Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2024-11-19
ECLI:NL:RBAMS:2024:7210
Civiel recht; Arbeidsrecht
Beschikking
6,076 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBAMS:2024:7210 text/xml public 2026-02-20T17:36:35 2024-11-26 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Amsterdam 2024-11-19 11109188 EA VERZ 24-450 Uitspraak Beschikking NL Amsterdam Civiel recht; Arbeidsrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2024:7210 text/html public 2026-02-20T17:35:36 2026-02-20 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBAMS:2024:7210 Rechtbank Amsterdam , 19-11-2024 / 11109188 EA VERZ 24-450 Verzoek ontbinding arbeidsovereenkomst afgewezen. Niet voldaan aan herplaatsingsplicht. RECHTBANK AMSTERDAM Civiel recht Kantonrechter Zaaknummer / rekestnummer: 11109188 \ EA VERZ 24-450 Beschikking van 19 november 2024 in de zaak van GEMEENTE AMSTERDAM , te Amsterdam, verzoekende partij, hierna te noemen: Gemeente Amsterdam, gemachtigde: mr. J.T.M. van Doesum, tegen [verweerder] , te [plaats] , verwerende partij, hierna te noemen: [verweerder] , gemachtigde: mr. L.J.L. Heukels. 1 De procedure 1.1. Gemeente Amsterdam heeft op 10 mei 2024 een verzoekschrift met producties ingediend. [verweerder] heeft een verweerschrift met producties ingediend en daarbij (voorwaardelijke) tegenverzoeken gedaan. 1.2. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 22 oktober 2024. Voorafgaand aan de mondelinge behandeling heeft Gemeente Amsterdam een aanvullende productie ingediend. Namens Gemeente Amsterdam zijn verschenen [naam 1] (directeur Sport en Bos, hierna: [naam 1] ) en [naam 2] (HR adviseur), bijgestaan door de gemachtigde. [verweerder] is in persoon verschenen, vergezeld door zijn partner en schoonvader, bijgestaan door de gemachtigde. Partijen hebben ter zitting hun standpunten toegelicht, de gemachtigden mede aan de hand van pleitaantekeningen. Na verder debat is beschikking gevraagd en is een datum voor beschikking bepaald. 2 De feiten 2.1. [verweerder] , geboren op [geboortedatum] 1971, is sinds 1 oktober 2010 in dienst bij Gemeente Amsterdam. Sinds 1 januari 2019 is [verweerder] Teammanager Sportparken Zuid bij de directie Sport & Bos, afdeling Zuid Parken. Het salaris bedraagt € 5.621,00 bruto per maand exclusief vakantietoeslag. 2.2. Tijdens een gesprek tussen [verweerder] en [naam 3] , de leidinggevende van [verweerder] (hierna: [naam 3] ), op 2 juni 2022 heeft [naam 3] aan [verweerder] meegedeeld dat hij niet goed functioneerde. 2.3. Bij e-mail van 6 juni 2022 heeft [verweerder] het volgende aan [naam 3] geschreven: “(…) Hierbij wil ik even terugkomen op onze Bila van afgelopen donderdag 2 juni 2022. In de Bila sprak je o.a over de herijking en dat je die mij nog niet wilt toekennen vanwege enkele punten: problematiek VRA, noodkreet hockey verenigingen Amsterdamse bos, mijn verstandhouding met het projectenteam, afwezigheid bij een bepaald overleg, het jou leek dat ik niet op de hoogte was van het jaarplan S&B die [naam 4] kwam bespreken tijdens een thema MT, het aanvragen van 2fte voor AFC, de vraag over een auto voor parken Zuid en het open integriteitsonderzoek, die ik allen kan onderbouwen en enkele zijn reeds opgelost en opgepakt. Je overviel mij hiermee enorm en na ons gesprek heb ik dit