Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2024-12-16
ECLI:NL:RBAMS:2024:8004
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
3,006 tokens
Inleiding
RECHTBANK AMSTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 24/1272
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 16 december 2024 in de zaak tussen
[eiser], uit Amsterdam, eiser
(gemachtigde: mr. P. Metgod),
en
de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, de minister
(gemachtigde: mr. A. van der Klugt).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzingen van de verklaring van geen bezwaar (VGB).
1.1.
Eiser heeft hier beroep tegen ingesteld. De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep op 4 november 2024 op zitting behandeld. Hieraan heeft de gemachtigde van eiser deelgenomen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door bovengenoemde gemachtigde.
Wat aan deze procedure voorafging
2. Op 6 maart 2023 heeft [bedrijf 1] eiser aangemeld bij de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (AIVD) voor een veiligheidsonderzoek in verband met facilitaire werkzaamheden op de burgerluchthaven van Schiphol.
3. Op 30 mei 2023 heeft [bedrijf 2], eiser ook aangemeld bij de AIVD voor een veiligheidsonderzoek voor de functie van productiemedewerker. Beide aanmeldingen betreffen een vertrouwensfunctie in verband met werkzaamheden op het beschermde gebied van Schiphol, waarvoor een VGB verplicht is.
4. De minister heeft beide aanvragen met het besluit van 13 juli 2023 afgewezen. De VGB wordt in beide gevallen geweigerd op basis van justitiële gegevens. Met het bestreden besluit van 15 januari 2024 op het bezwaar van eiser is de minister bij de afwijzingen van de VGB gebleven.
5. De minister heeft in de afwijzing voor de VBG meegewogen dat eiser op 20 mei 2021 is veroordeeld voor het op 21 mei 2017 opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder A van de Opiumwet gegeven verbod, te weten de uitvoer van ruim 22 kg hasjiesj. Hij is hiervoor veroordeeld tot een gevangenisstraf van 11 dagen en een werkstraf van 180 uren subsidiair 90 dagen hechtenis.
Beoordeling
6. De rechtbank beoordeelt de afwijzingen van de VGB. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser.
7. De rechtbank is van oordeel dat de minister in beide gevallen de VGB terecht heeft afgewezen. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Juridisch kader
8. Op grond van artikel 8 Wet veiligheidsonderzoeken (Wvo) kan een VGB worden geweigerd indien onvoldoende waarborgen aanwezig zijn dat de betrokkene onder alle omstandigheden de uit de vertrouwensfunctie voortvloeiende plichten getrouwelijk zal volbrengen. Om te beoordelen of de VGB kan worden verstrekt, dient het veiligheidsonderzoek in beginsel inzicht te verschaffen in het doen en laten gedurende een periode van ten minste acht jaar voorafgaand aan de datum van de aanmelding voor het onderzoek. Daarbij wordt onder meer gelet op justitiële en strafvorderlijke gegevens.
9. De werkzaamheden voor de vertrouwensfuncties waar eiser op heeft gesolliciteerd, dienen te worden vervuld op de burgerluchthaven Schiphol. Om deze reden is ook de Beleidsregel vertrouwensfuncties en veiligheidsonderzoeken op burgerluchthavens (Beleidsregel burgerluchthavens) van toepassing. In deze beleidsregel worden in artikel 1 strafbare feiten genoemd waarop in het bijzonder moet worden gelet bij de beoordeling of een VGB kan worden afgegeven. Zo staat in artikel 1, tweede lid, aanhef en onder b van de Beleidsregel burgerluchthavens dat in het bijzonder wordt gelet op gegevens betreffende handel in grotere hoeveelheden softdrugs. Er wordt hier een zelfde gedragslijn gehanteerd als die van de Beleidsregel veiligheidsonderzoeken 2021 (Beleidsregel veiligheidsonderzoeken). Deze geeft invulling aan het veiligheidsonderzoek en waar in het veiligheidsonderzoek op moet worden gelet. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft het niet onredelijk geacht om voor vertrouwensfuncties op burgerluchthavens dezelfde uitgangspunten te hanteren als in de Beleidsregel veiligheidsonderzoeken.
De te beoordelen gegevens
10. Eiser voert allereerst aan dat de minister onvoldoende rekening heeft gehouden met de feiten en omstandigheden van het geval. De minister heeft volgens eiser onvoldoende blijk gegeven van een juiste beoordeling van de aspecten zoals deze volgen uit artikel 1, eerste lid, van de Beleidsregels burgerluchthavens en dan met name: de aard en ouderdom van de gegevens, de zwaarte van de straf en het aantal vastgelegde gegevens.
10. Eiser is weliswaar op 20 mei 2021 veroordeeld voor het delict, maar inmiddels is sinds de pleegdatum van 21 mei 2017 zeven jaar verstreken. Bovendien is dit het enige strafbare feit op de justitiële documentatie van eiser. Verder is bij het opleggen van de strafmaat rekening gehouden met de specifieke persoonlijke omstandigheden van eiser (het overlijden van zijn broer, moeder en vader in zeer korte tijd en de acute geldnood om de begrafeniskosten te voldoen). Bij de strafoplegging is sterk naar beneden afgeweken van de Richtlijn voor strafvordering Opiumwet softdrugs. Hier kan volgens eiser uit worden afgeleid dat de ernst van het vergrijp dan wel de mate waarin het eiser aangerekend is, beperkt is. De zwaarte van de aan eiser opgelegde straf, dient in het voordeel van eiser meegewogen worden.
