Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2024-11-04
ECLI:NL:RBAMS:2024:8062
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,200 tokens
Inleiding
RECHTBANK AMSTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 24/2436
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 4 november 2024 in de zaak tussen
[eiser], te Amsterdam, eiser
(gemachtigde: mr. B.C.F. Kramer)
en
de Raad van bestuur van de Sociale Verzekeringsbank, verweerder
(gemachtigde: mr. J.A.H. Koning).
Procesverloop
Met een brief van 26 januari 2024 heeft eiser een betaaloverzicht van de verrekening van een nog openstaande vordering met de Algemene Ouderdomswet (AOW)-uitkering ontvangen.
Met een besluit van 20 maart 2024 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser kennelijk niet-ontvankelijk verklaard.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 september 2024. Eiser en zijn gemachtigde zijn, met bericht van verhindering, niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
Wat aan deze procedure voorafging
1. Met het besluit van 29 maart 2022 heeft verweerder vastgesteld dat eiser en zijn partner € 14.230,40 te veel aan aanvullende inkomensvoorziening ouderen (AIO) hebben ontvangen. De AIO-uitkering wordt daarom herzien en het teveel betaalde bedrag aan AIO-uitkering wordt teruggevorderd. Eiser en zijn partner zijn hiertegen in bezwaar en beroep gegaan. In de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 18 december 2023 is het beroep gegrond verklaard. De openstaande vordering is gewijzigd vastgesteld op € 9.670,88.
2. In de beslissing op bezwaar van 1 juni 2023 heeft verweerder de maandelijkse aflossingscapaciteit bepaald op € 184,68, te weten € 102,34 voor eiser en € 82,34 voor zijn partner.
3. In een print ‘Overzicht betaling februari’ van 26 januari 2024 staat vermeld dat voor de maand februari 2024 een bedrag van € 102,34 aan schuld wordt verrekend op de AIO-uitkering en het AOW-pensioen van eiser. Hiertegen gaat eiser in bezwaar.
4. Met het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eiser kennelijk niet-ontvankelijk verklaard, omdat het betalingsoverzicht van 26 januari 2024 geen besluit is in de zin van artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).Verweerder stelt zich op het standpunt dat de brief niet is gericht op een zelfstandig rechtgevolg, omdat het geen wijziging teweeg brengt in de rechtspositie van eiser. Reeds in de beslissing op bezwaar van 1 juni 2023 is de aflossingscapaciteit van eiser vastgesteld. Tegen deze beslissing op bezwaar is geen rechtsmiddel aangewend en deze staat dus in rechte vast. Op het betaaloverzicht van de uitkering op 26 januari 2024 is te zien dat er conform deze beslissing wordt verrekend. Het overzicht is dan ook een herhaling van dat besluit.
5. Verweerder heeft naar aanleiding van recente uitspraken van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) over de beslagvrije voet de invordering van eiser en zijn partner per mei 2024 gepauzeerd in afwachting van nieuw beleid.
Standpunt van eiser
6. Eiser stelt dat nu de CRvB in januari 2024 heeft geoordeeld dat de artikelen 3 en 4, tweede lid, van de Regeling tenuitvoerlegging bestuurlijke boetes en terugvordering onverschuldigde betalingen buiten toepassing moeten worden gelaten en verweerder dient uit te gaan van een beslagvrije voet van 95% van de voor AOW-gerechtigden geldende norm, de brief van 26 januari 2024 niet juist is. Eiser voert aan dat de brief van 26 januari 2024 wel degelijk gericht is op een rechtsgevolg, omdat hij en zijn partner minder geld overhouden om de noodzakelijke kosten van levensonderhoud te betalen, dan waar zij recht op hebben. Bovendien heeft er onterecht geen hoorzitting plaatsgevonden.
Beoordeling
Is er sprake van een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb?
7. In artikel 7:1, eerste lid, van de Awb, in samenhang gelezen met artikel 8:1 van de Awb, is bepaald dat tegen een besluit bezwaar kan worden gemaakt en beroep kan worden ingesteld bij de bestuursrechter. Op grond van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb wordt onder besluit verstaan een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling.
8. Volgens vaste rechtspraak ligt aan elke (meestal: maandelijkse) betaling van salaris of uitkering een besluit tot zodanige betaling ten grondslag. Wanneer een ander daartoe strekkend geschrift van het bestuursorgaan ontbreekt, kan dit besluit zichtbaar worden in een salaris- of uitkeringsspecificatie. Daartegen staat dan in beginsel het rechtsmiddel van bezwaar open. De rechtmatigheid van een eerder genomen besluit waarbij over de grondslag van periodiek te betalen salaris of uitkering is beslist, kan niet bij elke betaling opnieuw aan de orde worden gesteld. Voor zover over een element van de salaris- of uitkeringsvaststelling al eerder een besluit is genomen en daarin bij een periodieke betaling geen wijziging optreedt, is in het algemeen slechts sprake van een herhaling van de eerder genomen beslissing. Zo’n herhaling is niet gericht op enig rechtsgevolg dat niet reeds door de oorspronkelijke beslissing tot stand was gebracht en kan om die reden niet worden aangemerkt als een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb.
9. De rechtbank is met verweerder van oordeel dat het betalingsoverzicht van
26 januari 2024 niet is gericht op een zelfstandig rechtsgevolg. De rechtbank stelt vast dat met de brief van 26 januari 2024 niets anders over eisers rechtspositie wordt gezegd dan wat eiser op basis van de beslissing op bezwaar van 1 juni 2023 niet al wist of had kunnen weten. De brief bevat geen wijziging of nieuwe vaststelling van eisers rechtspositie. Met de brief wordt een overzicht gegeven van de betaling van de AOW en AIO en de verrekening daarop voor de maand februari 2024. De vaststelling daarvan heeft verweerder eerder al gedaan in het besluit van 1 juni 2023. De herhaling hiervan in het betaaloverzicht van 26 januari 2024 is dan ook niet gericht op een nieuw rechtsgevolg. Voorts heeft verweerder ter zitting toegelicht dat een betalingsoverzicht via 'Mijn Svb' opgevraagd kan worden. Een betalingsoverzicht wordt dus niet automatisch maandelijks verstrekt door verweerder, maar heeft plaatsgevonden op verzoek van eiser. Gezien het voorgaande is de het betalingsoverzicht van 26 januari 2024 geen besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb.
Hoorplicht
10. Eiser voert verder aan dat hij ten onrechte niet in de gelegenheid is gesteld om zijn bezwaar op een hoorzitting toe te lichten. Verweerder stelt zich hierover op het standpunt dat het bezwaar kennelijk niet-ontvankelijk is verklaard, zodat van een hoorzitting kon worden afgezien.
11. Op grond van artikel 7:3, aanhef en onder a en b, van de Awb kan van het horen van belanghebbende worden afgezien indien het bezwaar kennelijk niet-ontvankelijk is. Nu verweerder, zoals hiervoor is overwogen, het bezwaar terecht kennelijk niet-ontvankelijk heeft verklaard, is de rechtbank van oordeel dat verweerder heeft kunnen afzien van het horen van eiser in de bezwaarfase. Van schending van de hoorplicht is dan ook geen sprake.
Conclusie
12. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling of vergoeding van het griffierecht bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.A.W. Jansen, rechter, in aanwezigheid van
mr. H.M. Dost, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 4 november 2024.
griffier
rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. U kunt ook hoger beroep instellen door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
ECLI:NL:RBAMS:2023:8211
Zie bijvoorbeeld: ECLI:NL:CRVB:2024:1.