Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2024-12-16
ECLI:NL:RBAMS:2024:8021
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,465 tokens
Inleiding
RECHTBANK AMSTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummers: AMS 24/6895 en AMS 24/7160
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter van
16 december 2024 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaken tussen
[verzoeker], uit Amsterdam, verzoeker
(gemachtigde: mr. R. Meinen),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam, het college
(gemachtigde: [gemachtigde]).
Inleiding
1.1.
In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker tegen de buitenbehandelingstelling en afwijzing van zijn aanvragen om een bijstandsuitkering op grond van de Participatiewet (PW).
1.2.
Het college heeft met de besluiten van 28 augustus 2024 en 25 september 2024 de bijstandsuitkering van verzoeker ingetrokken en teruggevorderd. Volgens het college heeft verzoeker in de periode van 11 maart 2021 tot en met 13 maart 2024 inkomsten genoten in verband met het verrichten van kluswerkzaamheden bij vrienden en familie.
1.3.
Verzoeker heeft op 17 september 2024 een nieuwe aanvraag voor een bijstandsuitkering ingediend bij het college. Dit is de start van de onderhavige procedure. Met het besluit van 19 november 2024 heeft het college de aanvraag buiten behandeling gesteld. Met het besluit van 21 november 2024 (het bestreden besluit 1) is het besluit van 19 november 2024 ingetrokken en is de aanvraag opnieuw buiten behandeling gesteld omdat verzoeker niet heeft aangetoond dat sprake is van gewijzigde omstandigheden ten opzichte van het onderzoek dat ten grondslag ligt aan de intrekking en terugvordering, waardoor het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.
1.4.
Verzoeker heeft op 26 november 2024 een nieuwe aanvraag voor een bijstandsuitkering ingediend bij het college. Met het besluit van 2 december 2024 (het bestreden besluit 2) heeft het college de aanvraag afgewezen, omdat het college verzoeker al op 21 november 2024 heeft laten weten dat hij geen bijstand krijgt.
1.5.
Verzoeker heeft tegen het bestreden besluit 1 en het bestreden besluit 2 bezwaar gemaakt en tevens de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen die ertoe strekt dat het college voorschotten verstrekt.
1.6.
De voorzieningenrechter heeft de verzoeken op 16 december 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker, de gemachtigde van verzoeker en de gemachtigde van het college.
1.7.
Na afloop van de zitting heeft de voorzieningenrechter onmiddellijk uitspraak gedaan.
Beoordeling
2. De voorzieningenrechter wijst de verzoeken toe. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
Spoedeisend belang
3. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) alleen een voorlopige voorziening als onverwijlde spoed dat vereist. De voorzieningenrechter acht het spoedeisend belang aanwezig. Het is duidelijk dat verzoeker sinds 1 november 2024 geen inkomsten meer heeft, terwijl verzoeker wel zijn vaste lasten moet betalen. Verzoeker heeft op 28 november 2024 een bijverdienpremie toegekend gekregen van het college, maar de voorzieningenrechter acht het gelet op de toelichtingen van het college en verzoekers gemachtigde hierover zeer waarschijnlijk dat dit ten onrechte is gebeurd en dat deze bijverdienpremie teruggevorderd gaat worden. De voorzieningenrechter telt de bijverdienpremie dan ook niet als inkomsten mee.
Heeft het bezwaar een redelijke kans van slagen?
4.1.
De voorzieningenrechter beoordeelt bij de vraag of een voorlopige voorziening moet worden getroffen of het beroep een redelijke kans van slagen heeft. Dat kan een reden zijn om het bestreden besluit te schorsen.
4.2.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat het bezwaar tegen beide besluiten een redelijke kans van slagen heeft. Met betrekking tot het bestreden besluit 1 heeft verzoeker tot op zekere hoogte aannemelijk gemaakt dat hij geen inkomsten meer ontvangt uit kluswerkzaamheden voor familie en vrienden. Het college erkent zelf ook dat er geen bijschrijvingen of stortingen te zien zijn op de overgelegde bankafschriften die daarop duiden. Ook geven de overgelegde bankafschriften er geen blijk van dat er structurele uitgaven zijn aan bouwmarkten, tankstations of parkeerkosten. Ten opzichte van de bevindingen uit het eerdere onderzoek die zien op de besluiten van 28 augustus 2024 en 25 september 2024 lijkt de situatie nu anders te zijn. De voorzieningenrechter acht de stelling van verzoeker dat hij geen inkomsten meer ontvangt uit kluswerkzaamheden aannemelijk, nu verzoeker met een begin van bewijsstukken aannemelijk heeft gemaakt dat de situatie nu anders is. Het college wil een slotbalans van verzoeker ontvangen om geheel zeker te stellen dat er geen inkomsten meer zijn uit kluswerkzaamheden. Een dergelijk bewijsstuk zal in de bezwaarfase nog verstrekt kunnen worden. De voorzieningenrechter lijkt het raadzaam om in een hoorzitting te bespreken wat het college hierbij precies van verzoeker verwacht en hoe de slotbalans er uit moet komen te zien volgens het college, zodat verzoeker met zijn gemachtigde kan bezien hoe een dergelijk stuk kan worden aangeleverd.
