Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2024-12-18
ECLI:NL:RBAMS:2024:8833
Strafrecht; Materieel strafrecht
Eerste aanleg - meervoudig
3,594 tokens
Inleiding
vonnis
RECHTBANK AMSTERDAM
Afdeling Publiekrecht
Teams Strafrecht
Parketnummer: 13/226028-24
Datum uitspraak: 18 december 2024
Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte]
,
geboren op [geboortedag] 1993 te [geboorteplaats] ,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:
[adres 1] ,
thans gedetineerd in het [detentieadres] .
1Het onderzoek ter terechtzitting
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 18 december 2024. Verdachte was bij de behandeling van zijn strafzaak aanwezig.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. A.S. Heij, en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. P. Scholte, naar voren hebben gebracht.
2Tenlastelegging
Aan verdachte is – kort gezegd – ten laste gelegd dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan:
1.
belediging van politieambtenaren [politieambtenaar 1] en [politieambtenaar 2] op 12 juli 2024 in Amsterdam;
2.
opzettelijk brand stichten op een balkon met gevaar voor goederen, zwaar lichamelijk letsel of de dood op 12 juli 2024 in Amsterdam.
De volledige tenlastelegging is opgenomen in bijlage I die aan die vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.
3Waardering van het bewijs
3.1
Het standpunt van het Openbaar Ministerie
Dat verdachte hetgeen aan hem ten laste is gelegd onder feiten 1 en 2 heeft begaan, kan wettig en overtuigend worden bewezen.
Ten aanzien van feit 2 is er gemeen gevaar voor goederen, levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel te duchten geweest. Door verbalisanten zijn vlammen waargenomen en er was veel rookontwikkeling. In abstracte zin was het voorzienbaar dat zich personen in de nabijheid van de brand bevonden. De brand vond plaats op de vierde verdieping van een wooncomplex en naar algemene ervaringsregels is er een aanmerkelijke kans dat er op dat tijdstip in de avond (rond 20.30 uur) bewoners thuis waren. Daarnaast is concreet vastgesteld dat zich meerdere personen in het wooncomplex bevonden waar de brand is gesticht. Deze personen maakten zich zorgen om hun veiligheid en gezondheid. De brand heeft op de vloer van een balkon plaatsgevonden, wat tevens het dak is van de onderliggende woning. Het balkon was volgens de brandweer niet bestand tegen brand. Bij een brand in een woning of direct daarnaast is er altijd kans op uitbreiding als de brandweer niet optreedt.
3.2
Het standpunt van de verdediging
Ten aanzien van feit 1 refereert de raadsman zich aan het oordeel van de rechtbank.
Verdachte moet worden vrijgesproken voor feit 2 omdat er geen gemeen gevaar voor goederen, levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel te duchten is geweest. Volgens de brandweer is nader onderzoek nodig om een inschatting van het gevaar te kunnen maken. Dit nader onderzoek is niet gedaan en daarom kan gemeen gevaar voor goederen, levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel niet worden aangenomen.
3.3
Beoordeling
De rechtbank acht het onder feit 1 tenlastegelegde bewezen. Meerdere verbalisanten hebben gehoord dat verdachte de beledigende woorden heeft geuit tegen verbalisanten [politieambtenaar 1] en [politieambtenaar 2] . Verdachte heeft op de terechtzitting bekend dat hij “kankernazi’s, kankerslet” en “jullie zijn debielen” heeft gezegd tegen de verbalisanten.
Daarnaast acht de rechtbank bewezen dat verdachte opzettelijk brand heeft gesticht. Daarbij is gemeen gevaar voor goederen te duchten geweest (feit 2). Verdachte heeft op de terechtzitting en in eerdere verhoren verklaard dat hij op zijn balkon kleding in brand heeft gestoken met behulp van papier en spiritus. Verdachte heeft hierbij ook verklaard dat hierdoor geen gevaar is ontstaan. De rechtbank komt tot een ander oordeel. Door met behulp van spiritus kleding in brand te steken op de vloer van zijn balkon, is er gemeen gevaar voor goederen te duchten geweest. Zoals blijkt uit een verklaring van de brandweer kunnen bij elke brand risico’s voor de omgeving ontstaan. Aan de woning van verdachte grenzen andere woningen (met balkons) en daarnaast vormt het balkon van verdachte tevens het dak van de onderliggende woning. Door brandweermedewerkers ter plaatse is verklaard dat het dak waarop de brand is gesticht, niet bestand is tegen brand. Dat het gevaar zich niet daadwerkelijk heeft verwezenlijkt, doet niet af aan het feit dat gemeen gevaar voor goederen te duchten is geweest.
De rechtbank is van oordeel dat het dossier ontoereikend is om de vraag te beantwoorden of door de brand levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel te duchten is geweest. Omdat er geen uitgebreid onderzoek is gedaan naar de brand, heeft de brandweer geen inschatting kunnen maken van de gevaarzetting van de brand door verspreiding van rookgassen en potentiële branduitbreiding. Daarnaast zijn in het dossier geen concrete aanknopingspunten gevonden dat door de brand daadwerkelijk levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel te duchten is geweest. De rechtbank zal verdachte voor dit onderdeel van de tenlastelegging vrijspreken.
