Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2024-08-13
ECLI:NL:RBAMS:2024:8860
Strafrecht; Materieel strafrecht
Eerste en enige aanleg
2,759 tokens
Inleiding
vonnis
RECHTBANK AMSTERDAM
Afdeling Publiekrecht
Teams Strafrecht
Parketnummer: 13/845121-18 (ontneming)
Datum uitspraak: 13 augustus 2024
Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[veroordeelde]
(hierna: [veroordeelde] )
,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedag] 1964,
wonende op het adres [woonadres] .
1Het onderzoek ter terechtzitting
De rechtbank heeft beraadslaagd naar aanleiding van de vordering van de officier van justitie en het onderzoek op de terechtzitting van 2 juli 2024.
Voorafgaand aan de zitting heeft een schriftelijke conclusiewisseling plaatsgevonden. De rechtbank heeft in dat kader de volgende conclusies ontvangen:
een conclusie van antwoord, gedateerd 1 december 2023;
een conclusie van repliek, gedateerd 25 januari 2024;
een conclusie van dupliek, gedateerd 27 februari 2024.
2De vordering
De vordering van de officier van justitie van 23 januari 2023 strekt tot het vaststellen van het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht wordt geschat en het aan [veroordeelde] opleggen van de verplichting tot betaling aan de Staat van dat geschatte voordeel tot een maximumbedrag van € 461.441,86.
De vordering is door de officier van justitie bij Conclusie van Repliek naar beneden bijgesteld tot een bedrag van € 446.224,-.
Gezien de stukken waarop de vordering berust en waarnaar deze vordering verwijst, verstaat de rechtbank de vordering aldus dat deze betreft de feiten waarvoor [veroordeelde] in de onderliggende strafzaak is veroordeeld.
3Grondslag van de vordering
[veroordeelde] is bij vonnis van de rechtbank Amsterdam van 6 december 2021 veroordeeld voor feitelijk leiding geven aan het medeplegen van valsheid in geschrift door een rechtspersoon, medeplegen van opzettelijk gebruik maken van een vals geschrift door een rechtspersoon en deelneming aan een criminele organisatie. Er is geen beroep aangetekend, het vonnis is daarmee onherroepelijk.
4Het wederrechtelijk verkregen voordeel
4.1.
Het standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie vindt dat [veroordeelde] in totaal € 446.224,- aan wederrechtelijk verkregen voordeel heeft genoten, waarvan € 417.888,11 bestaat uit salaris en bonussen en € 28.335,89 bestaat uit vervolgprofijt.
4.2.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de vordering moet worden afgewezen, omdat er geen causaal verband is tussen de strafbare feiten en het salaris en de bonussen van [veroordeelde] . Subsidiair heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat de vordering moet worden gematigd, omdat deze op onderdelen onjuist en onvolledig is.
4.3.
Beoordeling
4.3.1.
Het causale verband
[bedrijf 1] B.V. (hierna: [bedrijf 1]) heeft in de periode 2015 tot en met 2019 nietduurzame biodiesel ingekocht. Vervolgens heeft [bedrijf 1] deze nietduurzame biodiesel verkocht als duurzame biodiesel. [bedrijf 1] ontving in de bovengenoemde periode een bedrag van in totaal € 110.000.000,- op haar rekening voor 192 leveringen omgekatte biodiesel. Gemiddeld was in de genoemde periode 41,3% van de omzet van [bedrijf 1] afkomstig uit fraude. De rechtbank heeft in het hiervoor genoemde vonnis vastgesteld dat [veroordeelde] wetenschap heeft gehad van de strafbare feiten en dat hij geen maatregelen heeft genomen om de verboden gedragingen te voorkomen, terwijl hij daartoe als CFO wel gehouden was.
[veroordeelde] heeft salaris en bonussen ontvangen van [bedrijf 1] en daarmee uit gelden die van misdrijf afkomstig zijn. [veroordeelde] wist dat [bedrijf 1] omzet genereerde vanuit criminele activiteiten en heeft daaraan bijgedragen door voor [bedrijf 1] werkzaamheden uit te voeren. [bedrijf 1] heeft mede door de door haar verrichte criminele activiteiten relatief grote winsten kunnen behalen. [veroordeelde] heeft uit deze winsten salaris ontvangen en flinke bonussen uitbetaald gekregen.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat sprake is van een causaal verband tussen de door [bedrijf 1] aan [veroordeelde] uitbetaalde salarissen en bonussen en de door de rechtbank bewezenverklaarde strafbare feiten.
