Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2024-12-12
ECLI:NL:RBAMS:2024:7783
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,861 tokens
Inleiding
RECHTBANK AMSTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 24/4517
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 12 december 2024 in de zaak tussen
[eiser] , uit Amsterdam, eiser,
en
de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, verweerder
(gemachtigde: mr. M. Santing).
Inleiding
In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet-ontvankelijk verklaren van zijn bezwaar.
Met het primaire besluit van 26 maart 2024 heeft verweerder het door eiser te betalen maandelijkse aflosbedrag van zijn studieschuld vastgesteld op € 510,42. Eiser heeft een bezwaarschrift, gedateerd 7 mei 2024, ingediend. Verweerder heeft dit bezwaarschrift op 15 mei 2024 ontvangen. Met het bestreden besluit van 19 juli 2024 heeft verweerder het bezwaar van eiser niet-ontvankelijk verklaard, omdat eiser niet tijdig bezwaar heeft gemaakt.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 december 2024. Eiser was aanwezig, vergezeld door zijn vrouw. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Totstandkoming van de besluiten
1. Eiser heeft in het verleden studiefinanciering ontvangen op grond van de Wet studiefinanciering 2000. Hierdoor heeft eiser een studieschuld opgebouwd die hij moet terugbetalen. Op 1 januari 2024 moest eiser nog € 56.602,62 terugbetalen. Verweerder heeft op 26 maart 2024 van de gemeente vernomen dat eiser is getrouwd.
2. Met het primaire besluit heeft verweerder het af te lossen maandbedrag voor de periode van april 2024 tot en met december 2024 op grond van een draagkrachtberekening vastgesteld op € 510,42 per maand. Verweerder heeft daarbij het inkomen van eiser en zijn partner betrokken. Eiser heeft tegen deze vaststelling bezwaar gemaakt. Verweerder heeft dit bezwaar niet-ontvankelijk verklaard, omdat eiser niet binnen zes weken bezwaar heeft gemaakt tegen het primaire besluit. Volgens verweerder is de termijnoverschrijding niet verschoonbaar, omdat eiser geen geldige reden heeft gegeven voor zijn te late bezwaar.
Beoordeling
3. De rechtbank beoordeelt de vraag of verweerder het bezwaar terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard, omdat dit te laat is ingediend.
4. Voor het indienen van een bezwaarschrift geldt een termijn van zes weken. Deze termijn begint op de dag na de dag waarop het besluit op de wettelijk voorgeschreven wijze is bekendgemaakt. Dat is in dit soort gevallen de dag na de dag waarop het besluit is toegezonden. Een bezwaarschrift is op tijd ingediend wanneer het voor het einde van de termijn is ontvangen. Wanneer het bezwaarschrift (aangetekend of niet-aangetekend) met de gewone post wordt verstuurd, is het bij ontvangst na het einde van de termijn onder voorwaarden ook tijdig ingediend. Die voorwaarden zijn dat het bezwaarschrift vóór het einde van de termijn op de post is gedaan én het niet later dan een week na afloop van de termijn is ontvangen. Als iemand een bezwaarschrift te laat indient, is het bezwaar niet-ontvankelijk. Dat is alleen anders als het niet tijdig indienen van het bezwaarschrift verschoonbaar is.
5. Naar het oordeel van de rechtbank is het bezwaarschrift te laat ingediend. De rechtbank stelt vast dat het primaire besluit is gedateerd 26 maart 2024. De bezwaartermijn is dan ook aangevangen op 27 maart 2024 en geëindigd op 7 mei 2024. Verweerder heeft het bezwaarschrift van eiser pas op 15 mei 2024 ontvangen. Dit is meer dan een week na afloop van de termijn. Voor zover eiser heeft gesteld dat hij het bezwaarschrift tijdig op de post heeft gedaan, kan hem dit enkel om die reden al niet baten. Verder heeft eiser ook niet aannemelijk gemaakt dat hij het bezwaarschrift op 7 mei 2024 op de post heeft gedaan. Op de envelop staat namelijk een poststempel met de datum 10 mei 2024. De enkele stelling van eiser dat hij die dag niet in Nederland was en dat dit mogelijk komt vanwege Hemelvaartsdag, volgt de rechtbank niet. Hieruit kan namelijk ook niet de conclusie worden getrokken dat eiser het bezwaarschrift al eerder op 7 mei 2024 op de post heeft gedaan.
6. Verweerder heeft eiser met de brieven van 3 juni 2024 en 14 juni 2024 in de gelegenheid gesteld om de reden te geven voor de termijnoverschrijding. Eiser heeft niet op deze brieven gereageerd. Verweerder heeft dan ook geen enkele aanleiding hoeven te zien om de termijnoverschrijding verschoonbaar te achten. Eiser heeft aangevoerd dat hij niet in staat was om op de brieven van verweerder te reageren omdat hij en zijn echtgenote het in deze periode druk hadden met de verzorging van zijn ernstig zieke schoonmoeder en moeder. De rechtbank kan zich voorstellen dat deze omstandigheden maken dat het lastig is voor eiser om zijn administratie goed op orde te houden, maar wat eiser aanvoert is onvoldoende. Verweerder heeft eiser tot 15 juli 2024 de tijd gegeven om een reden te geven voor de termijnoverschrijding. De rechtbank vindt dat van eiser kan worden verwacht dat hij binnen die termijn reageert, ook als hij voor zijn ernstig zieke moeder en schoonmoeder moet zorgen. Het is namelijk de eigen verantwoordelijkheid van eiser om de brieven van verweerder goed te lezen en daar zo nodig tijdig op te reageren. Van dusdanige omstandigheden dat hij daartoe niet in staat was, is niet gebleken.
7. Gelet op het voorgaande is niet gebleken dat de termijnoverschrijding verschoonbaar is zodat verweerder het bezwaar terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. De rechtbank komt hierdoor niet toe aan een verdere inhoudelijke beoordeling van de zaak, hoewel daarover op de zitting nog wel is gesproken. De rechtbank wijst erop dat verweerder op de zitting eiser uitgebreid heeft geïnformeerd over de mogelijkheden om tot een ander af te lossen maandbedrag te komen.
Conclusie
8. Het beroep is ongegrond. Voor een vergoeding van het griffierecht bestaat bij deze uitkomst geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.M. Hansen-Löve, rechter, in aanwezigheid van mr. N.J.A. van Eck, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 12 december 2024.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Dit volgt uit artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht (de Awb).
Dit volgt uit artikel 6:8, eerste lid, van de Awb.
Dit volgt uit artikel 6:9, eerste lid, van de Awb.
Onder gewone post wordt verstaan door PostNL of door ieder ander bij de Autoriteit Consument en Markt geregistreerd postvervoerbedrijf.
Dit volgt uit artikel 6:9, tweede lid, van de Awb.
Dit volgt uit artikel 6:11 van de Awb.