4Bewezenverklaring
De rechtbank vindt op grond van de in bijlage II vervatte bewijsmiddelen dat verdachte:
1.
op 12 juli 2024 te Amsterdam opzettelijk ambtenaren, te weten [politieambtenaar 1] , hoofdagent Eenheid Amsterdam en [politieambtenaar 2] , inspecteur Eenheid Amsterdam, gedurende of ter zake van de
rechtmatige uitoefening van hun bediening, in hun tegenwoordigheid, mondeling heeft beledigd, door hen de woorden toe te voegen: "kankernazi's" en "kankerslet" en "jullie zijn debielen";
2.
op 12 juli 2024 te Amsterdam op een balkon, gelegen aan de [adres 1] , opzettelijk brand heeft gesticht door open vuur in aanraking te brengen met papier en spiritus, ten gevolge waarvan kleding is verbrand, terwijl daarvan gemeen gevaar voor voornoemde woning en balkon en aangrenzende woningen en aangrenzende balkons te duchten was.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.
5De strafbaarheid van het feit
De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.
6De strafbaarheid van de verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.
Motivering
7.1
De eis van de officier van justitie
Primair heeft de officier van justitie gevorderd dat verdachte voor de door haar bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden met aftrek van het voorarrest en dat aan verdachte de maatregel strekkende tot gedragsbeïnvloeding en vrijheidsbeperking ex artikel 38z van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) wordt opgelegd. Subsidiair heeft de officier van justitie een vordering gedaan tot plaatsing van verdachte in het Pieter Baan Centrum.
7.2
Het standpunt van de verdediging
Primair heeft de raadsman verzocht om een beperkte straf aan verdachte op te leggen voor feit 1, omdat hij vrijspraak van het onder 2 tenlastegelegde feit heeft bepleit. Subsidiair heeft de raadsman verzocht om, indien de rechtbank tot een bewezenverklaring komt van feit 2, een straf op te leggen die recht doet aan het feit: een beperkte brandstichting.
Oplegging van de maatregel strekkende tot gedragsbeïnvloeding en vrijheidsbeperking ex artikel 38z Sr is volgens de raadsman niet aan de orde, omdat er geen gevaar is veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van personen.
7.3
Beoordeling
De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van de verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken. De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.
Ernst van de feiten
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan opzettelijke brandstichting. Op zijn balkon heeft verdachte kleding in brand gestoken met behulp van spiritus en papier. Het vuur heeft volgens verdachte ongeveer 20 minuten gebrand. Als gevolg van de brand is er gemeen gevaar te duchten geweest voor zijn eigen balkon en woning en voor de woningen en balkons van omwonenden. Daarnaast heeft verdachte door zijn handelen gevoelens van angst en onveiligheid veroorzaakt bij deze omwonenden. Verdachte heeft zich met de brandstichting schuldig gemaakt aan een ernstig misdrijf. Daarnaast heeft verdachte twee politieagenten beledigd.
De persoon van de verdachte
De rechtbank heeft acht geslagen op het uittreksel justitiële documentatie (het strafblad) van verdachte van 21 augustus 2024. Hieruit blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke misdrijven.
Op 17 oktober 2024 is een Pro Justitia-rapportage over verdachte opgesteld. In dit rapport is te lezen dat verdachte niet heeft willen meewerken aan het psychiatrisch en psychologisch onderzoek, met als gevolg dat de onderzoekers geen antwoord hebben kunnen geven op de gestelde onderzoeksvragen. De rechtbank heeft daarnaast kennisgenomen van het reclasseringsrapport van 3 december 2024, waarin de reclassering heeft geadviseerd om bij een bewezenverklaring een straf zonder bijzondere voorwaarden op te leggen. Omdat er geen diagnostiek heeft plaatsgevonden vanwege de niet-meewerkende houding van verdachte, kan de reclassering geen uitspraak doen over de kans op recidive. Ook het opstellen van een interventieadvies is om die reden niet mogelijk voor de reclassering. De reclassering adviseert wel om bij een (deels) onvoorwaardelijke gevangenisstraf de maatregel strekkende tot gedragsbeïnvloeding en vrijheidsbeperking ex artikel 38z Sr op te leggen, zodat gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende voorwaarden toegepast kunnen worden na de gevangenisstraf.
Op de terechtzitting heeft verdachte verklaard dat hij niet op zoek is naar hulp en dat hij geen vertrouwen heeft in hulpinstanties.
De strafoplegging
Gelet op de ernst van de feiten kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. In het bijzonder heeft dit te maken met het gevaar dat kan worden veroorzaakt door brand te stichten op een balkon van een wooncomplex. Bij de bepaling van de duur van de gevangenisstraf heeft de rechtbank gekeken naar straffen die in soortgelijke zaken zijn opgelegd. De rechtbank neemt bij de strafoplegging ook mee dat verdachte nog niet een begin van inzicht heeft getoond in het strafwaardige karakter van zijn handelingen, laat staan dat hij enige vorm van spijt heeft betuigd.
De rechtbank zal aan verdachte geen maatregel strekkende tot gedragsbeïnvloeding en vrijheidsbeperking ex artikel 38z Sr opleggen, omdat er geen gevaar is veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van personen.
Alles afwegende vindt de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van 5 maanden met aftrek van het voorarrest passend en geboden.
8Toepasselijke wetsartikelen
De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 57, 157, 266 en 267 van het Wetboek van Strafrecht.
Dictum
De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.
Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Het bewezenverklaarde levert op:
ten aanzien van feit 1:
eenvoudige belediging, terwijl die belediging wordt aangedaan aan een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, meermalen gepleegd;
ten aanzien van feit 2:
opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is.
Verklaart het bewezene strafbaar.
Verklaart verdachte [verdachte] daarvoor strafbaar.
Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 (vijf) maanden.
Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.
Heft op het bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van heden.
Dit vonnis is gewezen door
mr. M. Vaandrager, voorzitter.
mrs. C.M. Berkhout en J. Thomas, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. L.A.W. Boeve. griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 18 december 2024.
[...]