Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2024-12-20
ECLI:NL:RBAMS:2024:8125
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,024 tokens
Inleiding
vonnis
RECHTBANK AMSTERDAM
Afdeling privaatrecht
zaaknummer: 11367445 CV EXPL 24-13489
vonnis van: 20 december 2024
fno.: 506
vonnis van de kantonrechter
I n z a k e
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
Uniglas B.V.
gevestigd en kantoorhoudende te Groningen
eisende partij
gemachtigde: LAVG Gerechtsdeurwaarders (Groningen)
t e g e n
[gedaagde]
wonende te [woonplaats]
gedaagde partij
niet verschenen
Procesverloop
Bij exploot van dagvaarding van 12 september 2024 heeft eisende partij gevorderd dat gedaagde partij zal worden veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 520,95 met nevenvordering(en), één en ander zoals in de dagvaarding nader omschreven.
Gedaagde partij heeft geen uitstel verzocht en evenmin uiterlijk op de in de dagvaarding vermelde terechtzitting geantwoord.
Tegen gedaagde partij is verstek verleend.
Gronden van de beslissing
1. In deze procedure stelt eisende partij dat de overeenkomst tussen partijen tot stand is gekomen door zaakwaarneming door de politie ingevolge artikel 6:198 en 6:201 van het Burgerlijk Wetboek. Na melding van een inbraak in het pand van gedaagde partij op 11 maart 2022, heeft de politie geprobeerd contact te krijgen met gedaagde partij. Toen dat niet lukte heeft de politie namens gedaagde partij eisende partij opdracht gegeven een noodafdichting te maken. Eisende partij heeft vervolgens diezelfde dag een noodafdichting gemaakt.
2. Ingevolge artikel 6:198 BW is sprake van een zaakwaarneming als een zaakwaarnemer zich willens en wetens en op redelijke grond inlaat met de behartiging van eens anders belang. In dat geval is de zaakwaarnemer ingevolge artikel 6:201 BW bevoegd rechtshandelingen te verrichten in naam van de belanghebbende. Eisende partij heeft voldoende gesteld dat daarvan sprake is. Daardoor is een overeenkomst tot stand gekomen tussen partijen. Nu eisende partij een handelaar is en gedaagde partij een consument, dient de overeenkomst te worden getoetst aan het toepasselijke consumentenrecht.
3. Gelet echter op de wijze waarop deze overeenkomst tot stand is gekomen; zaakwaarneming bij een noodsituatie waarbij de consument niet bereikbaar was, wordt geoordeeld dat de informatieplichten die gelden voor een handelaar bij de totstandkoming van een overeenkomst (afdeling 2B van titel 5 van boek 6 BW) onder deze specifieke omstandigheden niet van toepassing zijn.
4. Bovendien geldt dat ingevolge artikel 6:201 BW de bevoegdheid tot vertegenwoordiging bij zaakwaarneming slechts bestaat voor zover het belang van de belanghebbende naar behoren wordt behartigd. Voor zover de waarneming deze grens te buiten gaat is sprake van een daad van onbevoegde vertegenwoordiging, die de belanghebbende in beginsel niet bindt. Nu op het gefactureerde bedrag de administratiekosten in mindering zijn gebracht en de kosten voor de werkzaamheden verder marktconform lijken, is daarvan ten aanzien van gevorderde hoofdsom niet gebleken. Deze is daarom toewijsbaar.
5. Ten aanzien van de gevorderde rente, buitengerechtelijke incassokosten en proceskosten moet de kantonrechter nog wel onderzoeken of de bedingen waarop eisende partij zich tegenover de consument beroept of zich zou kunnen beroepen, niet oneerlijk zijn in de zin van Richtlijn 93/13/EEG betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten (hierna: de richtlijn).
6. Op grond van het Dexia-arrest van 27 januari 2021, C-229/19 en het Gupfinger-arrest HvJ EU C-625/21 moet de kantonrechter immers ook als eisende partij zich in de procedure niet beroept op het toepasselijke beding, maar op de wet, ambtshalve onderzoeken of het beding (in de voorwaarden) waarop zij zich had kunnen beroepen niet oneerlijk is in de zin van de richtlijn. Indien een beding als oneerlijk wordt aangemerkt, kan eisende partij ingevolge deze arresten geen aanspraak meer maken op de wettelijke regeling die zonder dat beding van toepassing zou zijn geweest en moet haar vordering op dit punt worden afgewezen.
