Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2024-07-11
ECLI:NL:RBAMS:2024:6818
Strafrecht
Eerste aanleg - meervoudig
2,013 tokens
Inleiding
vonnis
RECHTBANK AMSTERDAM
Afdeling Publiekrecht
Teams Strafrecht
Parketnummer: 13/106582-22
Datum uitspraak: 11 juli 2024
Vonnis van de meervoudige kamer van de rechtbank Amsterdam, op vordering van de officier van justitie als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht, in de zaak, behorende bij de strafzaak met parketnummer 13/106582-22, tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1988,
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
gedetineerd in de [Penitentiaire Inrichting] ,
hierna: [verdachte] of veroordeelde.
1Onderzoek ter terechtzitting
De rechtbank heeft beraadslaagd naar aanleiding van de vordering van de officier van justitie, mr. N. Levinsohn, het standpunt van de raadsvrouw van veroordeelde, mr. A. Petrescu, en het onderzoek op de terechtzitting van 27 juni 2024.
2Vordering en grondslag daarvan
De vordering van de officier van justitie van 28 mei 2024 strekt tot het vaststellen van het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht wordt geschat en het aan [verdachte] opleggen van de verplichting tot betaling aan de Staat van dat geschatte voordeel tot een maximumbedrag van € 833,33.
[verdachte] is bij vonnis van de rechtbank Amsterdam van 18 augustus 2022 ter zake van het volgende strafbare feit veroordeeld:
Diefstal, vergezeld van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak en inklimming.
3Wederrechtelijk verkregen voordeel
3.1
Standpunt van de officier van justitie
De vordering van de officier van justitie is gebaseerd op het rapport ‘berekening wederrechtelijk verkregen voordeel’ van 10 november 2022. In dit rapport wordt het wederrechtelijk verkregen voordeel geschat op € 833,33. Dit geldbedrag is gebaseerd op het bedrag ter hoogte van € 2.500,- dat de verzekeraar [verzekeraar] ter vergoeding van de schade heeft uitgekeerd aan het slachtoffer. Gelet op het gegeven dat veroordeelde het feit heeft begaan met twee medeverdachten, heeft de officier van justitie dit bedrag gedeeld door drie. Hieruit volgt het gevorderde bedrag van € 833,33. Niet is gebleken dat er kosten zijn gemaakt voor het plegen van dit feit.
3.2
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw van veroordeelde stelt allereerst dat de vordering is gebaseerd op de schatting van [verzekeraar] , terwijl de maatstaf voor dergelijke schattingen in het kader van verzekeringen anders is dan in het strafrechtelijke kader. Daarnaast stelt zij dat niet is vastgesteld dat de weggenomen sieraden daadwerkelijk van goud – en niet slechts goudkleurig – waren. Tot slot is aangevoerd dat de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel moet worden ontleend aan wettige bewijsmiddelen. Nu dat volgens de raadsvouw niet het geval is, stelt zij dat de vordering van de officier van justitie moet worden afgewezen. Zij verwijst hierbij naar de uitspraak van de Hoge Raad van 25 mei 2021.Indien de rechtbank niet meegaat in dit verweer, stelt de raadsvrouw zich subsidiair op het standpunt dat het wederrechtelijk verkregen voordeel slechts gebaseerd dient te worden op het gestolen geldbedrag van maximaal € 300,-. Wanneer dat bedrag wordt gedeeld door het aantal plegers, namelijk drie, zou het wederrechtelijk verkregen voordeel voor veroordeelde ten hoogste kunnen worden vastgesteld op € 100,-.
3.3
Oordeel van de rechtbank
Op basis van artikel 36e, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht kan een geldbedrag van een veroordeelde worden ontnomen, indien aannemelijk is geworden dat hij wederrechtelijk voordeel heeft verkregen uit dat strafbare feit. [verdachte] is op 18 augustus 2022 veroordeeld voor de diefstal van meerdere sieraden, waaronder erfstukken van de ouders van aangeefster. Naar het oordeel van de rechtbank is op basis van het rapport ‘wederrechtelijk verkregen voordeel’ van 10 november 2022 aannemelijk geworden dat [verdachte] door middel van voornoemd strafbaar feit wederrechtelijke voordeel heeft verkregen.
De raadsvrouw heeft aangevoerd dat op basis van het dossier niet is vast te stellen dat de weggenomen sieraden daadwerkelijk van goud waren. De rechtbank overweegt dat aangeefster in haar eerste aangifte onder meer over gouden oorijzers heeft verklaard. Zij heeft verklaard dat dit erfstukken betreffen. Haar verklaring wordt ondersteund door een oude zwart-wit foto van een vrouw in klederdracht die de gouden oorijzers draagt. De specifieke omschrijving van de overige sieraden, zoals de gouden zegelringen met gegraveerde namen, duidt erop dat om het echte gouden sieraden gaat. Ook de verzekeraar is er bij de uitkering van de schadevergoeding vanuit gegaan dat het gouden sieraden betreft. Gelet op deze omstandigheden is er voor de rechtbank geen reden om te twijfelen aan de echtheid van de sieraden. Het wederrechtelijk verkregen voordeel is dan ook voldoende aannemelijk naar het oordeel van de rechtbank.
Aan het subsidiaire verweer van de raadsvrouw - dat de hoogte van het wederrechtelijk verkregen voordeel moet worden gebaseerd op het weggenomen geldbedrag – komt de rechtbank gelet op het bovenstaande niet toe.
De rechtbank gaat ook ten aanzien van de hoogte van het wederrechtelijk verkregen voordeel uit van de berekening zoals die door het Openbaar Ministerie is gemaakt. Gelet op de hoeveelheid en de aard van de sieraden alsmede de goudprijs twijfelt de rechtbank niet aan de schatting van de waarde van de weggenomen sieraden ter hoogte van € 2.500,- die [verzekeraar] heeft gedaan. Daarbij betrekt de rechtbank ook dat [verzekeraar] bij de waardebepaling is uitgegaan van de minimale waarden van dergelijke items. [verdachte] is veroordeeld voor het medeplegen van de diefstal. De rechtbank gaat ervan uit dat sprake is geweest van een pondspondsgewijze verdeling tussen de drie daders. De rechtbank schat het wederrechtelijk verkregen voordeel voor veroordeelde daarom op
€ 833,33.
4Verplichting tot betaling
Er doen zich geen omstandigheden voor die aanleiding geven om de betalingsverplichting te matigen. De rechtbank bepaalt het te ontnemen bedrag daarom op € 833,33.
5Toepasselijke wettelijke voorschriften
De op te leggen maatregel is gegrond op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.
Dictum
De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Stelt vast als wederrechtelijk verkregen voordeel een bedrag van € 833,33 (achthonderddrieëndertig euro en drieëndertig cent).
Legt op aan [verdachte] de verplichting tot betaling van € 833,33 (achthonderddrieëndertig euro en drieëndertig cent) aan de Staat.
Bepaalt de duur van de gijzeling die ten hoogste door de officier van justitie kan worden gevorderd op 16 dagen.
Dit vonnis is gewezen door
mr. M.E.M. James-Pater, voorzitter,
mrs. A.R.P.J. Davids en E. Biçer, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. R.T. Lo Dico, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 11 juli 2024.
Hoge Raad 25 mei 2021, ECLI:NL:HR:2021:764.