Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2024-12-23
ECLI:NL:RBAMS:2024:8250
Bestuursrecht
Mondelinge uitspraak
1,226 tokens
Inleiding
RECHTBANK AMSTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 24/7435
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter van 23 december 2024 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen
[verzoekster] , uit Amsterdam, verzoekster
(gemachtigde: mr. G.A. Verhoeven),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam, verweerder
Inleiding
1.1.
In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoekster tegen de afwijzing van de aanvraag van een urgentieverklaring.
1.2.
Verweerder heeft deze aanvraag met het besluit van 12 december 2023 afgewezen. Met het bestreden besluit van 24 september 2024 op het bezwaar van verzoekster is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven. Verweerder heeft daarbij overwogen dat er meerdere algemene weigeringsgronden uit de Huisvestingsverordening aan de orde zijn. Verzoekster heeft hiertegen op 5 november 2024 beroep ingesteld (zaaknummer AMS 24/6569). Daarnaast heeft verzoekster de voorzieningenrechter op 10 december 2024 verzocht een voorlopige voorziening te treffen strekkende tot het bepalen dat verweerder verzoekster moet behandelen als ware de aanvraag voor urgentieverklaring toegewezen.
1.3.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 23 december 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben verzoekster en haar gemachtigde deelgenomen. Verweerder was niet aanwezig.
1.4.
Na afloop van de zitting heeft de voorzieningenrechter onmiddellijk uitspraak gedaan.
Standpunt verzoekster
2. Verzoekster heeft aangevoerd dat zij lijdt aan een ernstige dwangstoornis in de vorm van smetvrees waardoor zij niet in haar huidige woning kan verblijven. Zij is opgenomen geweest bij de GGZ, maar kan nog steeds niet terug naar die woning. Zij verblijft af en toe bij haar moeder, een vriend of in de nachtopvang of een respijthuis. Bij haar moeder speelt de dwangstoornis ook op. Zij heeft een eigen stabiele plek nodig, ook om weer behandeld te kunnen worden.
Beoordeling
4. De voorzieningenrechter wijst de voorlopige voorziening af en overweegt daartoe als volgt.
5. De voorzieningenrechter beoordeelt op grond van een belangenafweging of er een reden bestaat om op dit moment een voorlopige voorziening te treffen. De voorzieningenrechter stelt voorop dat verzoekster op dit moment (voornamelijk) bij haar moeder inwoont. Hoewel de situatie gelet op de ernstige dwangstoornis van verzoekster voor alle betrokkenen niet makkelijk is, heeft verzoekster in ieder geval een dak boven haar hoofd en heeft zij ter zitting toegelicht dat haar moeder haar niet op straat zal zetten. Daarnaast neemt de voorzieningenrechter mee dat het verzoek een verstrekkend karakter heeft. De gevolgen bij een toewijzing van de gevraagde voorlopige voorziening zijn min of meer onomkeerbaar. Verzoekster zou dan een urgentieverklaring krijgen, terwijl uit de beroepsprocedure nog kan volgen dat verzoekster daar geen recht op heeft. Van belang hierbij is dat de voorzieningenrechter van oordeel is dat er op dit moment nog te veel onduidelijk is, door een gebrek aan onderbouwing aan de kant van verzoekster. De voorzieningenrechter is daarom van oordeel dat het belang van verweerder bij het hanteren van een streng urgentiebeleid zwaarder weegt dan het belang van verzoekster.
6. Met verzoekster is besproken dat zij in de gelegenheid wordt gesteld om in de beroepsprocedure nadere stukken in te dienen die haar stelling dat terugkeer naar de huidige woning in de weg staat aan haar herstel te onderbouwen. Zij kan daartoe bijvoorbeeld stukken (zoals verslagen) overleggen ten aanzien van de klinische behandeling bij de GGZ die zij heeft ondergaan. Ook is besproken dat verzoekster haar stellingen nader kan onderbouwen dat zij zelf woningruil heeft geprobeerd en kan zij bij haar woningcorporatie Rochdale informeren of zij verzoekster kunnen helpen met een woningruil.
7. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 23 december 2024 door mr. M.H.W. Franssen, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van
mr. P. Tanis, griffier.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.