Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2024-12-12
ECLI:NL:RBAMS:2024:7715
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
4,309 tokens
Inleiding
RECHTBANK AMSTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 23/240
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 12 december 2024 in de zaak tussen
[eiser] , uit Amsterdam, eiser
(gemachtigde: mr. G. Gabrelian),
en
de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, verweerder, hierna: DUO
(gemachtigde: mr. G.J.M. Naber).
Inleiding
1.1.
In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn aanvraag voor studiefinanciering op grond van de Wet studiefinanciering 2000 (Wsf 2000).
1.2.
Eiser heeft de Griekse nationaliteit. Eiser volgt de opleiding [opleiding] . Hij heeft een aanvraag ingediend voor toekenning van studiefinanciering op grond van de Wsf 2000. DUO heeft deze aanvraag met de primaire besluiten van 20 juli 2022 en 21 oktober 2022 afgewezen. Met het bestreden besluit van 25 januari 2023 op het bezwaar van eiser is DUO bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
1.3.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. DUO heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.4.
De rechtbank heeft het beroep op 6 december 2023 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, bijgestaan door [tolk] als tolk in de Griekse taal, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van DUO.
1.5.
De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst om de uitspraken van de Centrale Raad van Beroep (hierna: de Raad) af te wachten in een aantal soortgelijke zaken als die van eiser die op de zitting van 9 november 2023 zijn behandeld door de Raad. De Raad heeft op 29 februari 2024 uitspraak gedaan in drie van die zaken. De rechtbank heeft eiser op 30 augustus 2024 verzocht te laten weten welke gevolgen de uitspraken van de Raad volgens hem hebben in zijn zaak. Eiser heeft op 24 september 2024 schriftelijk gereageerd op dit verzoek. DUO heeft op 24 oktober 2024 schriftelijk gereageerd op de reactie van eiser.
1.6.
Partijen hebben de rechtbank toestemming gegeven om zonder nadere zitting uitspraak te doen. De rechtbank heeft het onderzoek gesloten.
Beoordeling
2.
2.1.
De rechtbank beoordeelt of DUO de studiefinanciering van eiser (gedeeltelijk) kon afwijzen. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser.
2.2.
De rechtbank is van oordeel dat het beroep ongegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Omvang van het geding
3.
3.1.
Uit de van toepassing zijnde wettelijke regels, die te vinden zijn in de bijlage bij deze uitspraak, volgt dat een student uit de Europese Unie die op de peildatum kan worden aangemerkt als migrerend werknemer als bedoeld in artikel 45 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) op grond van artikel 2.2, eerste lid, onderdeel b, van de Wsf 2000 in aanmerking kan komen voor studiefinanciering.
3.2.
Tussen partijen is in beroep in geschil of eiser in de maanden oktober 2021 tot en met december 2021 en februari 2022 tot en met mei 2022, de periode waarin eiser stage heeft gelopen bij Douwe Egberts B.V. (Douwe Egberts), als migrerend werknemer kan worden aangemerkt en hij in verband daarmee recht had op de aangevraagde studiefinanciering.
Uitgangspunten bij de beoordeling van een stage
Werknemerschap in de zin van artikel 45 van het VWEU
4.
4.1.
De rechtbank overweegt onder verwijzing naar de hierboven genoemde uitspraken van de Raad als volgt. Volgens vaste rechtspraak van het Europees Hof van Justitie (het Hof) heeft het begrip ‘werknemer’ een communautaire reikwijdte en omvat dit begrip eenieder die reële en daadwerkelijke arbeid verricht, met uitsluiting van werkzaamheden van zo geringe omvang dat zij louter marginaal en bijkomstig zijn. De nationale rechter moet dit beoordelen op basis van objectieve criteria en de specifieke omstandigheden van het geval. Hoofdkenmerk van de arbeidsverhouding is dat iemand gedurende een bepaalde tijd werkt onder het gezag van een ander en hiervoor betaald krijgt. Het inkomen hoeft niet boven het bestaansminimum te liggen en mag worden aangevuld met bijstand of studiefinanciering.
