Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2024-09-27
ECLI:NL:RBAMS:2024:6016
Civiel recht; Burgerlijk procesrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,834 tokens
Inleiding
RECHTBANK Amsterdam
Afdeling privaatrecht, voorzieningenrechter civiel
Zaaknummer: C/13/752759 / KG ZA 24-537 IHJK/MAH
Vonnis in kort geding van 27 september 2024
in de zaak van
1 [eiser 1] ,
wonende te [woonplaats] ,
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid2. [eiser 2] B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid3. HAABER GROUP B.V.,
gevestigd te Amsterdam,
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid4. BPM HUYS B.V.,
gevestigd te Amsterdam,
eisers bij concept-dagvaarding van 24 juni 2024,
hierna samen te noemen: eisers,
advocaat: mr. A. (Adil) Mao te Schiedam,
tegen
de naamloze vennootschap
ING BANK N.V.,
gevestigd te Amsterdam,
gedaagde partij,
hierna te noemen: ING,
advocaat: mr. M.E.G. Murris
1Inleiding
1.1.
ING heeft de bankrelatie met [eiser 1] in februari 2024 opgezegd. Op 24 juni 2024 hebben eisers bij de voorzieningenrechter een datum voor een kort geding tegen ING aangevraagd. De zitting zou plaatsvinden op (aanvankelijk 7 juli 2024 maar is verplaatst naar) woensdag 14 augustus 2024 om 9:30 uur. In de (concept)dagvaarding, vorderen eisers veroordeling van ING tot herstel en voortzetting van de bankrelatie met hen. ING heeft de (concept)dagvaarding ontvangen.
1.2.
Partijen hebben vervolgens, voorafgaand aan de geplande zittingsdatum, met elkaar gecorrespondeerd. ING heeft aan [eiser 1] bij email van 18 juli 2024 laten weten dat zij geen ruimte ziet voor een minnelijke regeling.
1.3.
De advocaten van ING hebben vervolgens een conclusie van antwoord opgesteld, die zij naar eigen zeggen op 6 augustus 2024 aan ING hebben toegestuurd.
1.4.
Mr. Mao heeft daarop op 13 augustus 2024 om 15:49 uur met een intrekkingsbericht in het digitaal dossier het kort geding ingetrokken.
De zitting heeft geen doorgang gevonden.
1.5.
ING heeft op 28 augustus 2024 verzocht, op grond van artikel 8.1
Landelijk procesreglement kort gedingen rechtbanken, eisers bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis te veroordelen tot betaling van de werkelijke proceskosten aan de zijde van ING, bestaande uit de advocaatkosten ad € 11.083,00 incl. BTW, onder andere voor de voorbereidingen aan de conclusie van antwoord, plus griffierechten en eventuele nakosten. Subsidiair heeft ING verzocht de proceskosten te berekenen volgens het liquidatietarief.
Beoordeling
2.1.
In artikel 8.1 van het Landelijk procesreglement kort gedingen rechtbanken is, in navolging van HR 3 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1087, voorzien in de mogelijkheid om na intrekking van een kortgedingprocedure te beslissen op een verzoek van gedaagde om eiser te veroordelen in de proceskosten. Een dergelijk verzoek moet worden ingediend binnen 14 dagen na de datum waartegen de gedaagde was opgeroepen. Het is niet zonder meer gezegd dat ING, die tijdig het verzoek heeft ingediend om ten laste van eisers een proceskostenveroordeling uit te spreken, die ook zonder meer verkrijgt. Bezien moet worden om welke reden(en) de intrekking heeft plaatsgevonden. Een vordering tot vergoeding van de volledige proceskosten in afwijking van het liquidatietarief is bovendien alleen toewijsbaar in geval van misbruik van procesrecht of onrechtmatig handelen.
2.2.
Eisers hebben ondanks herhaald verzoek niet gereageerd op het verzoek van ING van 28 augustus 2024 om eisers in de kosten te veroordelen. Eisers hebben dus ook niet betwist dat ING kosten heeft gemaakt voor de voorbereiding van de zitting. ING heeft dat ook onderbouwd door overlegging van een concept conclusie van antwoord. Ook overigens komt het verzoek niet onrechtmatig of ongegrond voor, zodat het zal worden toegewezen. Resteert de vraag of de kosten moeten worden berekend volgens het gebruikelijke liquidatietarief of dat - zoals ING primair verzoekt - de door ING gestelde daadwerkelijke kosten moeten worden toegewezen.
2.3.
ING voert aan dat sprake is van misbruik van procesrecht dan wel onrechtmatig procederen. Gelet op de evidente ongegrondheid van de vordering en in verband met de betrokken belangen van ING hadden eisers het instellen van de vordering achterwege moeten laten. Op een verzoek om te verklaren waarom het kort geding op het allerlaatste moment is ingetrokken hebben eisers niet gereageerd, aldus steeds ING.
2.4.
Nu eisers niet hebben gereageerd op het verzoek van ING, blijft de reden van intrekking onbekend. In februari 2024 heeft ING de bankrelatie met eisers beëindigd wegens verdenking van grootschalige taxatiefraude in de autobranche. Of de (ingetrokken) vordering van eisers evident ongegrond was, kan zonder een inhoudelijke behandeling niet zomaar worden aangenomen. Van misbruik van procesrecht of onrechtmatig procederen is daarom geen sprake, zodat een veroordeling in de werkelijke proceskosten hier niet op zijn plaats is.
2.5.
De slotsom is dat eisers zullen worden veroordeeld in de proceskosten, waarbij het salaris advocaat wordt berekend volgens het liquidatietarief. Deze proceskosten van ING worden begroot op:
- griffierecht
€
688,00
- salaris advocaat
€
1.107,00
- nakosten
€
178,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
1.973,00
Dictum
De voorzieningenrechter
3.1.
veroordeelt eisers tot betaling van de proceskosten aan de zijde van ING, een bedrag van € 1.973,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als het vonnis wordt betekend,
3.2.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
3.3.
wijst het meer of anders verzochte af.
Dit vonnis is gewezen door mr. I.H.J. Konings , voorzieningenrechter, bijgestaan door mr. M.A.H. Verburgh, en in het openbaar uitgesproken op 27 september 2024.
Type: MAH
Coll: MV
BAR-nummerA31664