Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2024-10-30
ECLI:NL:RBAMS:2024:6702
Strafrecht; Europees strafrecht
Eerste en enige aanleg
4,438 tokens
Inleiding
RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13-256651-24
Datum uitspraak: 30 oktober 2024
UITSPRAAK
op de vordering van 13 augustus 2024 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).
Dit EAB is uitgevaardigd op 11 juni 2024 door the District Court in Wrocław, Polen (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon] ,
geboren in [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1989,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:
[BRP-adres] ,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.
1Procesgang
De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 16 oktober 2024, in aanwezigheid van mr. G.M. Kolman, officier van justitie. De opgeëiste persoon is niet verschenen. Zijn raadsvrouw, mr. L.V. Romme, advocaat te Breda is wel verschenen.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd.
Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek de gevangenhouding bevolen.
2Identiteit van de opgeëiste persoon
De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht en vastgesteld dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat de opgeëiste persoon de Poolse nationaliteit heeft.
3Het toepasselijke recht
Per 1 oktober 2024 is de Overleveringswet gewijzigd. De wetswijzigingen hebben onmiddellijke werking.
4Grondslag en inhoud van het EAB
Het EAB vermeldt een final and binding judgement of the Regional Court in Trzebnica van 12 december 2022 (met kenmerk II K 795/21), amended by judgment of the District Court in Wrocław van 4 april 2023 (met kenmerk IV Ka 167/23).
De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van twee jaren en zes maanden, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij de hiervoor genoemde beslissingen.
Deze beslissingen betreffen de feiten zoals die zijn omschreven in het EAB.
4.1
Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW
Standpunt van de verdediging
De verdediging stelt zich op het standpunt dat de overlevering geweigerd dient te worden op grond van artikel 12 OLW omdat de opgeëiste persoon niet is verschenen bij de procedure in eerste aanleg noch in hoger beroep, en hij zijn verdedigingsrechten niet heeft kunnen uitoefenen.
Uit de stukken blijkt dat de opgeëiste persoon niet is verschenen bij de zitting in eerste aanleg. De opgeëiste persoon heeft geen kennis gehad van deze procedure. Hij wist ook niet dat hij een toegevoegde advocaat had. Uit de aanvullende informatie van 18 september 2024 blijkt dat de opgeëiste persoon noch zijn advocaat zijn verschenen bij de zitting in hoger beroep op 4 april 2023, waar meteen uitspraak is gedaan. Ook betwist de opgeëiste persoon dat de advocaat gemachtigd was om hoger beroep in te stellen. Uit eerdere uitspraken van de rechtbank volgt dat een toegevoegde advocaat naar Pools recht niet expliciet gemachtigd hoeft te zijn om in een procedure in hoger beroep de verdediging te voeren. Op basis van de aanvullende informatie kan niet worden vastgesteld dat sprake was van een door de opgeëiste persoon gemachtigd advocaat die het hoger beroep in mocht stellen en de verdediging mocht voeren. De opgeëiste persoon betwist ook een oproep te hebben ontvangen voor de procedure in hoger beroep en had dan ook geen kennis van de procedure in hoger beroep. Bovendien is onduidelijk of de aan de opgeëiste persoon verstrekte adresinstructie zich tot over het hoger beroep uitstrekte.
Naar aanleiding van jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie is de laatste beslissing waarmee een zaak ten gronde definitief is afgedaan relevant voor de toets als bedoeld in artikel 12 OLW. Aangezien de opgeëiste persoon noch zijn advocaat aanwezig waren bij de zitting in hoger beroep, en het arrest is gewezen zonder dat zich één van de in artikel 12, sub a tot en met c, OLW genoemde omstandigheden heeft voorgedaan en evenmin een garantie als bedoeld in artikel 12, sub d, OLW is verstrekt, kan de overlevering geweigerd worden. Aangezien hier geen aanleiding is om af te zien van toepassing van deze weigeringsgrond dient de overlevering geweigerd te worden.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW geen belemmering vormt voor overlevering.
Uit het EAB en de aanvullende informatie van 18 september 2024 blijkt niet in welke procedure voor het laatst over schuld en straf is geoordeeld, daarom moeten de procedure in eerste aanleg en hoger beroep zekerheidshalve beide getoetst worden.
Ten aanzien van de procedure in eerste aanleg is sprake van de situatie als genoemd in artikel 12, sub b, OLW, waardoor de weigeringsgrond niet van toepassing is. Er was sprake van een gemachtigd raadsman. De opgeëiste persoon heeft zelf ook verklaard in het begin een advocaat te hebben gehad die hij zelf geregeld had. Ten aanzien van het hoger beroep blijkt uit de aanvullende informatie van 18 september 2024 dat de opgeëiste persoon in persoon is opgeroepen op het adres dat hij na zijn vrijlating uit voorarrest heeft doorgegeven. De enkele, niet onderbouwde, ontkenning hiervan is onvoldoende om te twijfelen aan de informatie van de uitvaardigende justitiële autoriteiten. Hiermee is sprake van de situatie als bedoeld in artikel 12, sub a, OLW en is de weigeringsgrond wederom niet van toepassing.
Subsidiair kan afgezien worden van de weigeringsgrond omdat de opgeëiste persoon kennis had van de tegen hem lopende procedure, een adresinstructie had ontvangen die zich over de hele procedure uitstrekte, een advocaat had en desondanks naar Nederland is gevlucht. Gelet op deze omstandigheden heeft de opgeëiste persoon stilzwijgend afstand gedaan van zijn recht om aanwezig te zijn bij de zittingen en is hij niet in zijn verdedigingsrechten geschaad.
Oordeel van de rechtbank
Als het proces in twee opeenvolgende instanties heeft plaatsgevonden, namelijk een eerste aanleg gevolgd door een procedure in hoger beroep, dan is de laatste van die beslissingen relevant voor de beoordeling of is voldaan aan de vereisten van artikel 4 bis, eerste lid, Kaderbesluit 2002/584/JBZ en artikel 12 OLW, voor zover daartegen geen gewoon rechtsmiddel meer openstaat en daarom de zaak ten gronde definitief is afgedaan. De rechtbank zal dan ook de procedure die heeft geleid tot het arrest van the District Court in Wrocław van 4 april 2023 (met kenmerk IV Ka 167/23) toetsen aan de weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW.
De rechtbank stelt vast dat het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van een arrest terwijl de verdachte niet in persoon is verschenen bij het proces dat tot die beslissing heeft geleid, en dat - kort gezegd - is gewezen zonder dat zich één van de in artikel 12, sub a tot en met c, OLW genoemde omstandigheden heeft voorgedaan en evenmin een garantie als bedoeld in artikel 12, sub d, OLW is verstrekt.
Feiten
De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft de feiten niet aangeduid als feiten waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW zijn neergelegd.
De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan.
Feiten
diefstal door twee of meer verenigde personen
6Artikel 11 OLW
6.1
Artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de EU
De rechtbank heeft eerder vastgesteld dat, vanwege structurele of fundamentele gebreken in de Poolse rechtsorde, in Polen een algemeen reëel gevaar bestaat van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld.
Nu de opgeëiste persoon geen elementen heeft aangevoerd waaruit blijkt dat die structurele of fundamentele gebreken een concrete invloed hebben gehad op de behandeling van zijn strafzaak, is niet aangetoond dat sprake is van een individueel reëel gevaar van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld.
6Detentieomstandigheden
Standpunt van de verdediging
De verdediging stelt zich op het standpunt dat geen gevolg gegeven dient te worden aan het EAB op grond van de weigeringsgrond als bedoeld in artikel 11 OLW, vanwege het reëel gevaar op schending van mensenrechten.
De rechtbank is bekend met het rapport van the European Committee for the Prevention of Torture and Inhuman or Degrading Treatment or Punishment (hierna: CPT) van 22 februari 2024, waarin zorgen worden geuit ten aanzien van zowel de detentieomstandigheden van gedetineerden in gevangenissen, alsmede voorlopig gedetineerden.
De verdediging stelt zich op het standpunt dat, gelet op de bevindingen in het CPT-rapport, een algemeen gevaar dient te worden aangenomen voor schending van één of meer grondrechten. Er bestaan ook ten aanzien van gedetineerden zorgen omtrent medische zorg, leefruimte, en het aantal bezoekmomenten. Er dienen aanvullende garanties te worden verstrekt door de Poolse autoriteiten. Ook wat gevangenissen betreft, moet het CPT opnieuw vaststellen dat, ondanks eerdere aanbevelingen, de omstandigheden rondom de minimumnorm van 3 m2 woonruimte per gedetineerden (exclusief sanitaire voorzieningen) ongewijzigd is gebleven en niet voldoet. Het CPT heeft het standpunt herhaald dat de wettelijke minimumnormen van persoonlijke leefruimte in penitentiaire inrichtingen 6 m2 moet bedragen in een eenpersoonscel en 4m2 per gedetineerde in een meerpersoonscel. Een leefruimte van minder dan 4 m2 verhoogt het risico op schending van artikel 3 EVRM aanzienlijk.
Uit uitspraken van de rechtbank, met name die van 1 oktober 2024, volgt dat het kernpunt voor het aannemen van een gevaar van mensenrechtenschending met betrekking tot voorlopig gehechten het aantal uren is dat een voorlopig gehechte doorbrengt in zijn cel indien een gedetineerde slechts 3m2 persoonlijke ruimte op cel heeft, exclusief sanitair. Uit aanvullende informatie van 27 augustus 2024 in die overleveringszaak volgt dat slechts de absolute ondergrens van 3m2 persoonlijke ruimte wordt gegarandeerd.
