Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2024-12-20
ECLI:NL:RBAMS:2024:8221
Civiel recht; Burgerlijk procesrecht
Eerste en enige aanleg
1,309 tokens
Dictum
C/13/761232 HA/RK 24/452 ingeschreven verzoek van:
[verzoeker] ,
wonende te [woonplaats] ,
verzoeker,
welk verzoek strekt tot wraking van mr. J.F. Kuiken, kantonrechter te Amsterdam, hierna: de rechter.
1
Procesverloop
De wrakingskamer heeft kennisgenomen van de navolgende processtukken:
de brief van verzoeker, ontvangen op 17 december 2024, waarin hij de rechter wraakt;
een tussenvonnis van 12 december 2024 in de zaak van verzoeker (eiser) tegen Stichting de Alliantie (gedaagde) met zaaknummer 11213938 / CV EXPL 24-8839.
De rechter heeft de Wrakingskamer bericht dat zij niet berust in de wraking.
Feiten
Verzoeker heeft tegen Stichting de Alliantie een procedure aanhangig gemaakt bij de rechter waarin hij onder meer vervangende woonruimte, huurvermindering en een aantal schadeposten vordert. In die procedure treedt als gemachtigde voor verzoeker op mr. R.M. van Ommeren.
In deze procedure heeft op 7 november 2024 een mondelinge behandeling plaatsgevonden.
Op 12 december 22024 heeft de rechter bij vervroeging een tussenvonnis gewezen. Hierin is een bezichtiging bepaald door de rechter in de woning van verzoeker.
3Het verzoek en de gronden daarvan
Het wrakingsverzoek is – samengevat weergegeven – gebaseerd op de volgende gronden. De rechter heeft de schijn van partijdigheid gewekt door onvolledig en eenzijdig om te gaan met de door partijen aangedragen bewijsmiddelen. De rechter heeft in het tussenvonnis van 12 december 2024 de feiten opgesomd en heeft daarbij uitsluitend de door Stichting Alliantie ingediende bewijsmiddelen genoemd en niet de door verzoeker ingediende bewijsmiddelen, die wel relevant en essentieel zijn voor de beoordeling van de zaak. Hierdoor ontstaat de schijn dat de rechter de bewijsmiddelen van Stichting Alliantie zwaarder laat wegen dan die van verzoeker, zonder hiervoor een objectieve reden te geven. De rechter moet daarom worden vervangen door een andere rechter.
4
4. De gronden van de beslissing
4.1
Op grond van het bepaalde in artikel 36 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) dient in een wrakingsprocedure te worden onderzocht of sprake is van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Daarbij staat voorop dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het oordeel dat een rechter jegens een partij een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij verzoeker bestaande vrees dat de rechter niet onpartijdig is dan wel een vooringenomenheid koestert, objectief gerechtvaardigd is.
4.2
Het verwijt van verzoekster betreft de inhoud van het door de rechter gewezen tussenvonnis. Het gesloten stelsel van rechtsmiddelen brengt mee dat een rechterlijke beslissing als zodanig nimmer grond kan vormen voor wraking: wraking is geen verkapt rechtsmiddel. Het gesloten stelsel van rechtsmiddelen verzet zich er evenzeer tegen dat de motivering van de beslissing grond kan vormen voor wraking, ook indien het gaat om een onjuiste, onbegrijpelijke, gebrekkige of te summiere motivering of om het ontbreken van een motivering. Dit is uitsluitend anders indien de motivering van de beslissing in het licht van alle omstandigheden van het geval en naar objectieve maatstaven gemeten – bijvoorbeeld door de in de motivering gebezigde bewoordingen – niet anders kan worden verstaan dan als blijk van vooringenomenheid van de rechter (zie het arrest van de Hoge Raad van 25 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1413). Het onderhavige verzoek bevat geen concrete feiten of omstandigheden waaruit (de objectief gerechtvaardigde schijn van) vooringenomenheid van de rechter jegens verzoeker zou kunnen blijken. Dat de rechter in de opgesomde feiten enkel de bewijsmiddelen van Stichting de Alliantie zou hebben genoemd, is – als dit al zou kunnen worden vastgesteld door de Wrakingskamer – hiervoor niet voldoende.
4.3
Het verzoek tot wraking is dus kennelijk ongegrond en zal worden afgewezen. Een mondelinge behandeling kan achterwege blijven.
Dictum
De rechtbank:
wijst het verzoek tot wraking af;
bepaalt dat de procedure met zaaknummer 11213938 / CV EXPL 24-8839 wordt hervat in de stand waarin deze zich bevond ten tijde van de indiening van het wrakingsverzoek.
Aldus gegeven door mrs. P.B. Martens, voorzitter, en N.C.H. Blankevoort en A.W.J. Ros, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 20 december 2024.
Tegen deze beslissing staat op grond van het bepaalde in artikel 39 lid 5 Rv geen voorziening open.