Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2024-12-31
ECLI:NL:RBAMS:2024:8456
Strafrecht; Europees strafrecht
Eerste en enige aanleg
2,524 tokens
Inleiding
RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13-294771-24
Datum uitspraak: 31 december 2024
UITSPRAAK
op de vordering van 31 oktober 2024, ondertekend op 16 december 2024, van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).
Dit EAB is uitgevaardigd op 2 september 2024 door het Kantongerecht Koblenz (Amtsgericht Koblenz) in de Bondsrepubliek Duitsland (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon],
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedag] 1982,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:
[adres],
gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting [locatie te plaats],
hierna ‘de opgeëiste persoon’.
1Procesgang
De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 18 december 2024, in aanwezigheid van mr. W.H.R. Hogewind, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. T.E. Korff, advocaat in Amsterdam.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd.
Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen.
2Identiteit van de opgeëiste persoon
Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Nederlandse nationaliteit heeft.
3Grondslag en inhoud van het EAB
Het EAB vermeldt een aanhoudingsbevel strekkende tot voorlopige hechtenis van het Kantongerecht Koblenz van 2 september 2024 en met dossiernummer 30 Gs 6582/24 - 51 Js 650/24.
De uitvaardigende justitiële autoriteit verzoekt de overlevering vanwege het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan naar Duits recht strafbare feiten. Deze feiten zijn omschreven in het EAB.
4Strafbaarheid
Feiten
De uitvaardigende justitiële autoriteit wijst de strafbare feiten aan als zogenoemde lijstfeiten, die in Nederland in de lijst van bijlage 1 bij de OLW onder nummer 5 zijn vermeld, te weten:
Illegale handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen.
Uit het EAB en de aanvullende informatie van de Generalstaatsanwaltschaft Koblenz van 20 november 2024 volgt dat op deze feiten naar het recht van de uitvaardigende lidstaat een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren is gesteld.
Dit betekent dat een onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van de feiten waarvoor de overlevering wordt verzocht, achterwege moet blijven.
5De garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, OLW
De opgeëiste persoon heeft de Nederlandse nationaliteit en beroept zich op de garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, OLW. De rechtbank stelt vast dat de opgeëiste persoon zodanige banden heeft met Nederland, dat de tenuitvoerlegging van een eventueel na overlevering opgelegde straf, uit het oogpunt van maatschappelijke re-integratie beter in Nederland kan plaatsvinden dan in de uitvaardigende lidstaat. Zijn overlevering kan daarom worden toegestaan, wanneer is gewaarborgd dat de opgeëiste persoon, in geval van veroordeling in de uitvaardigende lidstaat tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf na overlevering, deze straf in Nederland mag ondergaan.
De Generalstaatsanwaltschaft Koblenz heeft op 20 november 2024 de volgende garantie gegeven:
It is guaranteed that after the imposition of a legally binding custodial sentence or other sanction in proceedings 51 Js 650/24, the defendant [opgeëiste persoon] will be offered to be returned to the Kingdom of the Netherlands for execution.
Naar het oordeel van de rechtbank is deze garantie voldoende.
6Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 13 OLW
Het EAB ziet op feiten die geacht worden gedeeltelijk op Nederlands grondgebied te zijn gepleegd. In zo’n situatie kan de rechtbank de overlevering weigeren.
De raadsvrouw verzoekt de overlevering op grond van dit artikel te weigeren en heeft daartoe aangevoerd dat de in het EAB vermelde feiten gedeeltelijk in Nederland zouden hebben plaatsgevonden, terwijl de opgeëiste persoon een dusdanige binding met Nederland heeft dat vervolging voor deze feiten in Nederland in de rede zou liggen. Daarbij spelen volgens de raadsvrouw bovendien voor de opgeëiste persoon zwaarwegende persoonlijke omstandigheden die ertoe dienen te leiden dat vervolging (en eventueel voorlopige hechtenis) in Nederland plaatsvindt. De raadsvrouw heeft daarom verzocht aan te sluiten bij het voornemen van deze rechtbank in een andere zaak om prejudiciële vragen te stellen aan het Hof van Justitie over alternatieven voor het uitvaardigen van een EAB bij zwaarwegende persoonlijke omstandigheden van een opgeëiste persoon.
