Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2024-12-13
ECLI:NL:RBAMS:2024:7765
Bestuursrecht; Omgevingsrecht
Eerste aanleg - meervoudig
6,658 tokens
Inleiding
RECHTBANK AMSTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummers: AMS 23/6317, 23/6476 en 23/6515 T
tussenuitspraak van de meervoudige kamer van 13 december 2024 in de zaak tussen
[eisers 1] ,
[eisers 2]
, en
[eisers 2]
(gemachtigde: mr. M. Abdelkader),
allen uit Amsterdam, eisers
en
het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam, verweerder
(gemachtigde: mr. E. van Bennekom).
Als derde-partij nemen aan de zaak deel: [vergunninghouders] uit Amsterdam, vergunninghouders.
Eisers worden hierna afzonderlijk [eisers 1] , [eisers 2] en [eisers 2] , en gezamenlijk eisers genoemd. Verweerder wordt in deze uitspraak het college genoemd en vergunninghouders (ook) [vergunninghouders] .
Inleiding
In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de beroepen van eisers tegen een aan [vergunninghouders] verleende omgevingsvergunning voor het vervangen van de oude woonark door een nieuw te bouwen woonark met bestemming daarvan tot drie zelfstandige woningen, waarbij de bestaande steiger wordt verkleind en een tweede toegangssteiger en twee afmeerpalen worden geplaatst op de locatie [adres 1] [huisnummer 1] in Amsterdam (de omgevingsvergunning).
Met het besluit van 31 januari 2023 heeft het college [vergunninghouders] de omgevingsvergunning verleend.
Met de bestreden besluiten van 26 september 2023 op de bezwaren van eisers is het college bij dat besluit gebleven. [eisers 1] , [eisers 1] en [eisers 2] hebben daar ieder afzonderlijk beroep tegen ingesteld.
Het college heeft op de beroepen gereageerd met een verweerschrift. [vergunninghouders] heeft ook schriftelijk gereageerd.
De rechtbank heeft het beroep op 26 november 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eisers, de gemachtigde van [eisers 2] , vergezeld door zijn kantoorgenoot mr. L. Molenaars, de gemachtigde van het college en vergunninghouders.
Voorafgaand aan de zitting heeft een onderzoek ter plaatse (descente) plaatsgevonden. Hierbij waren aanwezig [eisers 1] , [eisers 2] , [eisers 2] , de gemachtigde van [eisers 2] en zijn kantoorgenoot. Ook waren de gemachtigde van het college en vergunninghouders aanwezig.
Totstandkoming van het bestreden besluit
1. Op 12 oktober 2022 heeft [vergunninghouders] bij het college een aanvraag om een omgevingsvergunning ingediend.
2. Met het besluit van 31 januari 2023 heeft het college de omgevingsvergunning aan [vergunninghouders] verleend. De omgevingsvergunning ziet op de activiteiten ‘bouwen van een bouwwerk’ en ‘gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een planologische regeling’.
3. Eisers wonen nabij de projectlocatie en hebben tegen het besluit van het college bezwaar gemaakt. [eisers 1] woont op [adres 1] [huisnummer 2] , [eisers 2] op [adres 2] [huisnummer 3] en [eisers 2] op [adres 2] [huisnummer 4] .