12. De rechtbank volgt eiser niet in zijn standpunt en is van oordeel dat de minister wel blijk heeft gegeven van de juiste beoordeling van de genoemde aspecten. Zo heeft zij gekeken naar alle door eiser aangehaalde feiten en omstandigheden en al deze aspecten gewogen. Dit heeft zij ook op de zitting nogmaals toegelicht. Desalniettemin heeft deze beoordeling negatief voor eiser uitgepakt. Dat de minister niet dezelfde waarde heeft toegekend aan de feiten en omstandigheden als eiser, maakt niet dat de belangenafweging onvolledig dan wel onjuist is geweest.
Motivering
13. De minister mag tot acht jaar voorafgaand aan het veiligheidsonderzoek terugkijken, dit is tot 2015. De pleegdatum van 21 mei 2017 valt dus binnen deze beoordelingsperiode. Als zware straf, wordt door de Beleidsregel Burgerluchthavens een taakstraf van 40 uur aangemerkt. De aan eiser opgelegde straf is ruim vier keer zoveel. Ondanks dat bij de oplegging van de straf de persoonlijke omstandigheden van eiser ten tijde van het plegen van het delict zijn meegewogen, heeft dit geleid tot genoemde strafoplegging. De opgelegde straf overstijgt nog steeds ruimschoots de norm. Bovendien wordt het door eiser gepleegde delict ook specifiek genoemd als gegevens waar in het bijzonder op wordt gelet bij de beoordeling.
14. Daarnaast is ook van belang dat de functies waar eiser op heeft gesolliciteerd zogeheten vertrouwensfuncties zijn. Verweerder heeft bij de beoordeling eiser de omstandigheid kunnen tegenwerpen dat hij de vraag of hij ooit in aanraking is geweest met de politie en justitie ontkennend heeft beantwoord. Voor een vertrouwensfunctie is het juist van belang dat eiser eerlijk is. Dit samengenomen met de ernst van het feit, de locatie waar dit feit gepleegd is (namelijk op Schiphol) en de connexiteit met de functie van eiser is het voor de rechtbank goed te volgen waarom de minister in het geval van eiser negatief heeft besloten op toekenning van de VGB.
Belangenafweging
15. Op zitting heeft de minister toegelicht dat al deze aspecten samen worden gewogen, maar dat elk van deze aspecten een eigen zwaarte heeft. Het ene aspect kan positief wegen, terwijl een ander aspect negatief en ook zwaarder kan wegen. Er zijn in onderhavige zaak ook zeker aspecten die positief hebben meegewogen voor eiser: onderhavige strafbare feit is het enige feit op zijn justitiële documentatie en eiser is sindsdien (gedurende zeven jaar) niet meer in aanraking gekomen met politie en justitie. Maar alles tegen elkaar afwegend heeft de minister het belang van de nationale veiligheid boven het persoonlijk belang van eiser gezet.
16. De rechtbank kan de belangenafweging van verweerder goed volgen en ziet dat deze zorgvuldig is gemaakt en gemotiveerd. De minister mocht naar het oordeel van de rechtbank een zwaarder belang hechten aan de nationale veiligheid dan aan de persoonlijke belangen van eiser. De rechtbank begrijpt dat eiser moeilijke persoonlijke omstandigheden heeft doorgemaakt en dat hij na een medische ingreep lastiger een baan kan vinden. Hierdoor heeft hij ook financiële zorgen. Tegelijkertijd weegt dit onvoldoende op tegen de belangen van de nationale veiligheid. Eiser is veroordeeld voor een fors delict, namelijk de uitvoer van 22 kg hasjiesj op Schiphol. Hij heeft zich kwetsbaar getoond om onder persoonlijke omstandigheden dit feit te begaan. Het risico bestaat dat eiser onder (persoonlijke) omstandigheden in een vertrouwensfunctie opnieuw een dergelijk feit zal begaan. Verweerder heeft daarbij terecht overwogen dat het gaat om een vertrouwensfunctie op een burgerluchthaven, wat een knooppunt is van grensoverschrijdende bewegingen van mensen en goederen, waarbij veel mogelijkheden zijn om financieel voordeel te behalen door de wet te overtreden. Daarnaast is de impact van dit besluit relatief gering, de vertrouwensfuncties betreffen immers maar twee procent van alle functies op Schiphol. Het is ook niet zo dat eiser een relevante opleiding heeft gevolgd die hij door de weigering van de VGB niet in de praktijk kan brengen. Als eiser graag op Schiphol wil werken, kan hij alsnog solliciteren voor een niet-vertrouwensfunctie.
17. Ten overvloede merkt de rechtbank op dat ter zitting ter sprake is gekomen dat als eiser graag een vertrouwensfunctie op Schiphol wil vervullen hij zodra de termijn van acht jaar is verlopen, altijd opnieuw kan proberen een VGB te verkrijgen. De minister kan niets garanderen, het gepleegde feit is gelet op de aard en omvang nog steeds relevant, maar dit zal dan niet meer zo zwaar mee kunnen wegen als in onderhavige zaak.
Conclusie
18. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.A.W. Jansen, rechter, in aanwezigheid van mr. F. van der Maas, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 16 december 2024.
Griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Artikel 7, tweede lid onder a, van de Wvo.
Stcrt. 1997, nr. 35.
Artikel 1 van de Beleidsregel.
Artikel 7 van de Wvo.
ECLI:NL:RVS:2014:1739.
2018R013.
Artikel 1, eerste lid en onder d, van de Beleidsregel Burgerluchthavens.
Zie artikel 1, tweede lid, van de Beleidsregel Burgerluchthavens.