4.3.2.
De ‘ [bedrijf 2] -bonus’ en het vervolgprofijt
In de ontnemingsrapportage is een bedrag van € 729.440,20 meegenomen in de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel vanwege het door [veroordeelde] (gezamenlijk met [naam] ) verkrijgen van een horecapand in [plaats] .
[veroordeelde] heeft over dit bedrag verklaard dat dit een bonus betrof die betrekking had op het aan- en verkopen van onroerend goed van [bedrijf 2] B.V. (hierna: [bedrijf 2] ). Ook [naam] heeft verklaard dat hij [veroordeelde] wilde belonen voor het financieel goede resultaat van de [transactie] .
De rechtbank is van oordeel dat op grond van het dossier en het behandelde ter terechtzitting niet is komen vast te staan dat de werkzaamheden die [veroordeelde] heeft verricht om de bonus voor de [bedrijf 2] -transactie te ontvangen, dienstig zijn geweest aan de bewezenverklaarde strafbare feiten. Verdachte heeft een aannemelijke verklaring gegeven betreffende de grondslag van de door [veroordeelde] ontvangen ‘ [bonus] ’. De rechtbank is gelet hierop van oordeel dat er geen causaal verband is vast te stellen tussen deze uitgekeerde bonus en de bewezenverklaarde strafbare feiten. Nu er geen sprake is van een causaal verband, kan ook het vervolgprofijt ten aanzien van het horecapand niet als wederrechtelijk verkregen voordeel worden aangemerkt.
4.3.3.
Berekening wederrechtelijk verkregen voordeel
De rechtbank is van oordeel dat voor het schatten van het wederrechtelijk verkregen voordeel uitgegaan kan worden van de (herberekende) percentages die zijn opgenomen in de aanvullende ontnemingsrapportage. Deze percentages zijn per jaar bepaald op basis van het aandeel omgekatte biodiesel in de omzet van [bedrijf 1] ten opzichte van de totale omzet van de [bedrijf 3] (groep). Voor 2017 is dit percentage berekend op 30,11 en voor 2018 (op basis van de in het openbaar faillissementsverslag d.d. 17 april 2023 opgenomen geconsolideerde omzet van [bedrijf 3] (groep) over 2018) op 29,93. Vanwege het ontbreken van geconsolideerde cijfers over 2019 is voor dat jaar eveneens uitgegaan van een percentage van 29,93. De rechtbank vindt zowel de gehanteerde berekeningsmethodiek als de berekende percentages over de jaren 2017 en 2018 alleszins aanvaardbaar. Ditzelfde geldt voor het jaar 2019, nu over dat jaar geen geconsolideerde cijfers beschikbaar zijn. Wat de verdediging tegen de methodiek en de uitkomsten heeft ingebracht, is voor de rechtbank geen aanleiding om tot een andere schatting te komen.
Gelet op het voorgaande komt de rechtbank tot de volgende berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel (hierna: WVV):
Jaar
Jaarinkomen
Percentage
Berekend WVV
2017
€ 295.562,49
30,11 %
€ 88.993,87
2018
€ 297.720,-
29,93 %
€ 89.107,60
2019
€ 71.718,-
29,93 %
€ 21.465,20
Totaal
€ 199.566,67
5De verplichting tot betaling
De rechtbank bepaalt het te ontnemen bedrag op € 199.566,67.
6Toepasselijke wettelijke voorschriften
De op te leggen maatregel is gegrond op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.
De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Dictum
Stelt vast als wederrechtelijk verkregen voordeel een bedrag van € 199.566,67.
Legt op aan [veroordeelde] de verplichting tot betaling van € 199.566,67 (honderdnegenennegentigduizend vijfhonderdzesenzestig euro en zevenenzestig eurocent) aan de Staat.
Bepaalt de duur van de gijzeling die ten hoogste door de officier van justitie kan worden gevorderd op 1080 dagen.
Dit vonnis is gewezen door
mr. M. Vaandrager, voorzitter,
mrs. C.A.E. Wijnker en R.K. Pijpers, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. K. Buiskool, griffier
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 13 augustus 2024].
Vonnis rechtbank Amsterdam d.d. 6 december 2021.
Rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel d.d. 22 juli 2021.
De verklaring die verdachte ter terechtzitting op 2 juli 2024 heeft afgelegd.
Proces-verbaal getuigenverhoor bij rechter-commissaris van [naam] d.d. 6 november 2020.
Aanvulling Rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel d.d. 15 september 2023.