Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2024-01-24
ECLI:NL:RBAMS:2024:8934
Civiel recht
Kort geding
3,906 tokens
Inleiding
RECHTBANK AMSTERDAM
Afdeling privaatrecht
zaaknummer: 10830079 KK EXPL 23-754
vonnis van: 24 januari 2024
vonnis van de kantonrechterkort geding
I n z a k e
[eiseres]
wonende te [woonplaats]
eiseres
nader te noemen: [eiseres]
gemachtigde: mr. M.F. Hilberdink
t e g e n
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
HOAD Holding B.V.
gevestigd te Amsterdam
gedaagde
nader te noemen: Hoad
gemachtigde: mr. E.K.W. van Kampen
Procesverloop
Bij dagvaarding van 12 december 2023, met producties, heeft [eiseres] een voorziening gevorderd.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 17 januari 2024. [eiseres] is in persoon verschenen met haar gemachtigde. Namens Hoad is haar directeur, de heer [naam directeur] , verschenen met de gemachtigde. [eiseres] heeft op voorhand stukken in het geding gebracht. Partijen hebben ter zitting hun standpunten, onder meer aan de hand van spreekaantekeningen, toegelicht. Na verder debat is vonnis gevraagd en is een datum voor vonnis bepaald.
GRONDEN VAN DE BESLISSING
Uitgangspunten
1. Als uitgangspunt geldt het volgende.
1.1.
[eiseres] , geboren op [geboortedatum] , werkt sinds 6 december 1993 bij Hoad op basis van een mondelinge arbeidsovereenkomst. Haar salaris bedraagt sinds 2004 € 6.540,67 bruto per maand exclusief vakantietoeslag en overige emolumenten. Het salaris is sinds 2004 niet geïndexeerd.
1.2.
Er is geen functieomschrijving. [eiseres] is werkzaam als secretaresse van [naam directeur] . Daarnaast is zij verantwoordelijk voor personeelszaken en doet zij andere uitvoerende werkzaamheden.
1.3.
Tussen [eiseres] en Hoad bestaat een geschil over een beweerdelijk belang van [eiseres] in Hoad van 25% van de (certificaten van) aandelen.
1.4.
Onder meer als gevolg daarvan heeft de (toenmalig) gemachtigde van Hoad [eiseres] bij brief van 28 juni 2023 te kennen gegeven dat [naam directeur] geen vertrouwen meer heeft in de voorzetting van een vruchtbare samenwerking met [eiseres] en [eiseres] namens Hoad per 28 juni 2023 vrijgesteld van haar verplichting tot het verrichten van werkzaamheden met behoud van salaris. Sinds dat moment heeft Hoad [eiseres] 80% van € 6.540,67 per maand aan salaris betaald.
1.5.
Op 29 juni 2023 heeft [eiseres] [naam directeur] bericht dat zij zich, kort gezegd, als gevolg van zijn gedrag onveilig voelt op de werkvloer. [eiseres] heeft daarbij tevens meegedeeld dat zij het niet eens was met de brief van de gemachtigde van Hoad van 28 juni 2023 en meegedeeld dat zij zich beschikbaar hield voor werk.
1.6.
Op 4 juli 2023 heeft [eiseres] aanspraak gemaakt op betaling van € 6.540,67 aan maandelijks salaris.
1.7.
In september 2023 is tussen partijen een mediation traject gestart dat op 21 november 2023 zonder succes is geëindigd.
1.8.
Op 21 november 2023 heeft Hoad [eiseres] opgeroepen haar werkzaamheden te hervatten.
1.9.