4.2.
Uit vaste rechtspraak van het Hof volgt dat personen die stage lopen ook als werknemers worden beschouwd, mits hun stage voldoet aan de voorwaarden die voor reële en daadwerkelijke arbeid in loondienst gelden. Volgens het Hof doet hier niet aan af dat de productiviteit laag is, stagiairs weinig uren werken of een geringe beloning ontvangen. Voorwaarde om de stagewerkzaamheden als reële en daadwerkelijke arbeid aan te merken is wel dat de stage voldoende uren omvat om beroepsbekwaamheid te ontwikkelen om met het werk vertrouwd te raken. De nationale regelgeving of de herkomst van de middelen waarmee de betrokkene wordt betaald is niet relevant.
Uitgangspunten bij de beoordeling van een stage
4.3.
Uit de rechtspraak van het Hof volgt dat een stagiair als migrerend werknemer kan worden beschouwd als hij tijdens zijn stage reële en daadwerkelijke arbeid verricht, niet zijnde werkzaamheden van zo geringe omvang dat zij marginaal en bijkomstig zijn, onder gezag van het stagebedrijf en met een vergoeding als tegenprestatie. Het leerdoel en de begeleiding tijdens de stage staan hieraan niet in de weg, mits de stagiair voldoende uren heeft gewerkt om vertrouwd te raken met het werk om te spreken van reële en daadwerkelijke arbeid.
4.4.
Indien het gaat om (de afwijzing van) een aanvraag voor studiefinanciering, rust de bewijslast op de aanvrager. Het is dan ook aan de student om met voldoende gegevens te komen om aan te tonen dat hij tijdens zijn stageperiode als migrerend werknemer kan worden beschouwd.
4.5.
Het bestaan van een arbeidsverhouding zal moeten blijken uit voldoende objectieve gegevens en een beoordeling van alle relevante omstandigheden. Een stageovereenkomst kan dienen als bewijs om een student als migrerend werknemer aan te merken, maar de stageovereenkomst moet dan wel concrete aanwijzingen bevatten dat reële en daadwerkelijke arbeid wordt verricht. Het bestaan van een gezagsverhouding is op zichzelf niet voldoende. De gezagsverhouding moet gericht zijn op werkzaamheden met een economische meerwaarde voor het bedrijf. Verder kunnen de hoogte van de vergoeding en de omvang van de uren relevant zijn, waarbij een vergoeding onder het minimum het werknemerschap niet uitsluit. Wel zal in zo’n situatie aan het bewijs als hiervoor bedoeld hoge eisen mogen worden gesteld.
4.6.
Als uit de stageovereenkomst niet duidelijk wordt welke werkzaamheden de stagiair zal verrichten, moet de stagiair nader objectief bewijs overleggen waaruit blijkt dat de activiteiten niet alleen gericht waren op leren, maar ook sprake was van productieve arbeid. Dat kan bijvoorbeeld zijn een vacaturetekst, een verklaring van de stagebegeleider of van collega’s binnen het bedrijf. Wanneer het stagebedrijf weigert een dergelijke verklaring te geven, is dit een omstandigheid die voor rekening van de aanvrager komt. Het is dan aan de aanvrager om op andere objectieve wijze inzicht te geven in de aard van de verrichte werkzaamheden.
4.7.
Het feit dat de stagevergoeding als sociaal verzekeringsloon wordt geregistreerd en de stagiair verzekerd is door de Ziektewet, leidt niet tot de conclusie dat de vergoeding een beloning is voor arbeid met een reële economische meerwaarde voor het bedrijf. Ook in dat geval zijn objectieve gegevens over de feitelijke inhoud van de stage nodig om dit aan te tonen.
Beoordeling
5.
5.1.