ook besproken met [naam 5] . De afgelopen dagen heb niet als prettig ervaren, ook vanwege het noemen van het 3 stappen plan dossier opbouw, maar ben ik nog meer tot de conclusie gekomen dat ik het niet eens ben met een proefperiode van een half jaar zoals jij hebt voorgesteld. Dit is de eerste keer dat je je negatief uitlaat over mijn functioneren en vindt daarom je besluit ook te rigoureus en niet passend bij onze prettige samenwerking. (…)” 2.4. Op 14 september 2022 heeft een gesprek tussen [naam 3] en [verweerder] plaatsgevonden over het functioneren van [verweerder] aan de hand van een door [naam 3] uitgebreid opgesteld document met daarin een opsomming van verbeterpunten die tegen eind oktober 2022 gerealiseerd moesten zijn. In het document is, onder meer, het volgende opgenomen: “De afdelingsmanager van de H&P de heer [naam 3] is erg ontevreden over het functioneren van de teammanager Parken Zuid , [verweerder] . Het gevoel geeft [verweerder] dat hij niet leerbaar is en doet zoals hij doet. Weinig zelfreflectie kent en anderen het altijd hebben veroorzaakt of gedaan hebben bij vele onderhoudsvraagstukken, klachten, projecten en communicatie naar anderen. Van onderstaande punten zal tegen eind oktober’ 22 significant verbeteringen moeten worden aangetoond om de functie van teammanager Parken Zuid te kunnen behouden. (…)” 2.5. Op 10 oktober 2022 heeft een tweede gesprek plaatsgevonden over het functioneren van [verweerder] tussen [verweerder] en [naam 3] waarbij ook [naam 6] (vertrouwenspersoon) en [naam 7] (P&O-adviseur Sport & Bos) aanwezig waren. Vervolgens is een concept van het gespreksverslag naar [verweerder] en [naam 3] gestuurd. 2.6. Bij e-mail van 13 oktober 2022 heeft [verweerder] meegedeeld dat hij niet akkoord gaat met het toevoegen van het document aan zijn personeelsdossier (hierna: PD). 2.7. Op 23 januari 2023 heeft een beoordelingsgesprek over het jaar 2022 plaatsgevonden tussen [naam 3] en [verweerder] . In het beoordelingsformulier staat onder meer het volgende: “Beste [verweerder] , het hele jaar overziend zou een B beoordeling in eerste instantie op z’n plaats zijn geweest in mijn ogen. Na een stevig gesprek in september over je functioneren en een wederzijds verslag met hierin opgenomen waaraan dat lag, (met genoemde punten opgemaakt door P&O in dat verslag) heb ik kunnen constateren dat je de laatste maanden van 2022 een opwaartse lijn te pakken hebt. Je zit beter achter zaken aan, bent tactischer geworden in besprekingen, pakt projecten op en wil dit waarderen door je toch een C beoordeling te geven. Ik verwacht in 2023 een verdere opwaartse lijn. Ik wil in dit kader van de stijgende lijn, in de zomer van 2023 een tussentijdse beoordeling met je doen. (…)” 2.8. [verweerder] heeft het beoordelingsformulier niet ondertekend omdat hij het niet eens was met de “B-tjes” in de beoordeling. 