De officier van justitie verzoekt de rechtbank af te zien van deze weigeringsgrond en heeft daartoe aangevoerd dat de feiten die in het EAB zijn vermeld in de context van een groot Duits strafrechtelijk onderzoek moeten worden gezien. De medeverdachten bevinden zich in Duitsland, worden daar vervolgd en het Nederlandse openbaar ministerie is niet voornemens om de opgeëiste persoon in Nederland voor de vermelde feiten te vervolgen.
De rechtbank stelt voorop dat:
- aan de regeling van het EAB ten grondslag ligt dat overlevering de hoofdregel is en weigering de uitzondering moet zijn;
- de gedachte achter deze facultatieve weigeringsgrond is, te voorkomen dat Nederland zou moeten meewerken aan overlevering voor een zogenoemd lijstfeit dat geheel of ten dele in Nederland is gepleegd en dat hier niet strafbaar is of hier niet pleegt te worden vervolgd.
De rechtbank is van oordeel dat in het licht van de door de officier van justitie aangevoerde argumenten, het gegeven dat de feiten geacht worden gedeeltelijk in Nederland te zijn gepleegd onvoldoende aanleiding geeft om de weigeringsgrond toe te passen. Daarnaast zijn de persoonlijke omstandigheden van de opgeëiste persoon niet dusdanig zwaarwegend, dat de rechtbank het onderzoek dient aan te houden in het licht van haar voornemen om in de zaak waar de raadsvrouw aan heeft gerefereerd, prejudiciële vragen te stellen. Daarbij komt dat de rechtbank niet zonder meer inziet hoe de antwoorden in die zaak van belang zijn voor het beoordelen van de in artikel 13 OLW genoemde weigeringsgrond.
7Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 11 OLW
De raadsvrouw heeft de rechtbank erop gewezen dat de opgeëiste persoon een tatoeage van de motorclub [naam motorclub] op zijn rug heeft. Gedetineerden in de Bondsrepubliek Duitsland douchen in de regel gezamenlijk en in Duitse detentie-instellingen bevinden zich veel leden van rivaliserende motorclubs. Om deze reden maakt de opgeëiste persoon zich zorgen over zijn veiligheid bij overlevering.
Volgens de officier van justitie staan de zorgen van de opgeëiste persoon niet aan overlevering in de weg. Het wordt aangeraden om de Duitse autoriteiten voor de feitelijke overlevering van de specifieke zorgen van de opgeëiste persoon op de hoogte te brengen.
De rechtbank vat de mededeling van de raadsvrouw over de zorgen van de opgeëiste persoon impliciet op als een beroep op artikel 11 OLW. De rechtbank overweegt dat door of namens de opgeëiste persoon over de gezamenlijke detentie van leden van mogelijk rivaliserende motorclubs in Duitse detentie-instellingen en het daaruit voorvloeiende gevaar van gewelddadige confrontaties geen objectieve, betrouwbare, nauwkeurige en naar behoren bijgewerkte gegevens zijn verstrekt, op basis waarvan de rechtbank aanleiding zou zien om het onderzoek te heropenen om de Duitse autoriteiten aanvullende vragen te stellen. De rechtbank beschikt ook ambtshalve niet over dergelijke gegevens. Artikel 11 OLW staat daarom niet aan overlevering in de weg.
Conclusie
De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe.
9Toepasselijke wetsartikelen
De artikelen 2, 5, 6, 7 en 13 OLW.
Dictum
STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan het Kantongerecht Koblenz (Amtsgericht Koblenz) in de Bondsrepubliek Duitsland voor de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB. Deze uitspraak is gedaan door
mr. C. Klomp, voorzitter,
mrs. M.C. Danel en A.L. op ‘t Hoog, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. J.M. Esschendal, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 31 december 2024.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.
Zie artikel 23 Overleveringswet.
Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.
Zie onderdeel e) van het EAB.
Artikel 13, eerste lid, aanhef en onder a, OLW.
Rb. Amsterdam 24 oktober 2024, ECLI:NL:RBAMS:2024:7372.