Eiser voert aan dat het beleid van DUO in strijd is met de uitleg van het Hof. Volgens eiser moeten zijn stagewerkzaamheden bij Douwe Egberts aangemerkt worden als reële en daadwerkelijke arbeid in de zin van het Unierecht. Ter onderbouwing van zijn aanvraag heeft eiser zijn stageovereenkomsten overgelegd met Douwe Egberts voor 40 uur per week tegen een maandelijkse vergoeding van € 500,- voor de periode van 17 mei 2021 tot en met 1 mei 2022. Daarnaast heeft eiser zijn studievoortgangen, salarisstroken, verzekeringsberichten van het UWV, zijn arbeidsovereenkomst met Douwe Egberts van 1 juni 2022 tot 31 mei 2023 en een verklaring van zijn manager bij Douwe Egberts overgelegd. Ter zitting bij de rechtbank heeft eiser een mondelinge verklaring afgelegd over de inhoud van de stages.
5.2.
In de door eiser overgelegde stageovereenkomsten met Douwe Egberts staat beschreven dat er sprake is van een stage in het kader van zijn opleiding om praktische ervaring op te doen binnen de afdelingen ‘ [afdeling 1] ’ en ‘ [afdeling 2] ’. De stageovereenkomsten bevat diverse elementen die wijzen op het bestaan van een gezagsverhouding, maar geen informatie over de inhoud van de stage. Beschreven wordt alleen dat het doel van de stage is het opdoen van enige praktijkervaring binnen het studieprogramma van eiser. Er is geen omschrijving van de te verrichten werkzaamheden voor Douwe Egberts. Waar de stage feitelijk uit bestaat valt naar het oordeel van de rechtbank niet af te leiden uit de stageovereenkomsten. Verder heeft eiser een verklaring van zijn manager bij Douwe Egberts overgelegd. Uit deze verklaring volgt dat eiser tijdens zijn stage nieuwe vaardigheden heeft opgedaan en heeft bijgedragen aan verschillende projecten door ondersteunende taken uit te voeren. Ook de verklaring van de manager van eiser bevat geen informatie over de inhoud van zijn stage bij Douwe Egberts.
5.3.
De mondelinge verklaring van eiser op de zitting over de inhoud van zijn stage is naar het oordeel van de rechtbank niet voldoende voor de conclusie dat tijdens de stage reële en daadwerkelijke arbeid is verricht. Eiser heeft desgevraagd verklaard dat zijn stage voor Douwe Egberts bestond uit het ontwikkelen van een algoritme voor statistieken voor de koffieconsumptie in verschillende landen, het analyseren van de producten en prijzen op de Belgische markt en het geven van presentaties tijdens vergaderingen. Doordat eiser geen nadere objectieve gegevens heeft overgelegd waar zijn gegeven toelichting bij aansluit, kan de rechtbank niet concluderen dat eiser tijdens zijn stage reële en daadwerkelijke arbeid voor Douwe Egberts heeft verricht. Ook niet in samenhang bezien met de overgelegde verzekeringsberichten van UWV, waaruit valt af te leiden dat de het stagebedrijf de stagevergoeding als SV-loon heeft verantwoord en eiser verzekerd was voor de Ziektewet.
5.4.
De conclusie uit het voorgaande is dat DUO eiser tijdens zijn stages bij Douwe Egberts niet als migrerend werknemer hoefde te beschouwen. Eiser heeft in de aan de orde zijnde periodes geen recht op studiefinanciering.
Conclusie
6.
6.1.
Het beroep is ongegrond. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L. Dolfing, rechter, in aanwezigheid van
mr. G. dos Santos 't Hoen, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op
12 december 2024.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving
Artikel 45 van het VWEU
Het verkeer van werknemers binnen de Unie is vrij.
Dit houdt de afschaffing in van elke discriminatie op grond van de nationaliteit tussen de werknemers der lidstaten, wat betreft de werkgelegenheid, de beloning en de overige arbeidsvoorwaarden.