2.9. Bij e-mail van 14 maart 2023 aan Gemeente Amsterdam heeft [verweerder] wederom bezwaar gemaakt tegen het opnemen van het gespreksverslag van 10 oktober 2022 in zijn PD. In de e-mail schrijft hij onder meer: “Volgens mij heb ik duidelijk aangegeven waarom ik dit niet in mijn dossier wou hebben en al helemaal niet op deze manier. Ik ben het hier niet mee eens, temeer om dat er zaken in staan die weerlegt zijn en dus niet in het verslag behoeven te staan. Dit gesprek was bedoeld als afspraken en niet over het functioneren. De afspraken die ik heb opgenomen in mijn pvb en andere punten zijn door mij na gekomen en de daarvoor bestemde tijd. (…)” 2.10. Op 24 april 2024 heeft een telefoongesprek tussen [verweerder] en [naam 3] plaatsgevonden. Diezelfde dag heeft [verweerder] per e-mail aan [naam 3] het volgende geschreven: “Zojuist telefonisch contact gehad waarin ik je aangaf dat ik niet blij ben dat ik er net achter ben gekomen dat je het gespreksverslag toch in mijn dossier hebt geplaatst. Het werd nogal een onprettig gesprek waarbij ik heb aangegeven dat het beter was om het gesprek te beëindigen, dit is dus ook gebeurd.” 2.11. Op 1 juni 2023 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen [naam 1] , [naam 3] en [verweerder] waarin onder meer is afgesproken dat er een mediationtraject zal worden gestart ten behoeve van de samenwerking tussen [verweerder] en [naam 3] . Daarnaast is tijdens dit gesprek besproken dat onderzoek zou worden gedaan naar het vermoeden van oneigenlijk gebruik van het afdelingsbudget door [verweerder] . Het mediationtraject tussen [verweerder] en [naam 3] is in begin juli 2023 gestart. 2.12. In een gesprek op 13 juli 2023 hebben [naam 3] en [verweerder] gesproken over een aantal zaken die niet goed gingen bij Sportparken Zuid. 2.13. Na onderzoek bleek dat van oneigenlijk gebruik van het afdelingsbudget voor het behalen van het vaarbewijs en het certificaat bedrijfshulpverlening door [verweerder] geen sprake was geweest. De gespreksverslagen van 14 september 2022 en 10 oktober 2022 in zijn PD zijn daarom aangepast. 2.14.
Volledig
Op 16 oktober 2023 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen [naam 1] en [verweerder] over het onvoldoende functioneren van [verweerder] , de klachten van interne en externe samenwerkingspartners, de arbeidsverhouding met [naam 3] en de gerezen vermoedens van integriteitsschendingen. Tijdens dit gesprek is ook besproken dat een verbetertraject zou worden gestart. In het gespreksverslag staat onder meer het volgende: “(…) [naam 4] licht toe dat er veel klachten/berichten zijn van in- en externe samenwerkingspartners waarin zij aangeven dat de samenwerking niet goed verloopt. Bijvoorbeeld: [verweerder] levert niet de noodzakelijke documenten op zoals onderhoudsplannen van zijn gebied of financiële overzichten. Algemeen signaal is dat [verweerder] niet levert of reageert, ook niet na diverse malen rappelleren. [verweerder] antwoordt dat hij zich dit niet kan voorstellen. (…)” 2.15. In een gesprek op 18 oktober 2023 is [naam 1] teruggekomen op het aangeboden verbetertraject. [naam 1] heeft [verweerder] in dit gesprek de mogelijkheid van (tijdelijk) buitengewoon verlof aangeboden. Indien [verweerder] niet zou ingaan op dit aanbod, zou hij worden geschorst. 2.16. Diezelfde dag heeft [verweerder] bij e-mail aan [naam 1] laten weten dat hij contact zal opnemen met zijn advocaat. [naam 1] heeft vervolgens gereageerd dat het aanbod van buitengewoon verlof komt te vervallen en [verweerder] met ingang van 19 oktober 2023 wordt geschorst. 2.17. Bij brief van 19 oktober 2023 heeft Gemeente Amsterdam de schorsing aan [verweerder] bevestigd waarbij onder meer het volgende is meegedeeld: “(…) Aan deze beslissing ligt het volgende ten grondslag. Functioneren Vanaf 2021 tot heden bereiken mij via jouw (voormalig) leidinggevende, [naam 3] , met enige regelmaat berichten over jouw functioneren. Deze berichten hebben betrekking op de volgende zaken: - Je komt regelmatig in conflict met leidinggevenden, collega’s, medewerkers en externen. Tot in die mate dat een aantal mensen op een zeker moment heeft aangegeven niet meer met je te willen samenwerken; - De kwaliteit van het (groot) onderhoud op Parken Zuid is structureel onvoldoende; er is structureel sprake van achterstallig onderhoud. Dit leidt tot klachten, noodmaatregelen en soms tot behoorlijke (financiële/politieke) risico’s; - De financiën op Sportparken Zuid zijn onvoldoende onder controle; - De inkoopprocessen voor Sportparken Zuid verlopen niet volgens de gemeentelijke voorschriften en richtlijnen. Er moet regelmatig bijgestuurd worden; - Je bent te weinig zichtbaar en te weinig aanspreekbaar voor de gebruikers als “het gezicht” van Sportparken Zuid. Je handelt niet proactief en je reageert niet/te laat op vragen/signalen. Hierdoor escaleren gebruikers regelmatig naar je leidinggevende of er wordt met de coördinator van Sportparken Zuid geschakeld. Vermoeden van integriteitsschending Daarnaast heeft je leidinggevende mij laten weten dat hij constateringen heeft gedaan die mogelijk niet integer zijn, dan wel mogelijk in strijd met de gedragsregels van de gemeente Amsterdam. Zoals op 16 oktober 2023 met je besproken gaat dit om - Het gegeven dat je op kosten van de gemeente Amsterdam een rijbewijs (E) hebt gehaald zonder dat je daarvoor toestemming hebt gevraagd aan je manager. In dit gesprek van 16 oktober 2023 heb je aangegeven dat je wel toestemming hebt gehad van je leidinggevende en mogelijk nog over een toestemmingsmail beschikt. Deze mail heb ik tot op heden niet van je ontvangen; - Het feit dat op locatie Het Loopveld een zonnebank is geplaatst en dat de koelkast gevuld was met bier. Hoewel je aangeeft dat je hier niet van op de hoogte was, ben je als leidinggevende wel verantwoordelijk voor wat er op de locaties van windrichting Zuid gebeurt; - Twijfels die er zijn over je werkuren in relatie tot je aanwezigheid en bereikbaarheid. In het gesprek van 16 oktober 2023 heb ik eveneens aangegeven dat ik deze signalen meld bij Bureau Integriteit omdat het hier gaat om een vermoeden van integriteitsschending. Bureau Integriteit bepaalt of er een integriteitsonderzoek zal worden uitgevoerd. Bedrijfsrisico’s Zoals ik op 16 en 18 oktober 2023 aan je heb laten weten, heb ik grote zorgen om Sportparken Zuid. De politiek/bestuurlijke, financiële en maatschappelijke risico’s zijn juist in dit gebied groot. Deze risico’s hangen samen met de wijze waarop jij je functie uitoefent. Het gegeven dat je, in de gesprekken met je leidinggevende en met mij, op geen enkele wijze hebt laten blijken dat je je verantwoordelijk voelt voor jouw handelen of de gebreken daarin, vergroot deze zorgen slechts. Een en ander maakt dat ik er alles overziend geen vertrouwen in heb dat je al het nodige kan en zal doen om te voorkomen dat genoemde risico’s zich verwerkelijken. Verstoorde arbeidsrelatie Daarnaast maak ik mij zorgen om jouw welzijn en die van je leidinggevende vanwege jullie verstoorde arbeidsrelatie. Ook heb ik er geen vertrouwen in dat de samenwerking tussen jou en je leidinggevende zal verbeteren. Ik wil voorkomen dat de ongezonde werksituatie tussen jou en je leidinggevende blijft voortbestaan. Ook omdat een verstoorde arbeidsrelatie met jouw direct leidinggevende kan bijdragen aan het onvoldoende beheersen van genoemde bedrijfsrisico’s, dus een extra risico vormt. (…)” 2.18. De gemachtigde van [verweerder] heeft op 20 oktober 2023 per e-mail aan [naam 1] [verweerder] met ingang van 18 oktober 2023 ziekgemeld. 2.19. Op 25 oktober 2023 heeft [verweerder] een afspraak gehad met de bedrijfsarts. In de probleemanalyse van de bedrijfsarts staat dat sprake is van verzuim op basis van een medische aandoening, dat werk-gerelateerde factoren hebben bijgedragen aan het verzuim en het op dit moment (nog) niet mogelijk is om re-integratieactiviteiten te ondernemen. De bedrijfsarts heeft geadviseerd om het arbeidsconflict op te lossen door samen de loopbaantoekomst van [verweerder] te bespreken. 2.20. Bij e-mail van 9 november 2023 is [verweerder] uitgenodigd voor een gesprek over zijn loopbaantoekomst op 14 november 2023. Diezelfde dag heeft de gemachtigde van [verweerder] gereageerd dat [verweerder] niet zal verschijnen op het gesprek. 2.21. Bij brief van 28 november 2023 heeft [naam 1] [verweerder] opnieuw uitgenodigd voor een gesprek. 2.22. Op 4 december 2023 heeft [verweerder] weer een afspraak bij de bedrijfsarts gehad. Uit de evaluatie van het gesprek blijkt dat de situatie nog hetzelfde is als tijdens de afspraak op 25 oktober 2023 en is wederom geadviseerd om stappen te ondernemen om tot een oplossing te komen ten aanzien van het arbeidsconflict. 2.23. Bij e-mail van 19 december 2023 is [verweerder] opnieuw uitgenodigd voor een gesprek op 11 januari 2024. De gemachtigde van [verweerder] heeft bij e-mail gereageerd dat hij op die datum verhinderd is en om een nieuwe datum verzocht. 2.24. Bij e-mail van 27 december 2023 heeft de gemachtigde van [verweerder] bezwaar gemaakt tegen de schorsing van [verweerder] . In verband met de afwezigheid van [naam 1] heeft zij hierop op 12 januari 2024 gereageerd en aan [verweerder] medegedeeld dat de schorsing per die dag is opgeheven waarbij zij heeft medegedeeld dat Bureau Integriteit onvoldoende aanleiding zag om nader onderzoek te doen. Daarnaast heeft [naam 1] [verweerder] verzocht om zijn verhinderdata voor het inplannen van een gesprek. 2.25. Op 2 februari 2024 heeft de bedrijfsarts partijen geadviseerd om met elkaar in gesprek te gaan waarbij is meegedeeld dat bedrijfsarts nader re-integratieadvies geeft wanneer de er oplossingen zijn voor de conflictsituatie. 2.26. Bij e-mail van 20 februari 2024 heeft [naam 1] aan [verweerder] onder meer het volgende geschreven: “Van de collega’s van Sportparken Zuid heb ik begrepen dat je op 19 februari 2024, onaangekondigd en zonder overleg met mij, op locatie Het Loopveld bent geweest om koffie te drinken. Dit betreurt mij ten zeerste. Ik had gehoopt dat je verstandig zou omgaan met de situatie welke is ontstaan omdat ik je schorsing, mede op jouw verzoek en in het belang van je herstel, heb beëindigd. Graag refereer ik aan mijn brief van 12 januari 2024 waarin ik dit aangeef, bijvoorbeeld voor wat betreft de contacten met collega’s.
Volledig
Ook heb ik je op 5 februari 2024 gebeld omdat mij ter ore was gekomen dat je die dag koffie wilde gaan drinken met collega’s van het team Sportparken Zuid. Omdat ik geen contact met je kreeg, heb ik je vervolgens een Whatsapp- en Sms-bericht gestuurd waarin ik je heb laten weten dat het mij zeer onverstandig lijkt wanneer je op de werkplek zou verschijnen. (…) Dringend verzoek Op grond van bovengenoemde redenen verzoek ik je dringend om niet meer op je werkplek te verschijnen. Ik nodig je uit om nu snel in overleg te gaan. (…) Voordat je kan starten met een re-integratietraject, is het van belang dat wij met elkaar in gesprek gaan. Ik heb daarvoor twee data gereserveerd: (…)” 2.27. Bij brief van 22 maart 2024 heeft Gemeente Amsterdam [verweerder] nogmaals uitgenodigd voor een gesprek. [verweerder] is niet ingegaan op de uitnodigingen van 20 februari 2024 en van 22 maart 2024. 2.28. Uit het advies van de bedrijfsarts van 3 april 2024 volgt dat er op medisch vlak geen beperkingen voor [verweerder] meer zijn om het werk te hervatten. De bedrijfsarts heeft partijen geadviseerd om met elkaar in gesprek te gaan en afspraken te maken omtrent de werkhervatting. 2.29. Op 18 april 2024 is [verweerder] wederom zonder toestemming op zijn werkplek verschenen. Bij e-mail van 19 april 2024 heeft [naam 1] [verweerder] onder meer het volgende geschreven: “(…) Wanneer je wederom op je werk verschijnt ondanks mijn nadrukkelijke verzoek om dit niet te doen, overweeg ik een ordemaatregel te treffen en je daarbij (ook) de toegang tot de (fysieke en digitale) werkplek te ontzeggen. (…)” 2.30. Op 24 april 2024 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen [naam 1] en [verweerder] , in aanwezigheid van de gemachtigden. Tijdens dit gesprek heeft [naam 1] aangekondigd dat Gemeente Amsterdam een ontbindingsprocedure gaat starten. 3 Het verzoek, het verweer en het tegenverzoek 3.1. Gemeente Amsterdam verzoekt de arbeidsovereenkomst met [verweerder] te ontbinden primair vanwege een verstoorde arbeidsverhouding (de g-grond), subsidiair vanwege disfunctioneren (de d-grond) en meer subsidiair vanwege een combinatie van een verstoorde arbeidsverhouding en disfunctioneren (de i-grond). 3.2. Gemeente Amsterdam heeft aan het verzoek ten grondslag gelegd – kort weergegeven – dat het gedrag, de houding en de uitlatingen van [verweerder] ertoe hebben geleid dat de vertrouwensrelatie tussen Gemeente Amsterdam en [verweerder] ernstig en duurzaam is verstoord. Verder voldoet [verweerder] niet aan de voor de functie en het ambtenaarschap gestelde eisen. Het betreft hier zowel houding, gedrag en samenwerking als vervulling van zijn inhoudelijke taken. Herplaatsing ligt volgens Gemeente Amsterdam niet in de rede. 3.3. [verweerder] verweert zich tegen het ontbindingsverzoek. Primair verzoekt hij om afwijzing daarvan en veroordeling van Gemeente Amsterdam tot het opleggen van medewerking voor het verkrijgen van een andere functie. In het geval de arbeidsovereenkomst ontbonden wordt, verzoekt [verweerder] om een transitievergoeding, een billijke vergoeding, een correcte eindafrekening en de volledige proceskosten. 3.4. [verweerder] voert – kort gezegd – aan dat sprake is van een verstoorde arbeidsverhouding met zijn leidinggevenden, maar hij betwist dat herplaatsing bij Gemeente Amsterdam niet mogelijk zou zijn. 3.5. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan. 4 De beoordeling 4.1. Het gaat in deze zaak om de vraag of de arbeidsovereenkomst tussen partijen moet worden ontbonden. 4.2. De kantonrechter stelt voorop dat uit artikel 7:669 lid 1 BW volgt dat de arbeidsovereenkomst alleen kan worden ontbonden indien daar een redelijke grond voor is en herplaatsing van de werknemer binnen een redelijke termijn niet mogelijk is of niet in de rede ligt. Redelijke grond 4.3. Naar het oordeel van de kantonrechter leveren de door Gemeente Amsterdam naar voren gebrachte feiten en omstandigheden een redelijke grond voor ontbinding op, zoals bedoeld in artikel 7:669 lid 3, onderdeel g BW. Hiertoe wordt het volgende overwogen. 