4. Met de bestreden besluiten heeft het college de bezwaren van eisers ongegrond verklaard. Daaraan ligt een advies van de bezwaarschriftencommissie (de commissie) van 23 september 2023 ten grondslag. Op de projectlocatie geldt het bestemmingsplan ‘ [bestemmingplan] ’ (bestemmingplan) en het paraplubestemmingsplan ‘ [paraplubestemmingsplan] ’ (paraplubestemmingsplan). Het project is gesitueerd op de enkelbestemming ‘ [enkelbestemming] ’ en de dubbelbestemming ‘ [dubbelbestemming] ’ van het bestemmingsplan. Volgens de commissie blijft het bouwplan binnen het in het bestemmingsplan aangegeven aanduidingsvlak ‘Woonschepenligplaats’ (aanduidingsvlak). Vanaf de plaats waar de oever overgaat in het water is het aanduidingsvlak 12,2 meter. De woonark van 11,8 meter blijft daar binnen. De commissie concludeert in het advies dat bezwaren ten aanzien van een goede ruimtelijke ordening, privacy, woongenot en lichtinval geen rol kunnen spelen, nu de omvang van de ark met de wooneenheden in het bestemmingsplan past. Bij het opstellen van het bestemmingsplan is al een belangenafweging gemaakt. Hierbij zijn ook de belangen van omwonenden, zoals die ten aanzien van privacy, lichtinval en woongenot, meegenomen. Het bouwplan is wel in strijd met het bestemmingsplan voor zover op de gronden met dubbelbestemming ‘ [dubbelbestemming] ’ gebouwd wordt. Het bouwverbod dat daar geldt heeft betrekking op waterkundige aspecten. Het college kan hiervan binnenplans afwijken, omdat het Waterschap Amstel, Gooi en Vecht positief geadviseerd heeft over het bouwplan met het maatwerkbesluit van 7 oktober 2022.
Beoordeling
5. Per 1 januari 2024 is de Wabo ingetrokken en is de Omgevingswet in werking getreden. Omdat vóór die datum de aanvraag om de omgevingsvergunning is ingediend, is in deze zaak de Wabo met de onderliggende regelingen nog van toepassing. Dit volgt uit het overgangsrecht van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet.
6. De rechtbank beoordeelt of het college in redelijkheid een omgevingsvergunning verleend heeft aan [vergunninghouders] . Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eisers.
Nadere stukken college
7. De gemachtigde van het college heeft op 22 november 2024 per e-mail een nadere reactie ingediend, met als bijlage twee luchtfoto’s met het onderschrift ‘waterkavelkaart 24 maart 2004’ en ‘plankaart 4 september 2008’. [eisers 2] en [eisers 2] hebben zich op de zitting op het standpunt gesteld dat deze stukken onredelijk laat zijn ingediend en dat dit in strijd is met de goede procesorde. Zij hadden een deskundige willen inschakelen om deze stukken te beoordelen en/of in reactie hierop een eigen kaart in willen brengen en hebben hier niet genoeg tijd voor gehad. Dit standpunt kan de rechtbank volgen. De rechtbank laat de reactie en de stukken die het college op 22 november 2024 heeft ingediend om die reden buiten beschouwing.
Is het aanduidingsvlak juist vastgesteld?
8. Op het gedeelte van het [adres 1] waar het bouwplan gerealiseerd wordt bevindt zich – van west naar oost – een trottoir, een fietspad, een strook met groen op een platte ondergrond waar onder andere struiken, en daartussen lantaarnpalen en een elektriciteitskast staan en een schuin hellend vlak dat doorloopt in het water . De strook met groen op de platte ondergrond noemt de rechtbank in deze uitspraak het plantsoen. Het schuin hellend vlak, waarnaar eisers ook wel refereren als het talud, noemt de rechtbank in deze uitspraak het schuine vlak.
9. Partijen zijn het erover eens – en ook de rechtbank onderschrijft dat – dat het aanduidingsvlak volgens de kaart die hoort bij het bestemmingsplan (plankaart) begint op de grens waar de bestemming ‘ [bestemming 1] ’ overgaat in ‘ [enkelbestemming] ’. In geschil is waar die grens precies ligt. Volgens eisers begint het aanduidingsvlak op de grens tussen het schuine vlak en het plantsoen. Volgens het college ligt de grens waar de oever overgaat in water , dat wil zeggen op het schuine vlak.
10. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) zijn de op de verbeelding aangegeven bestemming en de daarbij behorende planregels in onderlinge samenhang bepalend voor het antwoord op de vraag of een bouwplan in strijd is met het bestemmingsplan. Omwille van de rechtszekerheid dienen planregels zoveel mogelijk letterlijk te worden uitgelegd. De op de verbeelding aangeduide bestemming en de letterlijke tekst van de planregels zijn leidend. Aan een niet-bindende toelichting op een bestemmingsplan komt slechts betekenis toe, indien de planregels op zichzelf, noch in samenhang (de plansystematiek) duidelijk zijn. In een dergelijk geval kan de toelichting meer inzicht geven over de bedoeling van de gemeenteraad.
11. De rechtbank is van oordeel dat uit de plankaart, gelezen in samenhang met de planregels, volgt dat het plantsoen de bestemming ‘ [bestemming 2] ’ en het schuine vlak de bestemming ‘ [bestemming 1] ’ heeft, conform de lezing van het college. De grens tussen de bestemming ‘ [bestemming 1] ’ en de bestemming ‘ [enkelbestemming] ’ bevindt zich op het schuine vlak, op de watergrens. Waar het aanduidingsvlak zich bevindt is daarmee vast te stellen aan de hand van de plankaart en de regels van het bestemmingsplan. Daarom komt de rechtbank niet toe aan een duiding van de regels en de kaart via de toelichting van het bestemmingsplan of anderszins. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.
12. Op de plankaart zoals hieronder gekopieerd in figuur 1 is een strook met de bestemming ‘ [bestemming 2] ’ te zien. Het gaat om de lila strook. In deze strook staat op figuur 1 weliswaar ‘ [bestemming 1] ’ ( [bestemming 1] ), maar middels het kleine verbindingsstreepje is te zien dat deze duiding niet hoort bij de lila strook, maar bij de gele strook aan de rechterzijde. Verder is te zien dat de lila strook met de bestemming verkeer in drie stroken is gescheiden door lichtgrijze lijnen (zie de rode pijlen in figuur 1). De middelste strook is breder dan de twee stroken daarnaast. De strook rechts van de middelste strook is ongeveer even breed als de gele strook daar weer naast (met de bestemming ‘ [bestemming 1] ’). Ter plaatse van de linker lila strook is het trottoir, de middelste strook is het fietspad en de rechter strook is het plantsoen. Hieruit volgt dat de gele strook aan de rechterkant op de plankaart met de bestemming ‘ [bestemming 1] ’, het schuine vlak is dat boven water ligt.
Figuur 1
13. Dit komt overeen met wat de rechtbank ter plaatse heeft waargenomen. De rechtbank heeft aan de hand van een meting vastgesteld dat het schuine vlak tot aan het water (de gele strook) ongeveer net zo breed is (2,30 meter) als het plantsoen (2,25 meter, de rechter lila strook). Op de plankaart zijn verder op de rechter lila strook lantaarnpalen en een elektriciteitskast ingetekend. De rechtbank heeft ter plaatse geconstateerd dat de lantaarnpalen en de elektriciteitskast in het plantsoen staan. De voor ‘ [bestemming 2] ’ aangewezen gronden zijn volgens het bestemmingsplan (onder meer) bestemd voor plantsoenen, straatmeubilair, bermen en nutsvoorzieningen. Dit komt dus overeen met de geconstateerde situatie; er is een plantsoen met groene aanplant en daarop staan straatlantaarns en een elektriciteitskast. Verder zijn volgens het bestemmingsplan de voor ‘ [bestemming 1] ’ aangewezen gronden mede bestemd voor oevervoorzieningen. De rechtbank heeft gezien dat het schuine vlak inderdaad wordt gebruikt voor oevervoorzieningen, namelijk de verbinding tussen de woonboot en het vlakke plantsoen aan de wal.