7. Eisende partij vordert rente en buitengerechtelijke incassokosten op grond van de wet, maar stelt ook dat haar algemene verkoop- en leveringsvoorwaarden (verder: Algemene voorwaarden) van toepassing zijn op de overeenkomst en heeft deze bij dagvaarding overgelegd. In deze Algemene voorwaarden staan met betrekking tot rente en gerechtelijke- /buitengerechtelijke kosten onder artikel 9 de volgende bedingen vermeld:
Artikel 9: Betaling aan Uniglas
9.2.
Na de vervaldatum is de Opdrachtgever in gebreke en heeft Uniglas het recht de wettelijke rente per maand over het opeisbare bedrag te berekenen welke Opdrachtgever is verschuldigd aan Uniglas. De rente over het opeisbare bedrag zal worden berekend vanaf het moment dat Opdrachtgever in gebreke is tot het moment van voldoening van het volledige bedrag, waarbij een gedeelte van een maand wordt beschouwd als de gehele maand.
(……)
9.7.
Alle door Uniglas gemaakte kosten, zowel gerechtelijke als buitengerechtelijke, gemaakt met betrekking tot de invordering van het door Opdrachtgever verschuldigde en niet tijdig betaalde, zijn voor rekening van Opdrachtgever.
8. Nu in artikel 9.2 voor wat betreft het in rekening brengen van rente wordt verwezen naar de wettelijke rente, is het rentebeding niet oneerlijk. De gevorderde wettelijke rente is daarom toewijsbaar.
9. Ten aanzien van artikel 9.7 van de Algemene voorwaarden is de kantonrechter vooralsnog van oordeel dat het beding ten aanzien van de buitengerechtelijke kosten als oneerlijk is aan te merken, omdat uit het beding volgt dat alle door Uniglas gemaakte kosten met betrekking tot de invordering voor rekening van de consument komen. Dit terwijl de consument in de wettelijke regeling uitsluitend gemaximeerde buitengerechtelijke kosten is verschuldigd, mits is voldaan aan het bepaalde in artikel 6:96 lid 6 BW, waarbij de aanmaning als bedoeld in dat artikellid moet voldoen aan de door de Hoge Raad in zijn arrest van 25 november 2016 (ECLI:NL:HR:2016:2704) gestelde eisen. Daarmee wijkt het beding ten nadele van de consument af van de wettelijke regeling, die van dwingend recht is.
10. Ook is de kantonrechter voorshands van oordeel dat het beding ten aanzien van de proceskosten als oneerlijk moet worden aangemerkt. Nu volgens het bepaalde in artikel 9.7 alle gerechtelijke kosten voor rekening van de consument komen, terwijl de vergoeding voor de kosten van de gemachtigde slechts forfaitair ingevolge het liquidatietarief toewijsbaar is, is deze bepaling te ruim geformuleerd. Eisende partij zou op grond van deze bepaling immers meer dan de forfaitaire kosten in rekening kunnen brengen. Het evenwicht tussen partijen wordt daardoor aanzienlijk verstoord.
11. De kantonrechter is gelet op het voorgaande dan ook voornemens om artikel 9.7 van de Algemene voorwaarden te vernietigen vanwege het oneerlijke karakter en de gevorderde buitengerechtelijke incassokosten en proceskosten af te wijzen. Alvorens daartoe over te gaan, wordt eisende partij in de gelegenheid gesteld zich bij akte over dat voornemen uit te laten. De zaak wordt daartoe verwezen naar de hieronder genoemde rol.
12. Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.
Dictum
De kantonrechter:
verwijst de zaak naar de rolzitting van vrijdag 17 januari 2025 om 10:00 uur voor het nemen van een akte door eisende partij als hierboven omschreven;
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. L. van Berkum, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 20 december 2024 in tegenwoordigheid van de griffier.