4.3.
Uit het feit dat het bezwaar tegen het bestreden besluit 1 een redelijke kans van slagen heeft, volgt logischerwijs dat ook het bezwaar tegen het bestreden besluit 2 een redelijke kans van slagen heeft. Met het bestreden besluit 2 is de aanvraag van verzoeker afgewezen onder verwijzing naar het bestreden besluit 1. Daaruit vloeit logischerwijs voort dat de voorzieningenrechter ook twijfelt aan de rechtmatigheid van het bestreden besluit 2.
Belangenafweging
5.
5.1.
De voorzieningenrechter weegt de belangen van verzoeker die pleiten vóór het treffen van voorlopige voorzieningen en de belangen van het college die pleiten tegen het treffen daarvan, aan de hand van de gronden van verzoeker als volgt af.
5.2.
Het belang van het college is dat er geen bijstandsuitkeringen worden verstrekt aan personen die daar geen recht op hebben. Het gaat om gemeenschapsgeld en daarmee moet zorgvuldig worden omgegaan. Verzoekers belang is dat hij wordt behoed voor een financiële noodsituatie. Verzoekers bijstandsuitkering is beëindigd en ingetrokken. Na het laatste voorschot dat op 1 oktober 2024 aan verzoeker is verstrekt, leeft verzoeker sinds 1 november 2024 zonder een bijstandsuitkering. Verzoeker stelt geen andere bronnen van inkomsten te hebben en dit acht de voorzieningenrechter gelet op hetgeen hierboven is overwogen over de eerdere inkomsten uit kluswerkzaamheden aannemelijk. Daarmee is niet onaannemelijk dat een financiële noodsituatie dreigt. Gelet op deze omstandigheden en op het feit dat de bezwaren een redelijke kans van slagen hebben, weegt het belang van verzoeker bij het treffen van een voorlopige voorziening zwaarder dan het belang van het college.
Conclusie
6.
6.1.
De voorzieningenrechter wijst de verzoeken toe en bepaalt dat aan verzoeker vanaf 1 november 2024 voorschotten moeten worden verstrekt naar de voor hem geldende bijstandsnorm tot zes weken na de bekendmaking van de beslissing op bezwaar. De besluiten van 21 november 2024 en 2 december 2024 zijn geschorst tot zes weken na bekendmaking van de beslissing op bezwaar.
6.2.
Omdat de voorzieningenrechter de verzoeken toewijst moet het college het griffierecht aan verzoeker vergoeden. Daarom krijgt verzoeker ook een vergoeding van zijn proceskosten. Het college moet deze vergoeding betalen. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt verzoeker een vast bedrag per proceshandeling. De gemachtigde heeft twee verzoekschriften ingediend en aan de zitting deelgenomen. Elke proceshandeling heeft een waarde van € 875,-. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 2.625,-.
6.3.
Partijen zijn erop gewezen dat tegen deze mondelinge uitspraak geen hoger beroep of verzet openstaat.
Dictum
De voorzieningenrechter:
- schorst de primaire besluiten tot zes weken na bekendmaking van de beslissing op bezwaar;
- bepaalt dat aan verzoeker vanaf 1 november 2024 voorschotten moeten worden verstrekt naar de voor hem geldende bijstandsnorm tot zes weken na de bekendmaking van de beslissing op bezwaar;
- bepaalt dat het college het griffierecht van € 102,- aan verzoeker moet vergoeden;
- veroordeelt verweerder tot betaling van € 2.625,- aan proceskosten aan verzoeker.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 16 december 2024 door
mr. H.J.M. Baldinger, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van
mr. G. Santos 't Hoen, griffier.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.