[eiseres] heeft Hoad op 22 november 2023 onder meer als volgt bericht:
“(…) In mijn mail aan jou van 29 juni 2023 heb ik aangegeven dat, en waarom, er een onwerkbare situatie is ontstaan. Ik heb mij beschikbaar gehouden voor mijn werk, voor zover uitvoerbaar met inachtneming van zowel mijn eigen veiligheid als mijn mentale gezondheid. Dit na de brief van jouw advocaat waarin ik ben vrijgesteld van werkzaamheden met behoud van salaris. (…). In onze mediation zijn we helaas niet verder gekomen wat de noodzakelijke voorwaarden betreft om te komen tot afspraken over de bejegening over en weer en een ook voor mij veilige arbeidsverhoudingen zoals beschreven in mijn mail van 29 juni 2023. Omdat het voor mij onmogelijk is om in de geschetste condities mijn arbeidsprestatie te verrichten meld ik mij bij deze ziek. Ik wijs je daarbij op de staande praktijk bij Hoad Holding om zieke werknemers (bij een arbeidsgeschil) 100% van het salaris door te betalen en maak daar ook in mijn geval aanspraak op. Het heeft mijn voorkeur om in mediation alsnog tot afspraken te komen over een werkbare situatie op de werkvloer. Mij op deze manier oproepen om de werkzaamheden te komen verrichten biedt die oplossing volgens mij niet. (…).”
1.10.
HOAD heeft [eiseres] dezelfde dag bericht dat zij de salarisbetaling zou staken als zij niet zou komen werken.
1.11.
Daarop heeft [eiseres] Hoad verzocht om de bedrijfsarts in te schakelen.
1.12.
Hoad heeft de salarisbetaling aan [eiseres] gestaakt.
1.13.
[eiseres] heeft op 6 december 2022 een deskundigenoordeel van het UWV aangevraagd.
1.14.
[eiseres] is op 20 december 2022 op het spreekuur van de bedrijfsarts geweest. De bedrijfsarts heeft aan haar het volgende teruggekoppeld:
“Mevrouw [eiseres] is arbeidsongeschikt geraakt als gevolg van medische beperkingen. Medische interventie is gaande. Er is nog geen herstel. Medische beperkingen worden veroorzaakt door verstoorde arbeidsverhouding, ik begrijp dat mediation al is ingezet.
Adviezen (onder andere werkhervatting)
Betrokkene is niet belastbaar voor werk, herstel zal tijd nodig hebben. Ik adviseer duidelijkheid te creëren rondom het conflict.”
Vordering en verweer
2. [eiseres] vordert bij wijze van voorziening dat Hoad bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, veroordeeld zal worden tot betaling van:
het overeengekomen salaris van € 6.540,67 bruto per maand, vermeerderd met vakantietoeslag, totdat de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig zal zijn geëindigd;
het salaris van € 6.540,67 bruto over de maanden november en december, vermeerderd met de vakantietoeslag, en voorts vermeerderd met de wettelijke rente en de wettelijke verhoging;
het achterstallige salaris over de maanden juni 2023 tot en met oktober 2023 van € 1.303,13 per maand (derhalve in totaal € 6.540,67) vermeerderd met de vakantietoeslag, en voorts vermeerderd met de wettelijke verhoging en de wettelijke rente;
primair: de volledige kosten van rechtsbijstand voor de loonvordering en subsidiair: de buitengerechtelijk incassokosten, de proceskosten en de nakosten.
3. [eiseres] stelt in dat verband dat Hoad vanaf november 2023 gehouden is tot 100% salarisbetaling, primair op grond van artikel 7:628 van het Burgerlijk Wetboek (BW) omdat de oorzaak van het niet verrichten van de werkzaamheden door [eiseres] is gelegen in omstandigheden die voor rekening van Hoad moeten komen. [naam directeur] gebruikt het staken van het salaris om te bewerkstelligen dat [eiseres] haar certificaten in Hoad aan hem overdraagt op de door hem gewenste voorwaarden. Deze handelwijze is in strijd met goed werkgeverschap, dan wel onrechtmatig jegens [eiseres] . Subsidiair dient Hoad 100% van het salaris aan [eiseres] door te betalen vanwege ingevolge bestendig gebruik en gelijke behandeling. [eiseres] stelt verder dat Hoad ten onrechte sinds juni 2023 haar salaris met 20% heeft gekort. [eiseres] is al 25 jaar (en in onderling overleg) 32 uur per week werkzaam tegen betaling van het maandelijks salaris van € 6.540,67 bruto, zodat het standpunt van Hoad dat dit salaris behoort bij een 40-urige werkweek onjuist is.
