Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2024-11-11
ECLI:NL:RBAMS:2024:8067
Bestuursrecht; Belastingrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,974 tokens
Inleiding
RECHTBANK AMSTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 24/353
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 11 november 2024 in de zaak tussen
[eiser], te Amsterdam, eiser
en
de heffingsambtenaar van de gemeente Amsterdam, de heffingsambtenaar.
Procesverloop
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de uitspraak op bezwaar van de heffingsambtenaar van 30 november 2023.
1.1.
De heffingsambtenaar heeft voor het belastingjaar 2023 aan eiser een aanslag precariobelasting van € 1981,70 opgelegd voor twee woonboten in Amsterdam.
1.2.
De heffingsambtenaar heeft het bezwaar van eiser voor beide woonboten ongegrond verklaard. De heffingsambtenaar heeft daarbij de aanslagen gehandhaafd.
1.3.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.
1.4.
De rechtbank heeft het beroep op 30 september 2024 op zitting behandeld. Eiser was aanwezig. De heffingsambtenaar is verschenen in de persoon van mr. H. Oderkerk.
Overwegingen
2. Aan eiser zijn voor het jaar 2023 twee aanslagen precariobelasting opgelegd: voor de woonboot aan de [adres 1] in Amsterdam - waarvan eiser eigenaar is en waar hij zelf woont - en voor de woonboot aan de [adres 2] in Amsterdam, waarvan eiser slechts eigenaar is.
Ten aanzien van beide aanslagen
3. Eiser voert aan dat de stijging van het tarief per vierkante meter vanaf 2020 in strijd is geweest met het verbod op een onredelijke en willekeurige belastingheffing. Hij vindt dat het tarief van de provincie Noord-Holland voor huurovereenkomsten van ligplaatsen in Provinciaal water ten onrechte is gebruikt als uitgangspunt voor de precariobelasting. Huurkosten zijn niet een-op-een vergelijkbaar met precariobelasting. Voor sommige woonbootbewoners betekent de verhoging van het tarief een stijging van wel € 100,- in de maandelijkse lasten. Er zou bovendien geen zorgvuldig besluitvormingsproces aan vooraf zijn gegaan, er is sprake van overschrijding van de opbrengstlimiet, het tarief wordt ten onrechte gedifferentieerd naar stadsdeel en de grondslag voor de heffing is onredelijk. Eiser voert daarnaast aan dat geen sprake is van een belastbaar feit omdat de ligplaatsen zich niet bevinden op voor de openbare dienst bestemde gemeentegrond. Daarbij vindt eiser dat sprake is van ongelijke behandeling, omdat (horeca)ondernemers in 2020 tijdelijk zijn vrijgesteld van precariobelasting voor reclame-uitingen en terrassen in het kader van de coronamaatregelen.
4. De rechtbank stelt vast dat eiser bovenstaande beroepsgronden eerder heeft aangevoerd in een vergelijkbare procedure die hij eerst bij deze rechtbank aanhangig heeft gemaakt en daarna bij het gerechtshof Amsterdam. In beide uitspraken is op genoemde beroepsgronden ingegaan. De rechtbank volgt eiser niet in zijn standpunt en verwijst ter motivering van dit oordeel naar haar uitspraak van 26 april 2022, en de uitspraak op het hoger beroep daartegen van het gerechtshof Amsterdam van 20 juni 2023, waaruit volgt dat hetgeen eiser heeft aangevoerd niet kan leiden tot een geslaagd beroep.
Ten aanzien van de aanslag voor de [adres 2]
5. Eiser is het niet eens met de aan hem opgelegde aanslag precariobelasting voor de woonboot aan de [adres 2], omdat hij daar zelf niet woont. De boot wordt permanent verhuurd aan derden, en op grond van de Verordening precariobelasting Amsterdam 2020 had de heffingsambtenaar de aanslag aan de gebruiker moeten opleggen. Eiser vindt het onredelijk dat het voor zijn rekening komt dat er geen gebruiker bekend is, omdat de huurder zich niet op het adres ingeschreven heeft in de Basisregistratie Personen (BRP). Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam heeft de verantwoordelijkheid om de BRP bij te houden, en de heffingsambtenaar dient het aan het college te melden als hij het vermoeden heeft dat de gegevens in de BRP onjuist of onvolledig zijn.
6. De heffingsambtenaar voert aan dat belastingplichtig voor de precariobelasting is degene die het rechtstreeks belang heeft bij de aanwezigheid van de woonboot. In dit geval, waarbij van de woonboot geen huurder/bewoner bekend is, wordt als belastingplichtige aangemerkt de eigenaar van de woonboot. Deze is dan de rechtstreeks belanghebbende. De heffingsambtenaar wijst erop dat de rechtbank in twee andere zaken van eiser op dit punt al heeft beslist dat verweerder de aanslag mocht opleggen aan eiser als eigenaar, omdat geen gebruiker bekend was.
7. De rechtbank stelt vast dat de precariobelasting in beginsel aan de gebruiker van de woonboot wordt opgelegd. Hiervoor is het wel van belang dat bekend is wie de gebruiker is. Bij de woonboot aan de [adres 2] is dat niet het geval, nu op dat adres niemand is ingeschreven in de BRP. Ook anderszins is niet gebleken wie de gebruiker is. In deze procedure heeft eiser bijvoorbeeld geen huurovereenkomst overgelegd of anderszins opheldering daarover gegeven. Uit de bewoordingen van artikel 228, eerste lid, van de Gemeentewet en artikel 3 van de Verordening precariobelasting Amsterdam 2020 volgt dat de belasting zowel van de gebruiker, als van de eigenaar geheven kan worden. Omdat in dit geval de gebruiker van de woonboot aan de [adres 2] niet bekend is, heeft verweerder mogen komen tot het opleggen van de aanslag aan eiser als eigenaar en als de meest belanghebbende van de woonboot. Uit wat op de zitting is besproken leidt de rechtbank verder af dat eiser gedurende twee periodes personen gebruik laat maken van de woonboot, die zich niet hebben ingeschreven in de BRP. Omdat eiser bekend is wie de gebruikers zijn in de betreffende periodes, kan hij (desgewenst) met hen in overleg treden om tot een verdeling van de kosten van de aanslag te komen.
8. Kortom, de heffingsambtenaar mocht in de gegeven omstandigheden gebruik maken van de mogelijkheid om de aanslag precariobelasting aan eiser als eigenaar van de woonboot op te leggen. De aanslag is derhalve terecht aan eiser opgelegd.
Conclusie
9. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Voor een vergoeding van de proceskosten of het door eiser betaalde griffierecht bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.A.W. Jansen, rechter, in aanwezigheid van
mr. H.M. Dost, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 11 november 2024.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Amsterdam waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Amsterdam vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
ECLI:NL:RBAMS:2022:2233.
ECLI:NL:GHAMS:2023:1758.