Als partijen het over de persoon van de deskundige niet eens worden zal de rechtbank zelf een deskundige kiezen. De rechtbank zal de zaak hiertoe naar de rol verwijzen. 11.5. De rechtbank ziet in de bewijslastverdeling aanleiding om te bepalen dat het voorschot op de kosten van de deskundige(n) door de gedaagde partij moet worden gedeponeerd. Dit voorschot zal daarom door DLV moeten worden betaald. Akte door partijen 11.6. Daarnaast dient door BN, dan wel DLV, in verband met de eindafrekening een akte te worden genomen over de volgende onderwerpen. Onderwerp Rechtsoverweging Handeling vereist door 1 Bouwmateriaal bij Kingspan 5.18 BN 2 Bouwmateriaal bij Senta 5.19 BN 3 Kozijnen en wijzigen kernkleur keramiek 7.8.3 BN 4 Aanpassen wand trappenhuizen 7.9.1 BN 5 Gebruik Schindler-liften 7.17.2 DLV 6 Vervangen isolatie gevel 8.33.1 DLV 7 Bespaarde garantieaanspraken 9.1.3 DLV 8 CAR-verzekering 7.6 + 10.2.1 BN (op grond van artikel 22 Rv) 11.7. Na ontvangst van de akte zal de wederpartij in de gelegenheid worden gesteld daarop bij akte te reageren 11.8. Verder wordt in afwachting van het deskundigenbericht over de vertraging de beslissing aangehouden over het onderwerp bouwwarmte (zie 4.18.3 + 7.19). 12 In het door BN ingediende incident 12.1. Tijdens de op 29 februari 2024 gehouden mondelinge behandeling heeft BN om proceseconomische redenen haar eerder ingestelde incidentele vordering ex artikel 223 Rv ingetrokken, onder de voorwaarde dat de rechtbank in dit tussenvonnis in de hoofdzaak een beslissing geeft op de vorderingen van BN in conventie tot betaling door DLV van de eindafrekening en tot teruggave door DLV van de Dit brengt tevens mee dat DLV op 7 september 2022 ten onrechte derdenbeslag ten laste van BN heeft gelegd en dat de in verband daarmee door BN aan DLV verstrekte bankgarantie van € 26.681.600,- aan BN dient te worden geretourneerd, aldus BN. 12.7. Het verweer van DLV komt erop neer dat zij stelt dat de rechtbank in het tussenvonnis van 17 mei 2023 nog geen oordeel heeft gegeven over de aansprakelijkheid van BN uit hoofde van schending van de coördinatieverplichting en de schade die daarvan het gevolg is. De hoogte van die schade is niet gemaximeerd en het beslag is mede voor die vordering gelegd. Daarnaast stelt DLV dat zij op grond van artikel 5 van de bankgarantie gerechtigd is verlenging van de bankgarantie te verlangen zolang er een procedure tussen BN en DLV aanhangig is. Indien de vordering van DLV wordt afgewezen en zij daartegen hoger beroep instelt, is zij dus gerechtigd verlenging van de bankgarantie te verlangen hetgeen verhindert dat zij wordt veroordeeld de bankgarantie te retourneren, aldus DLV. 12.8. In het tussenvonnis van 17 mei 2023 is in de hoofdzaak reeds geoordeeld dat de door DLV genoemde omstandigheid dat haar gestelde schade veel hoger is dan het bedrag van € 1 miljoen, namelijk minimaal € 23.956.000,-, er niet toe leidt dat het in artikel 12 van de Aannemingsovereenkomst door partijen overeengekomen maximum voor schade vanwege overschrijding van de oplevertermijn moet worden doorbroken. In het tussenvonnis van 17 mei 2023 is weliswaar geen beslissing gegeven over de vraag of BN haar coördinatieverplichting heeft geschonden, maar anders dan door DLV aangevoerd brengt een beslissing op die vraag niet met zich dat het in artikel 12 van de Aannemingsovereenkomst overeengekomen maximum hier niet geldt. Van belang daarvoor is dat door DLV is betoogd dat de gestelde schending van de coördinatieverplichting door BN tot vertraging in de oplevering heeft geleid en dat BN daarom geen recht heeft op bouwtijdverlenging. Het niet nakomen van de coördinatieverplichting heeft volgens DLV dus tot vertraging in de oplevering geleid. Dit blijkt ook uit de door DLV overgelegde berekening van het schadebedrag van € 23.956.000,-, waarin alleen schadeposten als gevolg van de vertraging van de oplevering zijn opgenomen. Die schade valt daarmee als schade vanwege de overschrijding van de oplevertermijn onder het bereik van artikel 12 van de Aannemingsovereenkomst. 12.9. Hieruit volgt dat zelfs als in de hoofdzaak geoordeeld wordt dat BN haar coördinatieverplichting heeft geschonden, die omstandigheid er niet toe leidt dat het voormelde overeengekomen maximumbedrag van € 1 miljoen wordt doorbroken. Het gaat immers om vertragingsschade. Nu daarnaast niet is betwist dat DLV die € 1 miljoen reeds heeft verrekend met reguliere betalingstermijnen, ontbrak daarmee voor DLV een grondslag voor het trekken van de bankgarantie van € 3.625.000,- alsmede voor het aanhouden van de bankgarantie met nummer [rekeningnummer] . De vorderingen tot terugbetaling van het bankgarantiebedrag van € 3.625.000,-, alsmede tot teruggave van de bankgaranties met nummer [rekeningnummer] zijn daarmee toewijsbaar. Een termijn van een week om de bankgarantie met nummer [rekeningnummer] aan BN terug te geven komt daarbij redelijke voor. Tevens zal de in dit verband gevorderde dwangsom worden toegewezen. Deze zal wel worden gemachtigd en gemaximeerd. Proceskosten in het incident 12.10. Nu partijen ieder op een onderdeel als de in het (on)gelijk gestelde partij zijn te beschouwen, wordt daarin aanleiding gezien om de proceskosten in dit incident te compenseren, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt. 13 De beslissing De rechtbank In de hoofdzaak in conventie 13.1. bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 3 juli 2024 voor het nemen van een akte door beide partijen waarin zij zich uitlaten over de aangekondigde deskundigenrapportage, 13.2. bepaalt dat de zaak tevens op de rol van 3 juli 2024 zal komen voor het nemen van een akte door BN en DLV,