4. Hoad heeft verweer gevoerd dat bij de beoordeling aan de orde zal komen.
Beoordeling
5. Onbetwist is dat [eiseres] een spoedeisend belang heeft bij de door haar gevraagde voorzieningen die bestaan uit (door)betaling van salaris.
6. In dit kort geding dient te worden beoordeeld of de in deze zaak aannemelijk te achten omstandigheden een ordemaatregel vereisen dan wel of de vordering van [eiseres] in een bodemprocedure een zodanige kans van slagen heeft dat het gerechtvaardigd is op de toewijzing daarvan vooruit te lopen door het treffen van een voorziening zoals gevorderd. Het navolgende behelst dan ook niet meer dan een voorlopig oordeel over het geschil tussen partijen.
Salaris juni 2023 tot en met oktober 2023 (2iii)
7. Tussen partijen is niet in geschil dat [eiseres] al 25 jaar 32 uur per week bij Hoad werkt en daarvoor al 25 jaar een maandsalaris van € 6.540,67 ontvangt. Op basis daarvan wordt er naar voorlopig oordeel van uitgegaan dat partijen dat in onderling overleg zijn overeengekomen en valt niet in te zien dat het door Hoad aan [eiseres] maandelijks betaalde salaris behoort bij een 40-urige werkweek welk standpunt Hoad pas recentelijk heeft ingenomen. De vordering tot betaling van het achterstallig salaris over de maanden juni 2023 tot en met oktober 2023 van in totaal (onbetwist) € 6.540,67 is dan ook toewijsbaar.
Salaris betaling november 2023 tot rechtsgeldig einde arbeidsovereenkomst (2i en 2ii)
8. De kantonrechter heeft geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van de weergave van de bevindingen van de bedrijfsarts van het spreekuur van 20 december 2023 door de gemachtigde van [eiseres] (zie 1.14). Op basis daarvan is voorshands voldoende aannemelijk dat [eiseres] haar werkzaamheden sinds november 2023 niet heeft verricht als gevolg van arbeidsongeschiktheid. Aan hetgeen Hoad tijdens de mondelinge behandeling heeft aangevoerd over situatieve arbeidsongeschiktheid wordt daarom voorbij gegaan.
9. Op grond van artikel 7:629 BW heeft [eiseres] in geval van arbeidsongeschiktheid gedurende twee jaar recht op doorbetaling van loon. [eiseres] heeft gesteld dat zij er op mag vertrouwen dat 100% van haar salaris wordt doorbetaald, omdat dit ook bij andere werknemers is gebeurd en zij ook in het verleden bij kortdurende ziekte 100% van haar salaris kreeg doorbetaald. Hoad heeft dit weliswaar betwist – en tijdens de mondelinge behandeling aangevoerd dat er ook werknemers zijn geweest die 70% van hun salaris krijgen doorbetaald – maar die betwisting heeft zij niet onderbouwd. Dat had wel op haar weg gelegen, nu [eiseres] drie concrete voorbeelden heeft genoemd van mensen aan wie 100% van het salaris tijdens ziekte is doorbetaald en Hoad aan de hand van haar salarisadministratie – waartoe [eiseres] , naar onweersproken is gebleven, geen toegang meer heeft – het tegendeel eenvoudig had kunnen aantonen. Bij gebreke daarvan wordt voorlopig uitgegaan van de juistheid van het standpunt van [eiseres] en geoordeeld dat Hoad tijdens arbeidsongeschiktheid van [eiseres] 100% van het salaris verschuldigd is. Het ontbreken van een deskundigenverklaring als bedoeld in artikel 7:629a BW kan [eiseres] in het kader van dit kort geding niet worden tegengeworpen, in het bijzonder nu zij al op 6 december 2023 een verzoek tot het afgeven daarvan bij het UWV heeft ingediend. Het voorgaande betekent dat de vorderingen tot betaling van het salaris vanaf november 2023 toewijsbaar zijn. Hetgeen [eiseres] overigens aan haar vordering tot salarisbetaling ten grondslag heeft gelegd, leidt niet tot een ander oordeel zodat dit niet verder hoeft te worden besproken.