4.4. Duidelijk is dat partijen een behoorlijk en onoverbrugbaar verschil van inzicht hebben over hetgeen over en weer van elkaar mag worden verwacht. Gemeente Amsterdam verwacht van [verweerder] dat hij inziet dat er bezwaren zijn op zijn functioneren, houding en gedrag en dat hij zelfreflectie moet tonen, terwijl [verweerder] zijn leidinggevenden onder meer verwijt dat hij niet kritisch mag zijn op de door hen gedane mededelingen. 4.5. Naar het oordeel van de kantonrechter is voldoende aannemelijk geworden dat [verweerder] onvoldoende functioneert in zijn huidige functie. Dit volgt onder andere uit de verschillende gesprekken die [naam 3] en [naam 1] met [verweerder] hebben gevoerd vanaf medio 2022 alsook de overgelegde e-mails met klachten van samenwerkingspartners. [naam 3] heeft [verweerder] verschillende keren aangesproken op zijn functioneren, maar [verweerder] herkende zich hier niet in en wees de kritiek op zijn functioneren steeds volledig af. Zo heeft [verweerder] bezwaar gemaakt tegen het door [naam 3] opgestelde beoordelingsformulier van 23 januari 2023 omdat hij het niet eens was met de punten waarop hij volgens [naam 3] niet voldoende functioneerde. Verder blijkt ook uit het gespreksverslag van het door [naam 1] en [verweerder] op 16 oktober 2023 gevoerde gesprek dat [verweerder] zich niet herkende in de door [naam 1] naar voren gebrachte klachten van meerdere samenwerkingspartners. 4.6. Gemeente Amsterdam heeft terecht aangevoerd dat het bij [verweerder] ontbreekt aan zelfinzicht, maar onvoldoende is gebleken dat aan [verweerder] duidelijk kenbaar is gemaakt welk gedrag hij moest laten zien en wat de consequenties zouden zijn van het achterblijven van een verbetering. Van Gemeente Amsterdam had mogen worden verwacht dat zij hiervoor meer inspanningen had verricht. Dit geldt te meer nu Gemeente Amsterdam een Stappenplan Verbetertraject hanteert waarin staat beschreven welke stappen genomen dienen te worden bij een disfunctionerende werknemer. Gemeente Amsterdam is vervolgens ten onrechte overgegaan tot de schorsing van [verweerder] . Hoewel Gemeente Amsterdam de redenen van de schorsing heeft toegelicht, is onvoldoende gebleken dat haar belang hiervoor zwaarder woog dan het belang van [verweerder] bij het verrichten van zijn werk. De relatie tussen [verweerder] en zijn leidinggevenden is daarna alleen maar verslechterd. Daarin speelt de houding van [verweerder] een grote rol. Op advies van de bedrijfsarts heeft Gemeente Amsterdam [verweerder] in de periode van november 2023 tot en met maart 2024 herhaaldelijk uitgenodigd voor een gesprek, maar [verweerder] was hiertoe om steeds verschillende redenen niet bereid. Daar komt bovenop dat [verweerder] zonder toestemming van Gemeente Amsterdam en ondanks daarop aangesproken te zijn in die periode meerdere keren onaangekondigd op zijn werkplek is verschenen. [verweerder] heeft zich niets aangetrokken van de adviezen van de bedrijfsarts en de verzoeken van Gemeente Amsterdam, terwijl dit juist gelet op de verstoorde verhouding van hem had mogen worden verwacht. [verweerder] heeft niet tijdig ingezien dat er aan het geduld dat Gemeente Amsterdam met hem heeft gehad een einde zou komen. Uit het dossier volgt verder dat ook het vertrouwen van [verweerder] in zijn leidinggevenden niet meer aanwezig is. Hij verwijt het zijn leidinggevenden ernstig dat zij hem hebben beschuldigd van financiële malversaties en de manier waarop zij met deze beschuldiging zijn omgegaan. Gemeente Amsterdam heeft een onderzoek hiernaar gedaan. [verweerder] had overigens eenvoudig en snel kunnen aantonen, door het overleggen van zijn vaarbewijs, dat de verdenking onjuist was, maar heeft dit nagelaten. 4.7. Op basis van hetgeen door partijen naar voren is gebracht concludeert de kantonrechter dat het wederzijds vertrouwen en een goede basis voor een verdere vruchtbare samenwerking ontbreekt en dat inmiddels van een ernstig duurzaam verstoorde arbeidsverhouding sprake is. Herplaatsing 4.8.