Artikel 7, derde lid, aanhef en onder d van Richtlijn 2004/38/EG
3. Voor de toepassing van lid 1, onder a), behoudt een burger van de Unie die niet langer werknemer of zelfstandige is, in de volgende gevallen zijn status van werknemer of zelfstandige:
d) hij start met een beroepsopleiding. Behalve in geval van onvrijwillige werkloosheid is voor het behoud van de status van werknemer in dit geval een verband vereist tussen de voorafgaande beroepsactiviteit en deze opleiding.
Artikel 24 van Richtlijn 2004/38/EG
Onverminderd specifieke, in het Verdrag en het afgeleide recht uitdrukkelijk opgenomen bepalingen, geniet iedere burger van de Unie die op basis van deze richtlijn op het grondgebied van een gastland verblijft, binnen het toepassingsgebied van het Verdrag dezelfde behandeling als de onderdanen van dat gastland. Dit recht geldt ook voor familieleden die niet de nationaliteit van een lidstaat bezitten en die verblijfsrecht of duurzaam verblijfsrecht genieten.
In afwijking van lid 1 is het gastland niet verplicht een recht op sociale bijstand toe te kennen, gedurende de eerste drie maanden van verblijf of, in voorkomend geval de in artikel 14, lid 4, onder b), bedoelde langere periode, noch is het verplicht om vóór de verwerving van het duurzame verblijfsrecht steun voor levensonderhoud toe te kennen voor studies, inclusief beroepsopleiding, in de vorm van een studiebeurs of -lening, aan andere personen dan werknemers of zelfstandigen, of personen die deze status hebben behouden, en hun familieleden.
Artikel 1.2 van de Wsf 2000 (peildatum)
Voor de toepassing van het bepaalde bij of krachtens deze wet is bepalend de toestand op de eerste dag van de maand, tenzij anders is bepaald.
Artikel 2.2 van de Wsf 2000
1. Voor studiefinanciering kan een student in aanmerking komen die:
a. […]
b. niet de Nederlandse nationaliteit bezit maar wel ingevolge een verdrag of een besluit van een volkenrechtelijke organisatie op het terrein van de studiefinanciering met een Nederlander wordt gelijkgesteld, of
c. […]
2. Onverminderd het eerste lid, onderdeel b, kunnen bij algemene maatregel van bestuur groepen van personen worden aangewezen voor wie de gelijkstelling, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, slechts een tegemoetkoming in de kosten van de toegang tot het onderwijs betreft. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld met betrekking tot de hoogte en de vorm van deze tegemoetkoming.
Zie de uitspraken van de Raad van 29 februari 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:422, ECLI:NL:CRVB:2024:382 en ECLI:NL:CRVB:2024:408.
Zie de arresten [naam 1] , ECLI:EU:C:1992:87 en [naam 2] , ECLI:EU:C:2009:344.
Zie de arresten [naam 2] , [naam 3] , ECLI:EU:C:1986:223 en L.N, ECLI:EU:C:2013:97.
Zie de arresten [naam 4] , ECLI:EU:C:1986:284, [naam 5] , ECLI:EU:C:1992:89, [naam 6] , ECLI:EU:C:2002:694, [naam 7] , ECLI:EU:C:2005:187, [naam 8] en [naam 9] , ECLI:EU:C:2006:220 en [naam 10] , ECLI:EU:C:2015:455.
Zie de arresten [naam 4] , punt 21, [naam 5] , punt 16, [naam 6] , punt 33 en [naam 10] , punt 50.
Zie het arrest [naam 5] , punt 16.
Zie bijvoorbeeld de arresten [naam 4] , punt 22, en [naam 10] , punt 51.
Gelet op artikel 4:2, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Bijvoorbeeld bepalingen over tijden en uren van aanwezigheid, interne regels, geheimhouding, verlof en ziekmelding.
Zie de uitspraak van de Raad van 30 augustus 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:1681.
Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen.