Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2024-10-17
ECLI:NL:RBAMS:2024:6370
Strafrecht
Eerste aanleg - meervoudig
3,371 tokens
Inleiding
vonnis
RECHTBANK AMSTERDAM
Afdeling Publiekrecht
Teams Strafrecht
Parketnummer: 13/201718-22
Datum uitspraak: 17 oktober 2024
Verkort vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de zaak tegen
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2003,
wonende op het adres [adres 1] .
1Het onderzoek ter terechtzitting
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van
3 oktober 2024.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. M.M. van den Berg, en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. F.D.W. Siccama, naar voren hebben gebracht.
Tevens heeft de rechtbank kennisgenomen van wat A. [slachtoffer ] , dochter van het slachtoffer naar voren heeft gebracht.
2Tenlastelegging
Aan verdachte is – kort gezegd – ten laste gelegd dat op 18 juli 2022 te Amstelveen door zijn schuld een verkeersongeval heeft plaatsgevonden ten gevolge waarvan
[slachtoffer ] is komen te overlijden, dan wel (subsidiair) het veroorzaken van gevaar op de weg.
De volledige tenlastelegging is opgenomen in bijlage I die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.
3Voorvragen
De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde feit en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.
4Waardering van het bewijs
Standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie vindt dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat sprake is van overtreding van artikel 6 WVW 1994, waarbij verdachte zich zeer onvoorzichtig en onoplettend en onachtzaam heeft gedragen in het verkeer.
Ondanks het feit dat het slachtoffer dat op zijn fiets reed in beginsel voorrang had moeten verlenen aan verdachte, is het verkeersongeval veroorzaakt door verdachte door de forse overschrijding van de maximumsnelheid in de bebouwde kom. Het verkeersongeval is dus aan zijn schuld te wijten. De verdachte was een beginnend bestuurder en hij was ter plaatse bekend. Onder die omstandigheden had van de verdachte mogen worden verwacht dat hij zich juist bij het naderen van de oversteekplaats aan de maximumsnelheid had gehouden om te kunnen anticiperen op eventueel kruisend verkeer op de oversteekplaats.
De fietser heeft de Porsche van verdachte nooit kunnen zien, omdat deze op het moment dat hij de weg over stak nog te ver weg was. De verdachte heeft vlak voor de aanrijding nog wel geremd, maar reed dusdanig hard dat het ongeval niet meer kon worden voorkomen.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich wat betreft de bewezenverklaring gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Oordeel van de rechtbank
Feitelijke toedracht
Op 18 juli 2022 wilde verdachte met de Porsche Cayenne van zijn oom een pakketje ophalen bij de COOP aan de [adres 4] te Amstelveen. Hoewel verdachte al bijna op de plaats van bestemming was, heeft hij bij het verlaten van de rotonde met de [adres 5] veel gas gegeven en is hij vervolgens met hoge snelheid tegen een voor verdachte van links komende fietser aangereden, die ter hoogte van de [adres 7] bezig was de [adres 4] over te steken. Al hoewel verdachte nog heeft geprobeerd af te remmen en uit te wijken, lukte het hem niet meer om een aanrijding te vermijden en heeft hij de fietser geschept. De fietser, [slachtoffer ] , is als gevolg van het ongeval komen te overlijden.
Schuld in de zin van artikel 6 WVW
Bij de beoordeling van de vraag of een verdachte schuld heeft aan een ongeval in de zin van artikel 6 WVW komt het volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad aan op het geheel van gedragingen van de verdachte, de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval. Het gaat daarbij om aanmerkelijk onoplettend, onvoorzichtig of onachtzaam verkeersgedrag waardoor het ongeval en de gevolgen daarvan zijn ontstaan.
De Hoge Raad heeft ook overwogen dat niet in zijn algemeenheid kan worden aangegeven of een enkele verkeersfout voldoende kan zijn voor de bewezenverklaring van schuld in de zin van artikel 6 WVW. Bij die beoordeling zijn meerdere factoren van belang.
Uit onderzoek van het NFI is gebleken dat de meest waarschijnlijke snelheid waarmee verdachte kort voor het ongeval reed, 98km/u per uur was. Ter plaatse is de maximum toegestane snelheid 50 km/u. Verdachte reed dus bijna twee keer zo hard als was toegestaan.
Er was voor verdachte juist alle reden was om zijn snelheid te matigen. Verdachte was een beginnend bestuurder en reed in een voor hem onbekende, snelle auto: de Porsche Cayenne van zijn oom, die hij zonder diens toestemming had meegenomen. Dit zijn auto’s die veel meer vermogen hebben dan de gemiddelde personenauto en verdachte koos er desondanks voor het gaspedaal flink in te drukken. Zo blijkt onder meer uit de getuigenverklaringen, die beschrijven dat verdachte bij de rotonde veel gas geeft en die zijn rijstijl aanduiden met “als een bezetene rijden” en “wat een aso”. Verdachte was ter plaatse bekend en hij wist, zo heeft hij ter terechtzitting verklaard, dat er na de rotonde een oversteekplaats voor fietsers was. Ook waren er meerdere winkels in de directe omgeving waardoor verdachte ook met drukker verkeer ter plaatse diende rekening te houden. Door de hoge snelheid zag verdachte het slachtoffer pas op het laatste moment en was hij niet meer in staat om adequaat te reageren .
Motivering
Eis van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor het door haar primair bewezen geachte feit zal worden veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van 3 maanden, met een proeftijd van 2 jaren, een taakstraf van 100 uren, met bevel, voor het geval dat verdachte de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van 50 dagen en een ontzegging van de bevoegdheid om motorrijtuigen te besturen (OBM) voor de duur van 1 jaar.
Strafmaatverweer van de verdediging
De verdediging heeft er op gewezen dat in dit geval een hoge taakstraf en/of een lange proeftijd meer betekenisvolle alternatieven zijn ten opzichte van een korte gevangenisstraf. Dit geldt ook voor een lange voorwaardelijke OBM ten opzicht van een onvoorwaardelijke OBM. Verdachte was ten tijde van het misdrijf nog jong en zijn hersenen waren nog niet volgroeid. Hij heeft zijn zaken nu veel beter op orde. Hij neemt zijn verantwoordelijkheid en is ook bereid om de schade te betalen. Als verdachte nu vast zou komen te zitten dan zou dat veel kapot maken in verband met zijn werk, huurhuis en degelijke. Verdachte heeft sindsdien ook geen nieuwe strafbare feiten meer gepleegd.
Oordeel van de rechtbank
De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.
De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.
Verdachte heeft een verkeersongeval veroorzaakt ten gevolge waarvan [slachtoffer ] is komen te overlijden. Verdachte heeft als onervaren rijder in een Porsche, een auto met een groot motorvermogen, een onverantwoord risico genomen door met hoge snelheid te gaan rijden op een weg in een winkelgebied binnen de bebouwde kom. Als gevolg daarvan heeft verdachte de overstekende fietser [slachtoffer ] veel te laat opgemerkt en is hij tegen hem aangereden. Het slachtoffer is later aan ernstige verwondingen in het ziekenhuis komen te overlijden. Het plotseling overlijden van het slachtoffer heeft groot leed bij de nabestaanden teweeg gebracht, zoals blijkt uit een ter terechtzitting voorgedragen verklaring.
Wat betreft de strafoplegging heeft de rechtbank gekeken naar straffen die voor vergelijkbare gevallen door rechtbanken en gerechtshoven worden opgelegd en naar de landelijke oriëntatiepunten voor straftoemeting.
Zij houdt daarnaast in strafmatigende zin rekening met het tijdsverloop: het ongeval vond inmiddels meer dan twee jaar geleden plaats, en de nog jeugdige leeftijd van verdachte ten tijde van het ongeval (18 jaar). Ook wordt rekening gehouden met de omstandigheid dat verdachte blijkens een uittreksel Justitiële Documentatie van 27 september 2024 nadien niet meer voor delicten terzake de Wegenverkeerswet met politie en justitie in aanraking is gekomen.
Ter terechtzitting heeft verdachte er blijk van gegeven inmiddels het onverantwoorde van zijn handelen in te zien en heeft hij aangegeven graag met de nabestaanden in gesprek te willen.
Gelet op de mate van schuld die de rechtbank bewezen acht, de ernst van de verweten gedraging en de gevolgen daarvan, acht de rechtbank in dit geval, gelijk de eis van de officier van justitie, het opleggen van een taakstraf in combinatie met een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf passend en geboden. Daarnaast acht de rechtbank in het kader van de verkeersveiligheid het opleggen van een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen noodzakelijk, zij het dat de rechtbank daarbij tot een kortere ontzegging komt dan door de officier van justitie geëist. Gezien het tijdsverloop en het belang van verdachte bij behoud van zijn werk zal deze bijkomende straf bovendien deels voorwaardelijk worden opgelegd.
De voorwaardelijke straffen strekken er mede toe verdachte ervan te doordringen in de toekomst de grootst mogelijke voorzichtigheid in het verkeer in acht te nemen.
10Toepasselijke wettelijke voorschriften
De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c en 22d van het Wetboek van Strafrecht en op de artikelen 6, 175 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994.
De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Dictum
Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.
Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Het bewezen verklaarde levert op:
Overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander wordt gedood.
Verklaart het bewezene strafbaar.
Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.
Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 3 (drie) maanden.
Bepaalt dat deze straf niet ten uitvoer gelegd zal worden, tenzij later anders wordt gelast.
Stelt daarbij een proeftijd van 2 (twee) jaren vast.
De tenuitvoerlegging kan worden bevolen als de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit.
Veroordeelt verdachte tot een taakstraf van 100 (honderd) uren, met bevel, voor het geval dat de verdachte de taakstraf niet naar behoren heeft verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van 50 (vijftig) dagen.
Ontzegt verdachte de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de tijd van 6 (zes) maanden.
Bepaalt dat de duur van deze ontzegging wordt verminderd met de tijd gedurende welke het rijbewijs vóór het tijdstip waarop de straf ingaat, ingevorderd en ingehouden is geweest.
Beveelt dat een gedeelte, groot 3 (drie) maanden van deze bijkomende straf niet tenuitvoergelegd zal worden, tenzij later anders wordt gelast.
Stelt daarbij een proeftijd van 2 (twee) jaren vast.
De tenuitvoerlegging kan worden gelast indien veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit schuldig maakt.
Dit vonnis is gewezen door
mr. R.A. Overbosch, voorzitter,
mrs. J. Thomas en B.C. Langendoen, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. D. West, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 17 oktober 2024.
[...]
Zie onder meer de arresten van de Hoge Raad van 1 juni 2004, LJN AO5822 en van 29 april 2008, LJN BD0544.