Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2024-12-10
ECLI:NL:RBAMS:2024:7637
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
5,103 tokens
Inleiding
RECHTBANK AMSTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 23/4154
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 10 december 2024 in de zaak tussen
[eisers] en [eisers] , uit Amsterdam, eisers
(gemachtigde: [gemachtigde] ),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam, verweerder, hierna: het college
(gemachtigde: mr. D.A. Robinson).
Inleiding
1.1.
In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eisers tegen een bestuurlijke boete wegens de overtreding van artikel 23b van de Huisvestingswet 2014 (Hw) in samenhang met artikel 3.7.3 van de Huisvestingsverordening Amsterdam 2020 (Hvv).
1.2.
Eisers zijn eigenaren van de woning aan de [adres 2] [huisnummer] in Amsterdam (hierna: de woning). Eisers hebben een vergunning om de woning onder voorwaarden te gebruiken voor vakantieverhuur. Een van die voorwaarden is dat zij elke periode van vakantieverhuur vooraf bij het college meldt (de meldplicht). Het college heeft op basis van onderzoek geconcludeerd dat de woning meerdere keren is verhuurd in de periode van september 2020 tot en met oktober 2021, zonder dat eisers dit vooraf hebben gemeld.
1.3.
Met het primaire besluit van 6 april 2022 is aan eisers een bestuurlijke boete opgelegd van € 8.700,-. Met het bestreden besluit van 1 juni 2023 is het bezwaar van eisers gedeeltelijk gegrond verklaard en is de boete verlaagd naar € 3.000,- vanwege het matigingsbeleid. Voor het overige heeft het college het primaire besluit in stand gelaten.
1.4.
Eisers hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
1.5.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) heeft op 21 augustus 2024 geoordeeld dat het boeteregime dat het college hanteert bij overtredingen van de voorwaarden voor vakantieverhuur van woningen niet evenredig is en dat de boetetabel voor deze overtredingen onverbindend is. Het college heeft naar aanleiding van deze uitspraak het bestreden besluit gedeeltelijk herzien. Met het besluit van 15 oktober 2024 (het herziene besluit) wordt uitsluitend de hoogte van de boete gewijzigd en vastgesteld op € 750,- (25% van € 3000).
1.6.
Op grond van artikel 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft het beroep van eisers van rechtswege ook betrekking op het herziene besluit. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.7.
De rechtbank heeft het beroep op 5 november 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [eisers] , de gemachtigde van eisers en de gemachtigde van het college.
Beoordeling
2.
2.1.
De rechtbank beoordeelt of het college aan eisers een bestuurlijke boete van
€ 750,- mocht opleggen. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eisers.
2.2.
De rechtbank is van oordeel dat het college de bestuurlijke boete van € 750,- aan eisers kon opleggen. Omdat de procedure te lang heeft geduurd, matigt de rechtbank de hoogte van het boetebedrag met 10%. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Mocht het college eisers een boete opleggen?
3.
3.1.
Eisers stellen dat de boeteoplegging onrechtmatig is. Het gaat om een kleine vergissing met aanzienlijke financiële gevolgen. De geringe ernst van de overtreding rechtvaardigt geen boete. Een lichter middel, zoals een waarschuwing, zou passender zijn geweest. De gevolgen van het niet melden van de vakantieverhuur zijn volgens eisers niet afdoende kenbaar gemaakt en waren daarom niet voorzienbaar. De meldplicht als een voorwaarde van de vergunning is niet duidelijk gecommuniceerd door het college, aldus eisers.
3.2.
Voor zover eisers bedoelen te stellen dat het college niet bevoegd was om een bestuurlijke boete op te leggen, overweegt de rechtbank het volgende. De woning van eisers is zonder dat vooraf te melden aan het college voor vakantieverhuur in gebruik gegeven aan toeristen. Daarmee is artikel 23b, tweede lid, van de Hw in samenhang met artikel 3.7.3 van de Hvv overtreden. Dit betekent dat het college bevoegd was om een bestuurlijke boete op te leggen. Deze beroepsgrond slaagt niet.
3.3.
Voor zover het gaat om de onduidelijke communicatie over de meldplicht als voorwaarde van de vergunning overweegt de rechtbank als volgt. Eisers hebben bij besluiten van 31 augustus 2020 en 11 april 2021 een vergunning voor vakantieverhuur toegekend gekregen. In deze besluiten staat onder "Regels" onder andere het volgende:
"Daarnaast houdt u zich aan de volgende regels:
[…]
U meldt elke periode van vakantieverhuur vóóraf bij de gemeente, voordat uw gasten komen."
Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat het eisers redelijkerwijs duidelijk had moeten en kunnen zijn van de meldplicht. Niet kan worden gezegd dat het college jegens eisers te kort is geschoten in de communicatie. Deze beroepsgrond slaagt niet.
3.4.
Voor zover de gevolgen van overtreding van de meldplicht onvoldoende kenbaar en niet voorzienbaar waren overweegt de rechtbank het volgende. In beginsel kan en mag van iemand die zijn woning wil aanbieden voor vakantiehuur worden verwacht dat hij of zij zich op de hoogte stelt van de daarbij behorende regelgeving. In die regelgeving staat opgenomen welke gevolgen het overtreden van de meldplicht heeft. Dat bij de vergunningverlening niet aan eisers kenbaar is gemaakt welke gevolgen verbonden werden aan de meldingsplicht, leidt niet tot een ander oordeel. De rechtbank heeft geen aanknopingspunten voor het oordeel dat eisers niet in staat waren zich te verdiepen in de van toepassing zijnde regels of dat dat eisers destijds, voorafgaand aan de vakantieverhuur in september 2020 (tevergeefs) hebben geprobeerd om te achterhalen wat de gevolgen zijn van schending van de meldplicht. De rechtbank merkt tot slot op voor het geval eisers van mening zijn dat de regels onvoldoende duidelijk waren, dat het op hun weg had gelegen om zich daarover te laten informeren. Deze beroepsgrond slaagt niet.
3.5.
De rechtbank volgt eisers niet in hun betoog dat de overtreding ook had kunnen worden afgedaan met een lichter middel. Het college heeft toegelicht dat bij het vaststellen van dit beleid bewust niet is gekozen voor een waarschuwing vanwege de problematische woningmarkt en de gevolgen van leefbaarheid in Amsterdam. Het doel hiervan is een afschrikwekkende werking te creëren voor particulieren die hun woning willen verhuren aan toeristen zonder zich aan de voorwaarden te houden. Op deze manier kan controle worden gehouden over de woningvoorraad en wordt de vakantieverhuur in Amsterdam tot een aanvaardbaar niveau beperkt. Dit effect zou teniet worden gedaan als er telkens bij een eerste overtreding een waarschuwing werd gegeven, omdat overtreders dan de eerste controle zouden afwachten, wat zou leiden tot een toename van onrechtmatige toeristische verhuur. Gelet op het doel hiervan is een afschrikwekkende werking te creëren voor particulieren die hun woning willen verhuren aan toeristen zonder zich aan de voorwaarden te houden. Op deze manier kan controle worden gehouden over de woningvoorraad en wordt de vakantieverhuur in Amsterdam tot een aanvaardbaar niveau beperkt. De door het college geschetste omstandigheden en de met handhaving gediende belangen, is de rechtbank van oordeel dat het college van zijn bevoegdheid gebruik mocht maken om direct een bestuurlijke boete op te leggen wegens de geconstateerde overtreding.
Is de boete onevenredig?
4.
4.1.
Eisers voeren aan dat de boete onevenredig hoog is. De boete moet ongedaan worden gemaakt omdat het college juridische fouten heeft gemaakt. Het college heeft nadat eisers waren beboet, zijn handhavings- en toepasselijke boetebeleid voor een overtreding van de meldplicht tweemaal gewijzigd. Eisers voelen zich behandeld als criminelen door het college, terwijl zij enkel een kleine vergissing hebben gemaakt. Daar komt bij dat eisers zich aan alle overige vergunningsvoorschriften hebben gehouden. Ook hebben zij de buren altijd geïnformeerd over de vakantieverhuur.
4.2.
Hoewel de hoogte van de bestuurlijke boete bij wettelijk voorschrift is vastgesteld, dient de hoogte van de boete te worden getoetst aan artikel 5:46, derde lid, van de Awb. In dit artikel is bepaald dat het bestuursorgaan, indien de hoogte van de bestuurlijke boete bij wettelijk voorschrift is vastgesteld, niettemin een lagere bestuurlijke boete oplegt, indien de overtreder aannemelijk maakt dat de vastgestelde bestuurlijke boete wegens bijzondere omstandigheden te hoog is. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in haar uitspraak van 2 september 2020, kunnen een verminderde verwijtbaarheid, een beperkte ernst van een overtreding en een geringe financiële draagkracht worden aangemerkt als bijzondere omstandigheden, die aanleiding geven om een boete te matigen.
4.3.