14. [eisers 2] heeft zowel schriftelijk als op de zitting, aan de hand van zijn ligplaatsvergunning en de feitelijke afmetingen van zijn woonboot, toegelicht waarom hij van mening is dat op het schuine vlak de bestemming ‘ [enkelbestemming] ’ rust – en dit dus onderdeel is van het aanduidingsvlak – en op het plantsoen de bestemming ‘ [bestemming 1] ’. Deze berekening van [eisers 2] gaat ervan uit dat zijn woonboot tegen de buitenste rand van het aanduidingsvlak aanligt. De gemachtigde van het college heeft dit op de zitting weersproken. [eisers 2] heeft zijn aanname dat zijn woonboot tegen de rand van het aanduidingsvlak ligt niet met objectief bewijs onderbouwd. Dat [eisers 2] beschikt over een ligplaatsvergunning betekent niet dat zijn woonboot gebruik maakt van de volledige breedte van het aanduidingsvlak en dit blijkt ook niet uit de tekeningen bij die vergunning. Die tekeningen zijn niet in strijd met de uitleg die het college geeft aan de plankaart en de planregels. Het betoog en de berekening van [eisers 2] geven de rechtbank dan ook geen aanleiding om te concluderen dat de plankaart en planregels onduidelijk zijn of anders moeten worden uitgelegd dan geoordeeld in overweging 11 hiervoor.
15. Nu aan de hand van de plankaart en de regels van het bestemmingsplan vast te stellen is waar het aanduidingsvlak zich bevindt, komt de rechtbank als gezegd niet toe aan een interpretatie van de toelichting op het bestemmingsplan. De standpunten van partijen die zien op deze toelichting laat de rechtbank dus buiten beschouwing.
16. Anders dan eisers betogen is van een rechtsonzekere situatie geen sprake. Het aanduidingsvlak hangt immers niet af van een steeds wisselend waterpeil. In de plankaart staat met rode belijning aangegeven waar het aanduidingsvlak begint.
Conclusie
33. Zoals hiervoor is overwogen onder 31. is de omgevingsvergunning in strijd met artikel 2.7, derde lid, onder b, van het bestemmingsplan verleend, althans is niet gemotiveerd dat wel aan deze voorwaarde voor vergunningverlening is voldaan. Het bestreden besluit is in zoverre onvoldoende zorgvuldig voorbereid en/of onvoldoende deugdelijk gemotiveerd. Op grond van artikel 8:51a, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de rechtbank het bestuursorgaan in de gelegenheid stellen een gebrek in het bestreden besluit te herstellen of te laten herstellen. Op grond van artikel 8:80a van de Awb doet de rechtbank dan een tussenuitspraak. De rechtbank ziet aanleiding om het college in de gelegenheid te stellen het gebrek te herstellen. Dat herstellen kan hetzij met een aanvullende motivering, hetzij, voor zover nodig, met een nieuwe beslissing op bezwaar, na of tegelijkertijd met intrekking van het nu bestreden besluit. Om het gebrek te herstellen, moet het college:
motiveren welk waterschap de beheerder van de waterkering is en dus bevoegd is om voor de bouwwerkzaamheden een ontheffing te verlenen op de Keur;
motiveren of het maatwerkbesluit van het Waterschap Amstel, Gooi en Vecht van7 oktober 2022 gekwalificeerd kan worden als ontheffing op de Keur, en indien dat niet het geval is,
alsnog zorgdragen voor een ontheffing op de Keur van het daartoe bevoegde waterschap.
De rechtbank bepaalt de termijn waarbinnen het college het gebrek kan herstellen op acht weken na verzending van deze tussenuitspraak.
34. Het college moet op grond van artikel 8:51b, eerste lid, van de Awb én om nodeloze vertraging te voorkomen zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk binnen twee weken na verzending van deze uitspraak, meedelen aan de rechtbank of het gebruik maakt van de gelegenheid het gebrek te herstellen. Als het college gebruik maakt van die gelegenheid, zal de rechtbank eisers in de gelegenheid stellen binnen acht weken na verzending van deze uitspraak te reageren op de herstelpoging van het college. In beginsel, ook in de situatie dat het college de hersteltermijn ongebruikt laat verstrijken, zal de rechtbank zonder tweede zitting uitspraak doen op het beroep.
