Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2024-12-31
ECLI:NL:RBAMS:2024:8457
Strafrecht; Europees strafrecht
Eerste en enige aanleg
2,701 tokens
Inleiding
RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13-330981-24
Datum uitspraak: 31 december 2024
UITSPRAAK
op de vordering van 18 oktober 2024 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).
Dit EAB is uitgevaardigd op 14 maart 2024 door The Circuit Court (Sąd Okręgowy) in Tarnobrzeg in Polen (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon],
geboren in [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1986,
bekend in de Basisregistratie Personen op het adres:
[adres]
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting [locatie te plaats],
hierna ‘de opgeëiste persoon’.
1Procesgang
De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 18 december 2024, in aanwezigheid van mr. W.H.R. Hogewind, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. V.G. Kraal, advocaat te Amsterdam en door een tolk in de Poolse taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd.
Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen.
2Identiteit van de opgeëiste persoon
Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.
3Grondslag en inhoud van het EAB
Het EAB vermeldt een judgment of the District Court (Sąd Okręgowy) in Tarnobrzeg of 8th April 2021, case file II K 762/20.
De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van één jaar, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde vonnis.
Dit vonnis betreft het feit zoals dat is omschreven in het EAB.
4Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW
Het standpunt van de raadsman
Volgens de raadsman is het onvoldoende komen vast te staan dat de opgeëiste persoon afstand heeft gedaan van zijn aanwezigheidsrecht in de strafzaak die tot het in rubriek 3 genoemde vonnis heeft geleid. In de aanvullende informatie van de Poolse autoriteiten van 19 november 2024 staat niet vermeld op welke data de oproepingen voor de zitting aan de opgeëiste persoon zijn verstuurd. Verder is niet gebleken dat de opgeëiste persoon als onderdeel van de adresinstructie is verteld dat hij bij verstek zou kunnen worden veroordeeld.
Het standpunt van de officier van justitie
Volgens de officier van justitie heeft de opgeëiste persoon door onzorgvuldigheid afstand gedaan van zijn aanwezigheidsrecht in de strafzaak die tot het voornoemde vonnis heeft geleid. Tijdens het onderzoek op zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat hij van de procedure in Polen op de hoogte was. Daarnaast heeft de opgeëiste persoon van de Poolse autoriteiten een adresinstructie ontvangen, waarbij hij ook is gewezen op de mogelijke consequenties van het niet opvolgen van deze instructie.
Beoordeling
De rechtbank stelt vast dat het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van een vonnis terwijl de opgeëiste persoon niet in persoon is verschenen bij het proces dat tot die beslissing heeft geleid, en dat - kort gezegd - is gewezen zonder dat zich één van de in artikel 12, sub a tot en met c, OLW genoemde omstandigheden heeft voorgedaan en evenmin een garantie als bedoeld in artikel 12, sub d, OLW is verstrekt.
Gelet daarop kan de overlevering ex artikel 12 OLW worden geweigerd. De rechtbank ziet echter aanleiding om van haar bevoegdheid om de overlevering te weigeren af te zien. Zij acht daarbij het volgende van belang.
In onderdeel d van het EAB heeft de uitvaardigende justitiële autoriteit het volgende vermeld:
The notification of the date of the trial was sent to the address indicated by [opgeëiste persoon] and it was not, despite two delivery attempts, collected by that person. By virtue of Article 133 § 2 of the Code of Criminal Proceedings, the notification was added to the files of the case as having been delivered on 8th April 2021. The appearance of the convicted person at the trial was not mandatory.
Op 19 november 2024 heeft The Circuit Court (Sąd Okręgowy) in Tarnobrzeg, the Second Criminal Division de volgende aanvullende informatie verstrekt:
(...) notification of the date of the trial on 8th April 2021, during which the judgment in case II K 762/20 was passed, was sent to the address provided by [opgeëiste persoon] during his hearing on 11th December 2020, which he indicated as his address of registration for residence and address for delivery in Poland. This correspondence, despite being notified twice by the postal operator, was not collected by [opgeëiste persoon], which resulted in it being deemed as delivered.