In de door eisers geschetste omstandigheden ziet de rechtbank onvoldoende aanleiding om de boete van € 750,- te matigen. Het college heeft telkens de hoogte van de boete in het voordeel van eisers gewijzigd. Zoals hiervoor is overwogen is het college bevoegd gebleven om een boete op te leggen wegens overtreding van de meldplicht. De rechtbank ziet daarom geen grond voor het oordeel dat het college van deze bevoegdheid tot boeteoplegging in eisers geval af had moeten zien, ook niet als de rechtbank in ogenschouw neemt dat eisers het gevoel hebben dat zij als crimineel zijn behandeld. Overigens zijn er geen aanwijzingen dat het college zich onheus jegens hen heeft gedragen of uitgelaten. De meldplicht is een controlemiddel om vooraf te controleren of is voldaan aan het dertig dagen criterium. Door het niet te melden, bewust of onbewust, hebben eisers zich onttrokken aan de controlemogelijkheid van het college. Dat de buren volgens eisers geen overlast hebben ervaren en zij zich verder wel hielden aan de overige vergunningsvoorschriften, doet er niet aan af dat eisers de vakantieverhuur niet vooraf hebben gemeld bij het college.
4.4.
Verder is het de rechtbank niet van een verminderde verwijtbaarheid gebleken. Dat eiseres niet bekend waren met de regelgeving, is niet aan te merken als een bijzondere omstandigheid. Het college heeft uitgebreid toelicht dat eisers op de hoogte konden zijn van de meldplicht.
Conclusie
7.
7.1.
Het beroep is gegrond vanwege de overschrijding van de redelijke termijn. De rechtbank vernietigt daarom de hoogte van de boete zoals vastgesteld bij het herziene besluit en het bestreden besluit. De rechtbank. De rechtbank stelt, met toepassing van artikel 8:72a van de Awb de hoogte van de boete vast op € 675,- en bepaalt dat dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van de vernietigde beschikking.
7.2.
Omdat het beroep gegrond is, krijgen eisers een vergoeding van hun proceskosten. Deze kosten worden door de rechtbank begroot op € 285,66. Het college dient tot slot het door eisers betaalde griffierecht aan hen te vergoeden.
Dictum
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het herziene besluit van 15 oktober 2024 voor zover het de hoogte van de boete betreft;
- vernietig het bestreden besluit van 1 juni 2023 voor zover het de hoogte van de boete betreft;
- stelt de boete vast op € 675,- en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats komt van de vernietigde besluiten;
- bepaalt dat het college het griffierecht van € 184,- aan eisers moet vergoeden;
- veroordeelt het college tot betaling van € 285,66 aan proceskosten aan eisers.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.H. Waller, rechter, in aanwezigheid van
mr. G. dos Santos 't Hoen, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op
10 december 2024.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
De Beleidsregel matiging bestuurlijke boete Huisvestingsverordening en Leegstandsverordening.
Zie de uitspraak van de Afdeling van 21 augustus 2024, ECLI:NL:RVS:2024:3416.
De rechtbank vindt steun voor dit oordeel in overwegingen 4.3 en 4.4 in de uitspraak van de Afdeling van 23 oktober 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4280.
Zie de uitspraak van de Afdeling van 2 september 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2096.
Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
Zie de uitspraak van de Afdeling van 10 maart 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BL7033.
Zie de uitspraak van de Afdeling van 7 april 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BM0226.
Als bedoeld in artikel 1 van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb).
Zie de uitspraken van de Centrale Raad van Beroep van 28 februari 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:580; van 3 april 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:BZ6213; en van de Hoge Raad van 16 november 2012, ECLI:NL:HR:2012:BY2770.
Zie de uitspraak van de Centrale Raad van beroep van 2 juli 1996, ECLI:NL:CRVB:1996:ZB6352
In het kader van artikel 8:75 Awb en het Bpb ;Zie de uitspraak van de Centrale Raad van beroep van 11 oktober 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:2269.
Beoordeling
De rechtbank acht van belang dat de meldplicht, die als voorschrift bij een vergunning voor vakantieverhuur in Amsterdam is opgenomen, op 1 juli 2020 van kracht werd, terwijl deze in materiële zin al sinds 2017 van toepassing was. Eisers beschikten bovendien over een vergunning voor vakantieverhuur waarin duidelijk de meldplicht staat vermeld. De omstandigheid dat eisers, zoals zij stellen, van deze informatie geen kennis hebben genomen en niet wisten dat zij in overtreding waren, komt voor hun eigen rekening en risico en vormt geen reden om de boete verder te matigen. De toeristische verhuur van een woning is een economische activiteit die extra inkomsten oplevert. De rechtbank is van oordeel dat de hoogte van de boete is in het geval van eisers dan ook niet onevenredig hoog is.
Is er sprake van overschrijding van de redelijke termijn?
5.
5.1.