Procesverloop
36. De rechtbank houdt iedere verdere beslissing aan tot de einduitspraak op het beroep. Dat laatste betekent ook dat zij over de proceskosten en het griffierecht nu nog geen beslissing neemt.
Dictum
De rechtbank:
draagt het college op binnen twee weken na verzending van deze uitspraak de rechtbank mee te delen of het gebruik maakt van de gelegenheid het gebrek te herstellen;
stelt het college in de gelegenheid om binnen acht weken na verzending van deze tussenuitspraak het gebrek te herstellen met inachtneming van de overwegingen en aanwijzingen in deze tussenuitspraak;
houdt iedere verdere beslissing aan.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L. Sanders, voorzitter, en mr. T.L. Fernig - Rocour enmr. M.W. Speksnijder, leden, in aanwezigheid van mr.C.J. van ‘t Hoff, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 13 december 2024.
griffier
voorzitter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Tegen deze tussenuitspraak staat nog geen hoger beroep open. Tegen deze tussenuitspraak kan hoger beroep worden ingesteld tegelijkertijd met hoger beroep tegen de (eventuele) einduitspraak in deze zaak.
Artikel 2.1, eerste lid, onder a, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo).
Artikel 2.1, eerste lid, onder c, in samenhang met artikel 2.12, eerste lid, onder a, van de Wabo.
Artikel 2.7, tweede lid, van het bestemmingsplan.
Op grond van artikel 2.7, derde lid, van het bestemmingsplan.
Zie bijvoorbeeld de uitspraken van de Afdeling van 23 februari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:439 en 22 januari 2020, ECLI:NL:RVS:2020:211.
Zie de uitspraak van de Afdeling van 27 november 2019, ECLI:NL:RVS:2019:4006.
Zie de uitspraak van de Afdeling van 7 augustus 2024, ECLI:NL:RVS:2024:3201.
Artikel 2.5, eerste lid, van het bestemmingsplan.
Artikel 2.3, eerste lid, van het bestemmingsplan.
Aangegeven met de rode streep en de rode pijl op figuur 2. Figuur 2 geeft bouwtekening JMWA 0.2 weer.
Artikel 3.2, eerste lid, sub a, van het bestemmingsplan.
Figuur 3 is een vergroting van bouwtekening JMWA 0.1.
Pagina 30 van de toelichting op het bestemmingsplan.
Zie bijvoorbeeld een uitspraak van de Afdeling van 17 augustus 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2235, rechtsoverweging 6.
Artikel 1.20 van het paraplubestemmingsplan.
De verordening waarmee het waterschap het waterbeheer kan uitvoeren.
Artikel 2.7, derde lid, onder a van het bestemmingsplan.
Artikel 2.7, derde lid, onder b van het bestemmingsplan.
Waterschapsblad 2022 nr. 11288, 11 oktober 2022.
De kleur groen op deze kaart geeft het gebied aan dat onder het Hoogheemraadschap Rijnland valt.
De rechtbank verwijst naar de uitspraak van de Afdeling van 12 juni 2013, ECLI:NL:RVS:2013:CA2877.
Beoordeling
Deze belijning staat vast en fluctueert dus niet.
Worden de grenzen van het aanduidingsvlak overschreden?
17. [eisers 2] heeft verder aangevoerd dat uit de tekeningen bij de aanvraag van [vergunninghouders] blijkt dat het aanduidingsvlak met ongeveer 1,60 meter wordt overschreden. Als de uitleg van het college wordt gevolgd, betekent dit volgens [eisers 2] dat zijn woonboot nog zo’n twee meter verder het water in mag opschuiven. [eisers 2] stelt dat het bouwplan een totale breedte heeft van 13,80 meter en dus breder is dan het aanduidingsvlak, dat volgens bijlage A bij het bestemmingsplan (maar) 12,20 meter breed is. De rechtbank overweegt dat uit de tekeningen bij de aanvraag van [vergunninghouders] blijkt dat de totale breedte van het bouwplan inderdaad 13,80 meter bedraagt, maar dat hiervan twee meter is gelegen boven de bestemming ‘ [bestemming 1] ’ – want ter plaatse van het schuine vlak boven de watergrens – en dus buiten het aanduidingsvlak. Op grond van het bestemmingsplan is het toegestaan om de bestemmingsgrens met maximaal 2 meter te overschrijden ter plaatse van de bestemming ‘ [bestemming 1] ’ ten behoeve van de aanlanding van steigers en vlonders behorende bij een woonboot. In de bouwtekening bij het bouwplan is te zien dat het bouwplan van deze overschrijdingsmogelijkheid in het bestemmingsplan gebruik maakt. In figuur 3 is te zien dat de overschrijding van twee meter boven de bestemming ‘ [bestemming 1] ’ de toegangsvoorziening betreft. Dat betekent dat het bouwplan binnen het aanduidingsvlak 11,80 meter breed is en de maximale breedte van 12,20 meter niet overschrijdt. Hieruit volgt overigens niet dat de woonboot van [eisers 2] nog twee meter zou mogen opschuiven. Als gezegd staat immers niet vast dat zijn woonboot tegen de buitenste grens van het aanduidingsvlak ligt.
Figuur 2
Figuur 3
18. Dat de woonark blijft binnen het aanduidingsvlak en alleen de toegangsvoorziening de bestemmingsgrens overschrijdt wordt bevestigd in bouwtekening JMWA 0.1 die ten grondslag ligt aan de omgevingsvergunning en die is weergegeven in figuur 4 hieronder. Op deze tekening is het bouwplan weergegeven op het aanduidingsvlak.
Figuur 4
Tussenconclusie
19. Uit wat de rechtbank hiervoor heeft overwogen, volgt dat het aanduidingsvlak correct is vastgesteld. Het bouwplan blijft ook binnen de grenzen van het aanduidingsvlak. In deze zin is dan ook geen sprake van strijd met het bestemmingsplan. De beroepsgronden van eisers die hierop zien slagen daarom niet.
Breedte van de woonboot
20. [eisers 2] voert aan dat de in het bestemmingsplan opgenomen maximale breedte van de woonboot van 7 meter wordt overschreden.
21. Naar het oordeel van de rechtbank overschrijdt het bouwplan de maximale breedte niet. De rechtbank overweegt dat in de regels van het bestemmingsplan niet staat dat de woonark maximaal 7 meter breed mag zijn. Alleen al daarom heeft verweerder deze beperking terecht niet aangehouden. De breedte-regel staat alleen expliciet in de toelichting op het bestemmingsplan, onder verwijzing naar de beleidsregel Integrale Inrichtingscriteria oppervlaktewateren en kunstwerken (beleidsregel). De beleidsregel gold ten tijde van de vaststelling van het bestemmingsplan en is per 18 februari 2009 komen te vervallen. Het beleid is dus niet meer van toepassing. Het doel van die beleidsregel was het waarborgen van (ecologische) waterkwaliteit en het bewoonbaar houden van woonboten. Deze uitgangspunten zijn gewaarborgd in het bestemmingsplan, omdat daarin aanduidingsvlakken zijn vastgesteld en binnen die aanduidingsvlakken maximaal 80% bebouwd mag worden (80%-regel). Het bestemmingplan verzet zich dus niet tegen een woonboot van meer dan 7 meter breed, mits aan de 80%-regel wordt voldaan. Dat de 80%-regel is overschreden is door eisers niet gesteld en is ook niet gebleken.
Belemmering van de doorvaart en woongenot
22. Eisers voeren verder aan dat de doorvaart met de uitvoering van het bouwplan dusdanig verkleind wordt dat de blusboot niet meer bij hun woningen kan komen. Dit zorgt voor een gevaarlijke situatie. [eisers 1] voert daarnaast nog aan dat het bouwplan leidt tot een vermindering van zon- en lichtinval in haar woning, een hoger energieverbruik en een vermindering van privacy.
23. Deze gronden slagen niet. Als gezegd komt de woonboot, anders dan eisers veronderstellen, niet verder uit de wal dan het aanduidingsvlak toestaat en ook aan de overige bouwmaten uit het bestemmingsplan wordt voldaan. De afwijking van het bestemmingsplan heeft alleen betrekking op waterkundige redenen. Voor de maten van het aanduidingsvlak en de bouwmaten heeft bij de totstandkoming van het bestemmingsplan al een afweging plaatsgevonden, alsook over lichtinval en privacy aspecten. Hun eventuele gronden in dit kader hadden eisers in kunnen (en moeten) brengen in de procedure die kon worden gevoerd tegen het bestemmingsplan. De huidige procedure biedt daarvoor geen ruimte.
Toevoegen van woningen
24. [eisers 2] en [eisers 1] voeren aan dat het paraplubestemmingsplan niet toestaat dat woningen worden toegevoegd. Uit het paraplubestemmingsplan volgt namelijk dat een woning bestemd is voor de huisvesting van één afzonderlijk huishouden.
25. De rechtbank is van oordeel dat geen sprake is van strijd met het paraplubestemmingsplan. De verleende omgevingsvergunning ziet op de realisatie van drie zelfstandige woningen, dat wil zeggen voor één huishouden per woning. Aan de voorwaarde dat een woning bestemd is voor de huisvesting van één afzonderlijk huishouden wordt dus voldaan. Uit het paraplubestemmingsplan volgt niet dat op hetzelfde adres niet meerdere zelfstandige woningen gerealiseerd mogen worden.
26. Op de zitting heeft [eisers 2] zich nog op het standpunt gesteld dat het toevoegen van woningen in strijd is met het bestemmingsplan. Hij verwijst daarbij naar artikel 2.6 in combinatie met de definitie van ‘Woonboot’ in artikel 1.1 van het bestemmingsplan. Hieruit volgt dat een woonboot een vaartuig is, daaronder begrepen een object te water , dat hoofdzakelijk wordt gebruikt als of is bestemd tot woonverblijf. De voor ‘ [enkelbestemming] ’ aangewezen gronden zijn ter plaatse van de aanduiding ‘Woonschepenligplaats’ ligplaatsen voor woonboten met de daarbij behorende individuele steigers, vlonders, vlotten en bergingen. De rechtbank ziet in deze artikelen geen aanleiding om te oordelen dat op een woonboot slechts één huishouden mag wonen; het gebruik als woonverblijf sluit meerdere woningen niet uit. De omgevingsvergunning heeft geen betrekking op het gebruik van de woonboot anders dan als woonverblijf en [vergunninghouders] heeft op de zitting uitdrukkelijk weersproken dat hij de woningen op hotelmatige wijze of ten behoeve van short stay zal exploiteren.
Ontheffing van het waterschap
27. [eisers 1] en [eisers 2] voeren tot slot aan dat het college geen gebruik mocht maken van de mogelijkheid om binnenplans van het bestemmingsplan af te wijken. Het college heeft advies ingewonnen van het Waterschap Amstel, Gooi en Vecht, maar dit is niet het bevoegde waterschap. De projectlocatie ligt immers in het Hoogheemraadschap Rijnland. Daarvan is geen ontheffing op de Keur verkregen en dit is op grond van het bestemmingsplan wel vereist. Daarnaast ziet het advies alleen op de meerpalen en de toegangsvoorziening en niet op de woonark zelf.
28. De rechtbank overweegt dat uit het bebouwingsvoorschrift, opgenomen in artikel 2.7, tweede lid, van het bestemmingsplan, volgt dat op de voor ‘ [dubbelbestemming] ’ aangewezen gronden niet mag worden gebouwd.