Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2024-11-05
ECLI:NL:RBAMS:2024:6707
Strafrecht
Eerste aanleg - meervoudig
2,806 tokens
Inleiding
vonnis
RECHTBANK AMSTERDAM
Afdeling Publiekrecht
Teams Strafrecht
Parketnummer: 81.254363.21
Datum uitspraak: 5 november 2024
Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboortegegevens] 1984,
wonende op het adres [adres]
1Het onderzoek ter terechtzitting
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 22 oktober 2024.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie,
mr. J.J.J. Schutte, en van wat de raadsman van verdachte, mr. R.M. van der Zwan, naar voren heeft gebracht.
2Tenlastelegging
Aan verdachte is – kort gezegd – ten laste gelegd dat zij zich heeft schuldig gemaakt aan het samen met een ander witwassen van € 60.000,-, € 118.000,- en € 90.000,- door deze bedragen respectievelijk contant te storten op de bankrekening van [medeverdachte 1] , contant te storten op haar bankrekening en over te maken naar de bankrekening van [medeverdachte 1] en giraal te ontvangen van [eenmanszaak 1] / [medeverdachte 2] en door vervolgens met deze gelden een woning te kopen, terwijl zij en de medeverdachte wisten of moesten vermoeden dat de gelden afkomstig waren uit enig misdrijf.
De volledige tenlastelegging is opgenomen in een bijlage die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.
3Voorvragen
De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde feit en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.
4Vrijspraak
4.1.
Het standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde en gevorderd dat aan verdachte een gevangenisstraf van acht maanden wordt opgelegd, waarvan vier maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar.
4.2.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft verzocht verdachte vrij te spreken van het tenlastegelegde feit.
4.3.
Beoordeling
De rechtbank acht het ten laste gelegde niet bewezen. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.
Verdachte en haar echtgenoot, medeverdachte [medeverdachte 1] (hierna: [medeverdachte 1] ), hebben op 30 oktober 2018 samen de woning aan de [adres] gekocht. De koopsom van € 389.000,- hebben zij via een betaling aan de notaris voldaan. Zij hebben daar geen hypotheek voor afgesloten. [medeverdachte 1] heeft inkomsten uit zijn eenmanszaak, [eenmanszaak 2] , en verdachte uit haar eenmanszaak [eenmanszaak 3] .
Van de betaling aan de notaris op 30 oktober 2018 is € 100.000,- afkomstig van bankrekening [nummer] ten name van [eenmanszaak 2] en € 300.000,- van bankrekening [nummer] ten name van [medeverdachte 1] .
Op de bankrekening eindigend op -2515 is op 1 oktober 2018 € 100.000,- contant gestort. Op de bankrekening eindigend op -5537 is op 18 september 2018 € 32.000,- overgemaakt vanaf een bankrekening van [eenmanszaak 3] , is op 28 en 29 september 2018 in totaal € 60.000,- contant geld gestort en is op 22 oktober 2018 een overboeking ontvangen van de bankrekening van [eenmanszaak 1] , het bedrijf van [medeverdachte 2] (hierna: [medeverdachte 2] ). Zij is een zus van verdachte. Tenslotte is op 1 oktober 2018 in totaal € 118.000,- overgemaakt naar de bankrekening van [medeverdachte 1] vanaf de bankrekening van verdachte met rekeningnummer [nummer] .
Op deze laatste bankrekening eindigend op -8066 heeft verdachte op 28 en 29 september 2018 in totaal € 60.000,- contant gestort en op 1 oktober 2018 werd op deze bankrekening een overschrijving ontvangen van de bankrekening van [eenmanszaak 3] van € 60.000,-. Op de bankrekening van [eenmanszaak 3] had verdachte op 28 september en 1 oktober 2018 in totaal
€ 59.900,- contant gestort.
Bij witwassen is voor een bewezenverklaring van het in artikel 420bis van het Wetboek van Strafrecht opgenomen bestanddeel “afkomstig uit enig misdrijf” niet vereist dat uit de bewijsmiddelen moet kunnen worden afgeleid dat het voorwerp afkomstig is uit een nauwkeurig bepaald misdrijf. Wel is voor een veroordeling vereist dat vaststaat dat het afkomstig is uit enig misdrijf. Dit kan bewezen worden geacht als het op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is.
De woning is gekocht met een fors bedrag aan gestorte contante gelden. Het is ongebruikelijk dat privépersonen dergelijke grote bedragen aan contant geld bewaren. Het brengt immers aanzienlijke risico’s met zich mee om met grote bedragen aan contant geld op zak te lopen, bijvoorbeeld het risico op diefstal. Verder is bijna een kwart betaald met (giraal) geld dat de zus van verdachte heeft overgemaakt, zonder dat daar een schriftelijke leenovereenkomst aan ten grondslag lag en zonder dat daarvoor enige zekerheid was gesteld. De zus van verdachte wordt verdacht van het op grote schaal witwassen van zorggelden.
Uit het dossier volgt niet uit welk specifiek misdrijf de gelden afkomstig zijn maar op basis van deze feiten en omstandigheden is er wel sprake van een gerechtvaardigd vermoeden dat het geld van enig misdrijf afkomstig is.
Van verdachte en haar medeverdachte [medeverdachte 1] mag dan worden verlangd dat zij een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onaannemelijke verklaring geven dat de gelden niet van misdrijf afkomstig zijn.