Moreover, we inform you that during the hearing on 11th December 2020, [opgeëiste persoon] was explicitly instructed about the obligation to inform the authority conducting the proceedings of any change of the place of residence or stay lasting longer than 7 days, as well as of the consequences of failing to collect correspondence sent to him, including the possibility of deeming the correspondence sent to him but not collected as being delivered.
Finally, I inform you that until the date of the trial, i.e. on 8th April 2021, in case II K 762/20, during which the judgment was passed against [opgeëiste persoon], the convicted person had not indicated any address other than the one provided during the hearing on 11th December 2020.
Op basis van deze informatie stelt de rechtbank vast dat de Poolse autoriteiten tevergeefs hebben geprobeerd om de opgeëiste persoon op te roepen op een adres dat hij tijdens zijn verhoor op 11 december 2020 heeft opgegeven en dat de opgeëiste persoon op de hoogte is gebracht van de mogelijke consequenties van het niet voldoen aan zijn verplichting om een (tijdelijke) adreswijziging aan de autoriteiten kenbaar te maken. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat hij ergens in de periode na het verhoor op 11 december 2020 naar Duitsland is verhuisd en dat hij aan niemand een adreswijziging heeft doorgegeven.
In het licht van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de opgeëiste persoon op de hoogte was van de strafprocedure en de verdenking, waardoor hij ofwel stilzwijgend afstand heeft gedaan van zijn recht om bij zijn proces aanwezig te zijn, ofwel in dat kader kennelijk onzorgvuldig is geweest door, ondanks de aan hem gegeven adresinstructie, niet bereikbaar te zijn voor de Poolse autoriteiten.
5Strafbaarheid
Feit vermeld op bijlage 1 bij de OLW
De uitvaardigende justitiële autoriteit wijst het strafbare feit aan als een zogenoemd lijstfeit, dat in Nederland onder nummer 20 in de lijst van bijlage 1 bij de OLW staat vermeld, te weten:
oplichting.
Uit het EAB volgt dat op dit feit naar het recht van Polen een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren is gesteld.
Dit betekent dat een onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van het feit waarvoor de overlevering wordt verzocht, achterwege moet blijven.
6Artikel 11 OLW: artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de EU
De rechtbank heeft eerder vastgesteld dat, vanwege structurele of fundamentele gebreken in de Poolse rechtsorde, in Polen een algemeen reëel gevaar bestaat van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld.
Nu de opgeëiste persoon geen feiten en/of omstandigheden heeft aangevoerd waaruit blijkt dat die structurele of fundamentele gebreken een concrete invloed hebben gehad op de behandeling van zijn strafzaak, is niet aangetoond dat sprake is van een individueel reëel gevaar van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld.
Conclusie
De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe.
8Toepasselijke wetsbepalingen
De artikelen 2, 5, 7 en 11 OLW.
Dictum
STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan The Circuit Court (Sąd Okręgowy) in Tarnobrzeg in Polen voor het feit zoals dat is omschreven in onderdeel e) van het EAB.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. C. Klomp, voorzitter,
mrs. M.C. Danel en A.L. op ‘t Hoog, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. J.M. Esschendal, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 31 december 2024.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.
Zie artikel 23 Overleveringswet.
Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.
Zie onderdeel e) van het EAB.
Rb. Amsterdam 10 februari 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:420, r.o. 5.3.1-5.3.3 en Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1794, r.o. 4.4.
Vgl. Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1794, onder verwijzing naar HvJ EU 22 februari 2022, C-562/21 PPU en C-563/21 PPU, ECLI:EU:C:2022:100 (Openbaar Ministerie (Recht op een gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld in de uitvaardigende lidstaat)).