Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2024-04-11
ECLI:NL:RBAMS:2024:8764
Strafrecht; Internationaal strafrecht
Eerste en enige aanleg
1,751 tokens
Inleiding
RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13-277951-23
Datum uitspraak: 11 april 2024
UITSPRAAK
op de vordering van 14 november 2023 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).
Dit EAB is uitgevaardigd op 1 juni 2023 door the Deputy Republic Prosecutor of the Versailles public prosecutor’s office, Frankrijk (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon] ,
geboren op [geboortedag] 2002 te [geboorteplaats] ,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:
[BRP-adres] ,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.
1Procesgang
Zitting 14 december 2023
De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 14 december 2023, in aanwezigheid van mr. W.H.R. Hogewind, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. M.C.E.A. Kloosterman, advocaat te Laren.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen op grond van artikel 22 eerste en derde lid en met 30 dagen op grond van artikel 22 vijfde lid verlengd.
De rechtbank heeft de zaak voor onbepaalde tijd aangehouden om de officier van justitie in de gelegenheid te stellen meer informatie op te vragen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit ten aanzien van de detentieomstandigheden in de penitentiaire inrichting in Bois d’Arcy in Frankrijk.
ÁG913097762896_È
G913097762896
Zitting 31 januari 2024
De behandeling van het EAB is – met toestemming van partijen – in gewijzigde samenstelling voortgezet op de zitting van 31 januari 2024 in aanwezigheid van mr. W.H.R. Hogewind, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. M.C.E.A. Kloosterman, advocaat te Laren.
Tussenuitspraak 15 februari 2024
Op 15 februari 2024 heeft de rechtbank een tussenuitspraak gewezen. De rechtbank heeft het onderzoek heropend om de officier van justitie in de gelegenheid te stellen om aanvullende vragen voor te leggen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit.
De rechtbank heeft de beslistermijn met 60 dagen verlengd op grond van artikel 22, zesde lid, OLW.
Zitting 11 april 2024
De behandeling van het EAB is – met toestemming van partijen – in gewijzigde samenstelling voortgezet op de zitting van 11 april 2024 in aanwezigheid van mr. W.H.R. Hogewind, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. M.C.E.A. Kloosterman, advocaat te Laren.
De rechtbank stelt vast dat bij de tussenuitspraak van 15 februari 2024 abusievelijk de beslistermijn is verlengd met 60 dagen. De beslistermijn had op grond van artikel 22, vijfde lid, OLW met 30 dagen moeten worden verlengd. De rechtbank stelt vast dat de beslistermijn inmiddels verstreken is, zodat geen grond voor overleveringsdetentie meer bestaat.
2Identiteit van de opgeëiste persoon
Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Nederlandse nationaliteit heeft.
3De tussenuitspraak van 15 februari 2024
De rechtbank verwijst naar haar tussenuitspraak van 15 februari 2024. Hierin heeft de rechtbank de grondslag en inhoud van het EAB, de strafbaarheid van de feiten en de terugkeergarantie al beoordeeld. Deze overwegingen dienen hier als herhaald en ingelast te worden beschouwd.
4Artikel 11 OLW: detentieomstandigheden
De rechtbank verwijst in dit kader allereerst naar haar overwegingen onder punt 6 van de tussenuitspraak van 15 februari 2024, waarin de rechtbank een algemeen reëel gevaar van een onmenselijke en vernederende behandeling in de Penitentiaire Inrichting in Bois d’Arcy heeft vastgesteld. Ook deze overwegingen dienen hier als herhaald en ingelast te worden beschouwd.
Het onderzoek is heropend om de officier van justitie in de gelegenheid te stellen om aanvullende vragen te stellen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit, waaronder de vraag of kan worden gegarandeerd dat de opgeëiste persoon (die hoogstwaarschijnlijk in Bois d’Arcy zal worden gedetineerd) ten minste 3 vierkante meter aan individuele ruimte tot zijn beschikking krijgt.
Uit de e-mail van 28 februari 2024 van de uitvaardigende justitiële autoriteit blijkt dat het voor haar niet mogelijk is om deze specifieke vraag te beantwoorden. Vervolgens heeft het Openbaar Ministerie (IRC) op 6 maart 2024 de vraag gesteld of de opgeëiste persoon in een andere penitentiaire inrichting kan worden geplaatst, waarvoor wel een garantie van ten minste 3 vierkante meter aan individuele ruimte kan worden afgegeven. Daarop heeft de uitvaardigende justitiële autoriteit op 14 maart 2024 geantwoord dat alleen kan worden gegarandeerd dat de opgeëiste persoon in Bois D’Arcy terecht komt. Gelet op het vorenstaande en het feit dat de beslistermijn is verstreken, ziet de rechtbank - in lijn met de standpunten van de raadsvrouw en de officier van justitie - aanleiding om geen gevolg te geven aan het EAB.
Conclusie
De rechtbank stelt vast dat sprake is van een geval waarin met toepassing van artikel 11, eerste lid, OLW aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven.
6Toegepaste wetsartikelen
De artikelen 2, 5, 7 en 11 van de Overleveringswet.
Dictum
GEEFT met toepassing van artikel 11, eerste lid, OLW GEEN GEVOLG aan het EAB.
STELT VAST dat de overleveringsdetentie is geëindigd.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. M.E.M. James-Pater, voorzitter,
mrs. I. Verstraeten-Jochemsen en M. Westerman, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. M.D. Dijkstra, griffier
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 11 april 2024.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.
Zie artikel 23 Overleveringswet.
Zie artikel 22, eerste, derde lid en vijfde lid, OLW.
ECLI:NL:RBAMS:2024:782.