Het gaat dan specifiek om de bedragen die zijn opgenomen op de tenlastelegging, te weten de € 60.000,- die gestort is op de bankrekening op naam van [medeverdachte 1] , de € 118.000,- die contant gestort is op de bankrekeningen van verdachte en [eenmanszaak 3] en is doorgestort naar de bankrekening van [medeverdachte 1] en de € 90.000,- die op de bankrekening van [medeverdachte 1] is ontvangen vanaf de bankrekening van [eenmanszaak 1] .
[medeverdachte 1] heeft over de gestorte € 60.000,- verklaard dat al het geld dat hij en zijn vrouw gestort hebben uit hun bedrijven komt en gespaard geld is. Ook verdachte heeft verklaard dat het geld is dat zij en [medeverdachte 1] gespaard hadden en dat ze geld van haar zus [medeverdachte 2] geleend hadden. Over de € 118.000,- heeft verdachte verklaard dat de gestorte € 59.900,- geld is waarvoor zij heeft gewerkt. Zij had eerder van de bankrekening van [eenmanszaak 3]
€ 45.000,- gepind en nu weer gestort en de rest kwam van haar ING-bankrekening en kwam van haar vorige baan. Over de contante stortingen op haar privé-rekening heeft ze gezegd dat dat misschien te maken had met de lening die ze van haar zus had gehad. [medeverdachte 1] heeft verklaard dat het geld van zijn vrouw was en dat het gespaard en geleend zal zijn. Van zijn schoonzus [medeverdachte 2] was een bedrag van € 90.000,- geleend dat was overgemaakt en ze hadden ook nog € 100.000,- aan contant geld van haar geleend. Verdachte heeft verklaard dat ze dat contante geld ook gestort hebben.
De Inspectie Sociale Zaken en Werkgelegenheid (hierna: de inspectie) heeft onderzoek gedaan naar de inkomsten en bankrekeningen van de verdachten.
€ 60.000,- en € 118.000,-
Onderzoek naar de bankrekeningen van verdachte wijst uit dat voorafgaand aan de contante stortingen op de bankrekening van [eenmanszaak 3] ongeveer € 45.000,- is opgenomen van die rekening. Ten aanzien van haar privé-rekening is te zien dat zowel in de periode voor 2016 als vanaf 2016 contante opnames gedaan zijn, zodat de verklaring van verdachte over de resterende € 14.900,- door het dossier niet wordt weerlegd. Uit de aangiftes Inkomstenbelasting blijkt dat [medeverdachte 1] van 2008 tot en met 2018 uit zijn eenmanszaak privé-onttrekkingen heeft gedaan van in totaal € 42.631,-. Verdachte en [medeverdachte 1] hebben verder
€ 100.000,- contant ontvangen van haar zus [medeverdachte 2] . Voor deze lening is een schriftelijke leenovereenkomst gesloten die in het dossier zit. [medeverdachte 2] zou op haar beurt weer geld hebben geleend van haar boekhouder. Uit het dossier blijkt niet dat dit contant geleende bedrag van [medeverdachte 2] van misdrijf afkomstig is.
Het door het Openbaar Ministerie verrichte nader onderzoek sluit een legale herkomst van deze € 60.000,- en € 118.000,- daarmee niet uit.
De officier van justitie heeft gesteld dat de contant geleende € 100.000,- van [medeverdachte 2] het geld betreft dat op de rekening van [eenmanszaak 2] is gestort, maar dit blijkt niet uit het dossier. [medeverdachte 1] heeft over de herkomst van dit bedrag verklaard dat dit (grotendeels) geld uit zijn zaak zou zijn dat hij, in briefjes van € 500,- contant bewaarde. De rechtbank merkt op dat deze verklaring vragen oproept, in het licht van hetgeen naar voren is gekomen uit de aangifte Inkomstenbelasting van [medeverdachte 1] . De € 100.000,- die is gestort op de rekening van [eenmanszaak 2] staat echter niet op de tenlastelegging en valt dus buiten hetgeen aan de rechtbank ter beoordeling is voorgelegd.
€ 90.000,-
Met betrekking tot de € 90.000,- die vanaf de bankrekening van [eenmanszaak 1] werd ontvangen, geldt dat de verklaring van de verdachten niet een verklaring inhoudt dat het geld niet van misdrijf afkomstig is. De rechtbank wijst vandaag namelijk ook vonnis in de strafzaak tegen [medeverdachte 2] en daarin is kort gezegd geoordeeld dat [medeverdachte 2] gelden heeft witgewassen en dat door vermenging het gehele vermogen van [eenmanszaak 1] gedeeltelijk – middellijk of onmiddellijk- van misdrijf afkomstig is. De € 90.000,- is overgemaakt vanaf de rekening van [eenmanszaak 1] en dit geldt dus ook voor dit bedrag.
Dictum
De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Verklaart het ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.
Gelast de teruggave aan verdachte van:
De onverdeelde helft van het recht van erfpacht, gevestigd op de onroerende zaak aan adres [adres]
Dit vonnis is gewezen door
mr. J.M.R. Vastenburg, voorzitter,
mrs. E.M.M. Gabel en E.J. Weller, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. J.W.M. Steenbakkers, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 5 november 2024.