Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2024-11-14
ECLI:NL:RBAMS:2024:7136
Strafrecht; Europees strafrecht
Eerste en enige aanleg
1,927 tokens
Inleiding
RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13/288974-24
Datum uitspraak: 14 november 2024
UITSPRAAK
op de vordering van 17 september 2024 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). Dit EAB is uitgevaardigd op 4 september 2024 door the Regional Court in Bydgoszcz III Penal Division (Polen) (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon],
geboren op [geboortedag] 1978 te [geboorteplaats] (Polen),
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
nu (uit andere hoofde) gedetineerd in [detentieplaats],
hierna ‘de opgeëiste persoon’.
1Procesgang
De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 31 oktober 2024, in aanwezigheid van mr. A. Keulers, officier van justitie. De opgeëiste persoon heeft afstand gedaan van zijn recht aanwezig te zijn en is derhalve niet verschenen. Hij is vertegenwoordigd door zijn daartoe door hemzelf gemachtigde raadsman, mr. K.E. Wielenga, advocaat in Leeuwarden.
De rechtbank heeft voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding van de opgeëiste persoon bevolen.
2Identiteit van de opgeëiste persoon
De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht en vastgesteld dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat de opgeëiste persoon de Poolse nationaliteit heeft.
3Grondslag en inhoud van het EAB, artikel 12 OLW
Het EAB vermeldt een judgment of the District Court in Wrocław van 25 mei 2023 met referentie II K 131/22.
Uit onderdeel d) van het EAB blijkt dat de opgeëiste persoon niet is verschenen op alle zittingen in het proces dat tot de beslissing heeft geleid: hij was slechts ter gelegenheid van één hearing aanwezig. Ook blijkt echter dat hij op de hoogte was van het voorgenomen proces en een advocaat heeft gemachtigd om op latere zittingsdagen (hearings) zijn verdediging tijdens het proces te voeren, hetgeen ook daadwerkelijk is gebeurd. Er is een kruisje gezet bij deze uitzonderingssituatie en in de toelichting is aangegeven hoe een en ander gelopen is. Daarmee is sprake van de situatie als bedoeld in artikel 12, sub b, OLW. De weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW doet zich dan ook niet voor. Dit oordeel is in lijn met het standpunt van de officier van justitie en brengt met zich mee dat de rechtbank de raadsman niet volgt in zijn verweer, inhoudende dat over de situatie rondom het uitoefenen van de verdedigingsrechten van de opgeëiste persoon nadere vragen gesteld dienen te worden.
De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van drie jaren en twee maanden, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde vonnis.
Dit vonnis betreft de feiten zoals die zijn omschreven in het EAB.
4Strafbaarheid
Feit vermeld op bijlage 1 bij de OLW
De uitvaardigende justitiële autoriteit wijst één van de strafbare feiten aan als vallend onder een zogenoemd lijstfeit, die in Nederland in de lijst van bijlage 1 bij de OLW staat vermeld onder nummer 27, te weten:
verkrachting
Uit het EAB volgt dat op dit feit naar het recht van Polen een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren is gesteld.
Dit betekent dat een onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van dit feit waarvoor de overlevering wordt verzocht, achterwege moet blijven.
Feit waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist
De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft de overige feiten niet aangeduid als feiten waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW zijn neergelegd.
De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan.
Feiten
zware mishandeling
opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroven
opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen
5Artikel 11 OLW: artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de EU
De rechtbank heeft eerder vastgesteld dat, vanwege structurele of fundamentele gebreken in de Poolse rechtsorde, in Polen een algemeen reëel gevaar bestaat van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld.
Nu de raadsman geen concrete elementen heeft aangevoerd waaruit blijkt dat – noch die doen vermoeden dat – die structurele of fundamentele gebreken een concrete invloed hebben gehad op de behandeling van zijn strafzaak, is niet aangetoond dat sprake is van een individueel reëel gevaar van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld en bestaat er ook geen aanleiding om aanvullende gegevens op te vragen.De enkele opmerking van de raadsman van de opgeëiste persoon dat de rechtelijke macht in Polen corrupt is, doet hier niet aan af.
Conclusie
De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe.
7Toepasselijke wetsbepalingen
De artikelen 282, 302 en 350 Wetboek van Strafrecht en 2, 5 en 7 OLW.
Dictum
STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan the Regional Court in Bydgoszcz III Penal Division (Polen) voor de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. O.P.M. Fruytier, voorzitter,
mrs. B.M. Vroom-Cramer en J.E. van Bruggen, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. L.J.F. Ceelie, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 14 november 2024.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.
Zie artikel 23 Overleveringswet.
Zie onderdeel e) van het EAB.
Rb. Amsterdam 10 februari 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:420, r.o. 5.3.1-5.3.3 en Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1794, r.o. 4.4.
Vgl. Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1794, onder verwijzing naar HvJ EU 22 februari 2022, C-562/21 PPU en C-563/21 PPU, ECLI:EU:C:2022:100 (Openbaar Ministerie (Recht op een gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld in de uitvaardigende lidstaat)).