Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2024-12-04
ECLI:NL:RBAMS:2024:7506
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,652 tokens
Inleiding
RECHTBANK AMSTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 24/1994
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 4 december 2024 in de zaak tussen
[eiser] , uit [woonplaats] (Portugal), eiser,
en
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank, verweerder
(gemachtigde: mr. M. Schuurman).
Inleiding
In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser inzake zijn recht op kinderbijslag.
Verweerder heeft met het primaire besluit van 29 december 2023 met ingang van het eerste kwartaal van 2022 aan eiser kinderbijslag op grond van de Algemene Kinderbijslagwet (AKW) toegekend. Met het besluit van 14 maart 2024 (het bestreden besluit) is verweerder bij dit besluit gebleven.
De rechtbank heeft geoordeeld dat in deze zaak geen behandeling op een zitting nodig is. Partijen hebben de gelegenheid gekregen om daar alsnog om te verzoeken. Partijen hebben niet binnen de gestelde termijn gereageerd. De rechtbank heeft daarom met toepassing van artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaald dat de behandeling van het beroep op de zitting achterwege blijft en het onderzoek gesloten.
De totstandkoming van de besluiten
1. Eiser woont met zijn gezin in Portugal. Hij heeft een relatie met een Portugese vrouw. Op [datum] 2013 is in Portugal zijn dochter geboren. Via kennissen in Portugal heeft eiser vernomen dat er ook voor in het buitenland wonende kinderen recht op kinderbijslag kan zijn. Eiser heeft vervolgens op 13 februari 2023 kinderbijslag aangevraagd.
2. Deze aanvraag heeft geleid tot de in de inleiding genoemde besluitvorming. Verweerder heeft toegelicht dat de aanvraag van eiser is toegekend met de maximale terugwerkende kracht van één jaar. Volgens verweerder biedt de wet geen enkele mogelijkheid om hiervan af te wijken.
Beoordeling
3. Tussen partijen is in geschil of eiser met een verdergaande terugwerkende kracht dan één jaar voorafgaande aan de aanvraag recht heeft op kinderbijslag.
4. Op grond van artikel 14, derde lid, van de AKW kan het recht op kinderbijslag niet vroeger ingaan dan één jaar voorafgaand aan de eerste dag van het kwartaal waarin de aanvraag werd ingediend. Sinds 1 januari 2016 kan niet meer van deze regel worden afgeweken, ook niet in bijzondere gevallen. Artikel 14, derde lid, van de AKW biedt geen ruimte voor een belangenafweging en toetsing aan het evenredigheidsbeginsel. Alleen als sprake is van bijzondere, niet in de afweging van de wetgever verdisconteerde omstandigheden die strikte toepassing van artikel 14, derde lid, van de AKW zozeer in strijd doet zijn met algemene rechtsbeginselen of (ander) ongeschreven recht, kan toepassing van dat artikel achterwege blijven. Deze bijzondere omstandigheden kunnen slechts bij hoge uitzondering worden aangenomen.
5. De rechtbank begrijpt het betoog van eiser zo dat hij stelt dat hij onbekend was met de wet- en regelgeving. De enkele onbekendheid met de geldende regelingen kan niet tot de conclusie leiden dat moet worden afgeweken van de wet. De redenen die eiser voor zijn late aanvraag heeft gegeven, maken dus niet dat het besluit van verweerder onjuist is. Dat eiser ten onrechte ervan uit ging dat hij geen recht had op kinderbijslag, komt voor zijn rekening en risico. Eiser heeft aangevoerd dat hij niet goed is geïnformeerd door de ambtenaar van de gemeente Delft, waar eiser zijn dochter in 2013 heeft laten bijgeschreven in de gemeentelijke basisadministratie, en door de Nederlandse ambassade in Portugal die een paspoort voor zijn dochter heeft verstrekt. Dit maakt het voorgaande niet anders. Het is namelijk de eigen verantwoordelijkheid van een ieder, en dus ook van eiser, om na te gaan of hij recht heeft op een sociale verzekering en om zijn recht vervolgens te gelde te maken. Bovendien zijn de ambtenaren van de gemeente Delft en van de ambassade in Portugal niet werkzaam voor verweerder. Van bijzondere omstandigheden die moeten leiden tot het buiten toepassing laten van de wet, is in het geval van eiser dan ook geen sprake.
6. Het voorgaande betekent dat eiser niet met een verdergaande terugwerkende kracht dan één jaar voorafgaande aan zijn aanvraag recht heeft op kinderbijslag.
7. De rechtbank merkt ter informatie aan eiser nog het volgende op. Eiser heeft (per ongeluk) tweemaal beroep ingesteld tegen hetzelfde besluit. Deze beroepen zijn bekend onder de kenmerken AMS 24/1994 en AMS 24/5306. Het is niet mogelijk om tweemaal tegen hetzelfde besluit beroep in te stellen. De rechtbank heeft het beroep in de zaak met kenmerk AMS 24/5306 laten vervallen en de (identieke) stukken uit deze zaak betrokken in de onderhavige beroepsprocedure. Eiser heeft ook tweemaal griffierecht betaald. De rechtbank heeft voor het beroep met kenmerk AMS 24/5306 het griffierecht geretourneerd.
Conclusie
8. Verweerder heeft op goede gronden besloten om de kinderbijslag toe te kennen vanaf het eerste kwartaal van 2022.
9. Het beroep is ongegrond. Dit betekent dat eiser geen gelijk krijgt.
10. Voor een vergoeding van het griffierecht bestaat bij deze uitkomst geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.M. Hansen-Löve, rechter, in aanwezigheid van mr. N.J.A. van Eck, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 4 december 2024.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Het indienen van een hogerberoepschrift kan hetzij digitaal via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl hetzij door verzending per post aan de Centrale Raad van Beroep.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 6 mei 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:1065.