Eisers hebben de rechtbank verzocht om een schadevergoeding toe te kennen in verband met overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het EVRM.
5.2.
De redelijke termijn in een boetezaak wordt overschreden als de rechtbank niet binnen twee jaar uitspraak doet, behalve als er bijzondere omstandigheden zijn. De termijn van twee jaar begint te lopen op het moment dat het college een handeling heeft verricht waaraan eiseres de verwachting kan ontlenen dat zij een boete zal krijgen. Als sprake is van een onacceptabele vertraging vindt daarvoor een compensatie plaats door middel van matiging van de boete. In geval van een overschrijding van meer dan zes maanden ligt een vermindering met 10% met een maximum van € 2.500,- in de rede.
5.3.
De rechtbank constateert dat in deze zaak het voornemen tot boeteoplegging op 28 januari 2022 aan eisers kenbaar is gemaakt. Op die datum is de termijn gaan lopen. Dit betekent dat op het moment van de uitspraak in deze zaak de tweejaarstermijn met elf maanden is overschreden. De rechtbank ziet aanleiding om de boete met 10% te matigen, te weten € 75,-. De rechtbank zal daarom de hoogte van de boete vaststellen op € 675,-.
Welke proceskoten komen in aanmerking voor vergoeding?
6.
6.1.
Eisers hebben verzocht om vergoeding van de kosten van beroepsmatige verleende rechtsbijstand in beroep, reiskosten, verletkosten en verschotten in de vorm van lidmaatschap claim club AirB&B, griffiekosten, de kosten van verzending van aangetekende post en een rentevergoeding.
6.2.
Gelet op overweging 5.3 en in aanmerking genomen dat het college hangende het beroep bij de rechtbank de boete heeft verlaagd, is er aanleiding het college te veroordelen in de proceskosten. Over de proceskosten overweegt de rechtbank als volgt.
6.3.
Aan de orde is allereerst de vraag of de door mevrouw [gemachtigde] verleende rechtsbijstand kan worden aangemerkt als door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, welke een vast bestanddeel vormt van een duurzame, op het vergaren van inkomen gerichte taakuitoefening. Mevrouw [gemachtigde] heeft op zitting geen duidelijk antwoord geven op de vraag of zij meer dan incidenteel in gerechtelijke procedures juridische rechtsbijstand heeft verleend aan personen. Gezien het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de door eisers gestelde rechtsbijstand door mevrouw [gemachtigde] niet kan worden aangemerkt als door een derde beroepsmatige verleende rechtsbijstand en komen de gestelde kosten niet voor vergoeding in aanmerking.
6.4.
De reiskosten en de verletkosten die eiseres heeft moeten maken voor het bijwonen van de zitting bij de rechtbank, komen voor vergoeding in aanmerking. De reiskosten tot een bedrag van € 33,54 en de verletkosten tot een bedrag voor € 252,12. Eiseres heeft met stukken onderbouwd dat zij vier uur verlof heeft opgenomen. Geen ruimte bestaat voor het inwilligen van het verzoek van eiser om verletkosten. Dit verzoek is niet met stukken onderbouwd. De vergoeding van de verletkosten voor het bijwonen van de hoorzitting in de bezwaarfase komen ook niet voor vergoeding in aanmerking omdat dit verzoek eveneens onvoldoende met stukken is onderbouwd.
6.5.
Volgens artikel 1, onder f, van het Bpb komen in aanmerking voor vergoeding de kosten van uittreksels uit de openbare registers, telegrammen, internationale telexen, internationale telefaxen en internationale telefoongesprekken. Gelet op het voorgaande komen de kosten voor lidmaatschap van de claimclub Air B&B niet in aanmerking voor vergoeding op grond van dit artikel. Kosten voor het verzenden van aangetekende post zijn ook geen kosten die voor vergoeding in aanmerking komen.
6.6.
Eisers hebben ook verzocht om een vergoeding van de griffiekosten en een rentevergoeding over de griffiekosten en het boetebedrag van € 3.000,-. Eisers hebben terecht beroep ingesteld, waardoor het college het griffierecht aan hen dient te vergoeden. Voor wat betreft de rente over het griffierecht wijst de rechtbank dit verzoek af. Griffierecht moet betaald worden om toegang te krijgen tot de rechter, maar hierover wordt geen wettelijke rente overgeheveld. Voor wat betreft de vergoeding van de rente over het boetebedrag oordeelt de rechtbank dat zij hier geen uitspraak over kan doen. In het algemeen geldt dat wanneer er sprake is van een onverschuldigde betaling van een bestuursorgaan, de burger de onverschuldigde betaling terugkrijgt van het bestuursorgaan met de eventuele wettelijke rente hierover berekend.