Vakantietoeslag
10. [eiseres] heeft niet gesteld dat de gevorderde vakantietoeslag reeds opeisbaar is. Dit gedeelte van de vordering zal dan ook worden afgewezen.
Wettelijke verhoging en wettelijke rente
11. De handelwijze van Hoad rechtvaardigt toewijzing van de wettelijke verhoging over het achterstallige salaris over de periode juni 2023 tot en met december 2023 zoals gevorderd. [eiseres] heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat zij ook bij dat deel van haar vordering spoedeisend belang heeft, nu de wettelijke verhoging op grond van de wet verschuldigd is en zij door het achterwege blijven van tijdige salarisbetaling kosten heeft moeten maken. De wettelijke verhoging zal gelet op de omstandigheden van het geval worden beperkt tot 25%.
12. De wettelijke rente over het achterstallig salaris en de wettelijke verhoging is toewijsbaar vanaf de dag dat die bedragen opeisbaar zijn.
Proceskosten en buitengerechtelijke incassokosten
13. Hoad krijgt ongelijk en moet daarom de proceskosten betalen. Het verzoek van [eiseres] om Hoad te veroordelen om de werkelijke proceskosten te betalen, wordt afgewezen. Naar voorlopig oordeel is onvoldoende gebleken dat Hoad haar verweer heeft gebaseerd op feiten en omstandigheden waarvan zij wist of behoorde te weten dat die onjuist waren of op stellingen waarvan zij op voorhand moest begrijpen dat deze geen kans van slagen hadden. In dit verband speelt een rol dat Hoad heeft aangevoerd dat zij zich pas tijdens de mondelinge behandeling voor het eerst geconfronteerd zag met het oordeel van bedrijfsarts (zie 1.14). Gelet op het feit dat een werkelijke proceskostenveroordeling slechts bij uitzondering wordt toegewezen en in kort geding geen plaats is voor nader onderzoek, zal op dit moment van de juistheid van dit standpunt worden uitgegaan.
14. De proceskosten worden aan de zijde van [eiseres] tot op heden begroot op:
- dagvaardingskosten € 135,57
- griffierecht € 706,00
- salaris gemachtigde € 814,00
- nakosten € 68,00
totaal € 1.723,57, voor zover van toepassing inclusief btw.
15. Daarmee wordt toegekomen aan het subsidiaire verzoek tot toewijzing van de buitengerechtelijke incassokosten. [eiseres] heeft voldoende gesteld en onderbouwd dat zij buitengerechtelijke werkzaamheden heeft verricht. [eiseres] , althans haar gemachtigde, heeft meermaals gesommeerd het salaris tijdig te voldoen. De gevorderde incassokosten worden toegewezen tot het wettelijk tarief, waarbij wordt uitgegaan van een hoofdsom van € 16.622,01 (3x € 6540,6). Dit betekent dat Hoad een bedrag van € 1.175,18 (inclusief) aan incassokosten moet betalen.
Dictum
De kantonrechter:
veroordeelt Hoad tot betaling aan [eiseres] van:
a. het achterstallig salaris over de maanden juni 2023 tot en met december 2023 ten bedrage van (in totaal) € 19.622,01;
b. 25% wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW over het onder I.a. toegewezen loon;
c. de wettelijke rente over de onder I.a. en I.b. toegewezen bedragen vanaf de opeisbaarheid tot de betaling;
het bruto maandloon van € 6.540,67 vanaf januari 2024 totdat een rechtsgeldig einde komt aan de arbeidsovereenkomst;
de buitengerechtelijke incassokosten van € 1.175,18;
de proceskosten van [eiseres] , tot op heden vastgesteld op € 1.723,57 (voor zover van toepassing inclusief btw), te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als Hoad niet tijdig aan de veroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet zij ook de kosten van betekening betalen;
verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;
wijst af het meer of anders gevorderde.
Aldus gewezen door B. Brokkaar, kantonrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 24 januari 2024 in tegenwoordigheid van de griffier.