Dit is niet anders bij gedetineerden die een vrijheidsstraf uitzitten. Ook daarvan stelt het CPT vast dat de omstandigheden rondom de minimumnorm van 3m2 woonruimte per gedetineerde ongewijzigd is gebleven; ten aanzien van deze groep wordt slechts de absolute ondergrens van 3 m2 persoonlijke ruimte gegarandeerd.
Daarnaast is onder punt 62 van het CPT-rapport ook het standpunt te lezen dat alle gedetineerden, zowel zij die in voorarrest zitten als zij die al veroordeeld zijn, minstens een uur bezoektijd per week moeten krijgen. Uit het rapport volgt dat gevonniste gevangenen slechts recht hadden op twee tot drie bezoeken van maximaal een uur per maand. De verdediging stelt zich op het standpunt dat ook ten aanzien van veroordeelde gedetineerden, op grond van de beschikbare informatie, onvoldoende gegarandeerd is dat er voldoende uren buiten de cel kunnen worden doorgebracht, terwijl vaststaat dat slechts 3 m2 leefruimte gegarandeerd wordt. Derhalve loopt client een reëel gevaar op schending van zijn grondrechten.
De verdediging stelt zich op het standpunt dat gelet op artikel 11 van de OLW geen gevolg gegeven dient te worden aan het Europees aanhoudingsbevel. Gelet op artikel 28, derde lid, OLW, verzoekt de verdediging de rechtbank dan ook om de officier van justitie niet ontvankelijk te verklaren in zijn vordering, en hiermee de overleveringsprocedure te beëindigen.
Subsidiair verzoekt de verdediging de rechtbank om de behandeling van de zaak aan te houden, en de beslistermijn op grond van artikel 22, vierde lid, OLW te verlengen om nader onderzoek te doen naar het reële gevaar van schending van de grondrechten van gedetineerden die een onherroepelijke vrijheidsstraf uitzitten in Polen.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de detentieomstandigheden in Polen geen beletsel vormen voor het toestaan van de overlevering.
Oordeel van de rechtbank
De overlevering van de opgeëiste persoon is door de Poolse autoriteiten verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een aan hem opgelegde gevangenisstraf. Het CPT-rapport van 22 februari 2024 bevat geen gegevens die duiden op een reëel gevaar dat personen – zoals de opgeëiste persoon – die een gevangenisstraf moeten ondergaan, onmenselijk of vernederend worden behandeld zoals bedoeld in artikel 4 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. De rechtbank beschikt ook overigens niet over dergelijke gegevens. De rechtbank verwerpt het verweer.
7Artikel 36 OLW; feitelijke overlevering
Standpunt van de verdediging
De verdediging verzoekt de rechtbank – voor het geval overlevering wordt toegestaan – de feitelijke overlevering uit te stellen aangezien de opgeëiste persoon nog meerdere openstaande strafzaken heeft in Nederland.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie deelt mede dat het openbaar ministerie voornemens is over te gaan tot feitelijke overlevering indien de rechtbank de overlevering toestaat, en dat de openstaande strafzaken daar geen beletsel voor vormen aangezien geen zicht is op de inhoudelijke behandeling(en) van die zaken. Bovendien is sprake van lichte feiten.
Oordeel van de rechtbank
Hoewel de feitelijke overlevering sinds 1 oktober 2024 een kwestie is waarover de rechtbank oordeelt, is het niet een beoordeling die in dit stadium van de overleveringsprocedure voorligt. Een dergelijk verzoek zal dan ook op een raadkamerzitting na de uitspraakdatum door de verdediging aan de orde moeten worden gebracht.
Conclusie
De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe.
9Toepasselijke wetsbepalingen
De artikelen 311 Wetboek van Strafrecht en 2, 5 en 7 OLW.
Dictum
STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan the District Court in Wrocław, Polen voor de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. M.T.C. de Vries, voorzitter,
mrs. M.C. Danel en A.L. op ‘t Hoog, rechters,
in tegenwoordigheid van L.E. Poel, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 30 oktober 2024.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.
Zie artikel 23 Overleveringswet.
Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.
Zie onderdeel e) van het EAB.
De raadsvrouw verwijst hierbij naar ECLI:NL:RBAMS:2024:166.
Hof van Justitie van de Europese Unie, 21 december 2023, C-397/22, LM, (Generalstaatsanwaltschaft Berlin (Condamnation par défaut)), ECLI:EU:C:2023:1030, punt 47 en C-398/22, RQ (Generalstaatsanwaltschaft Berlin (Condamnation par défaut)), ECLI:EU:C:2023:1031, punt 32.
Rb. Amsterdam 10 februari 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:420, r.o. 5.3.1-5.3.3 en Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1794, r.o. 4.4.
Vgl. Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1794, onder verwijzing naar HvJ EU 22 februari 2022, C-562/21 PPU en C-563/21 PPU, ECLI:EU:C:2022:100 (Openbaar Ministerie (Recht op een gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld in de uitvaardigende lidstaat)).
Rechtbank Amsterdam, 5 juni 2024, ECLI:NL:RBAMS:2024:3311.