Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2024-09-12
ECLI:NL:RBAMS:2024:5765
Strafrecht; Europees strafrecht
Eerste en enige aanleg
2,238 tokens
Inleiding
RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13-071815-23
Datum uitspraak: 12 september 2024
UITSPRAAK
op de vordering van 11 juli 2024 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).
Dit EAB is uitgevaardigd op 25 oktober 2021 door the Târgu-Mureş District Court, Roemenië (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon] ,
geboren in [geboorteplaats] (Roemenië) op [geboortedag] 1986,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:
[BRP adres]
gedetineerd in [detentieplaats] ,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.
1Procesgang
De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 29 augustus 2024, in aanwezigheid van mr. W.H.R. Hogewind, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. J.P.A. van Schaik, advocaat te Veenendaal en door een tolk in de Roemeense taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd.
Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen.
2Identiteit van de opgeëiste persoon
Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Roemeense nationaliteit heeft.
3Grondslag en inhoud van het EAB
Het EAB vermeldt een final and enforceable judgement – criminal sentence no. 118 from the Tîrgu-Mureş District Court van 12 februari 2021 (case no. 5242/320/2020), final by criminal decision no. 294/A from the Târgu-Mureş Court of Appeal van 28 juni 2021.
De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van twee jaren, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. Van deze straf is volgens het EAB al één dag uitgezeten. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij de hiervoor genoemde beslissingen.
Deze beslissingen betreffen het feit zoals dat is omschreven in het EAB.
3.1
Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW
Standpunt van de verdediging
De verdediging stelt zich op het standpunt dat de weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW van toepassing is aangezien de opgeëiste persoon geen wetenschap had van de procedure in hoger beroep. De Roemeense autoriteiten stellen in de aanvullende informatie van 18 juli 2024 dat de opgeëiste persoon op de hoogte zou zijn geweest van de procedure in hoger beroep, dit wordt echter niet onderbouwd. In het EAB is alleen informatie opgenomen over de eerste aanleg, terwijl de procedure in hoger beroep moet worden getoetst aan artikel 12 OLW. Overlevering moet daarom worden geweigerd op grond van artikel 12 OLW.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat artikel 12 OLW niet in de weg staat aan overlevering. De procedure in hoger beroep dient getoetst te worden aan artikel 12 OLW. Uit de aanvullende informatie van de Roemeense autoriteiten van 18 juli 2024 blijkt dat de opgeëiste persoon aanwezig was bij de procedure in eerste aanleg, dat het hoger beroep is ingesteld op verzoek van de opgeëiste persoon, en dat hij heeft getekend voor ontvangst van de oproep voor de zitting in hoger beroep. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat hij zich niet kan herinneren welke aktes hij heeft ontvangen. Gelet op het vertrouwensbeginsel moet worden uitgegaan van de juistheid van de aanvullende informatie van de Roemeense autoriteiten. Door niet te reageren op de oproep, en niet ter zitting te verschijnen, heeft hij stilzwijgend afstand gedaan van zijn recht om aanwezig te zijn bij de procedure in hoger beroep.
Oordeel van de rechtbank
Als het proces in twee opeenvolgende instanties heeft plaatsgevonden, namelijk een eerste aanleg gevolgd door een procedure in hoger beroep, dan is de laatste van die beslissingen relevant voor de beoordeling of is voldaan aan de vereisten van artikel 4 bis, eerste lid, Kaderbesluit 2002/584/JBZ en artikel 12 OLW, voor zover daartegen geen gewoon rechtsmiddel meer openstaat en daarom de zaak ten gronde definitief is afgedaan. In dit geval dient de procedure die heeft geleid tot het arrest van the Târgu-Mureş Court of Appeal van 28 juni 2021 getoetst te worden aan artikel 12 OLW.
De rechtbank stelt vast dat het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van een arrest terwijl de verdachte niet in persoon is verschenen bij het proces dat tot die beslissing heeft geleid, en dat - kort gezegd - is gewezen zonder dat zich één van de in artikel 12, sub a tot en met c, OLW genoemde omstandigheden heeft voorgedaan en evenmin een garantie als bedoeld in artikel 12, sub d, OLW is verstrekt.
Gelet daarop kan de overlevering ex artikel 12 OLW worden geweigerd.
De rechtbank ziet echter aanleiding om af te zien van haar bevoegdheid om de overlevering te weigeren. Zij acht daarbij het volgende van belang.
Uit de aanvullende informatie van de Roemeense autoriteiten van 18 juli 2024 blijkt dat de opgeëiste persoon zijn gekozen advocaat hoger beroep heeft laten instellen, en dat hij persoonlijk heeft getekend voor ontvangst van de oproep voor de zitting in hoger beroep.
Naar het oordeel van de rechtbank maken deze omstandigheden dat het toestaan van de overlevering geen schending van de verdedigingsrechten van de opgeëiste persoon oplevert. De opgeëiste persoon was op de hoogte van de tegen hem lopende hoger beroep-procedure. Zo hij al niet uit eigen beweging stilzwijgend afstand heeft gedaan van zijn recht om in persoon te verschijnen bij het proces dat tot het arrest heeft geleid, is hij op zijn minst kennelijk onzorgvuldig geweest door geen navraag te doen bij zijn gekozen advocaat met betrekking tot de procedure in hoger beroep.
4Strafbaarheid
Feit waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist
De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft het feit niet aangeduid als een feit waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt.
Conclusie
De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe.
7Toepasselijke wetsbepalingen
De artikelen 311 Wetboek van Strafrecht en 2, 5, 7 en 12 OLW.
Dictum
STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan the Târgu-Mureş District Court, Roemenië voor het feit zoals dat is omschreven in onderdeel e) van het EAB.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. M.E.M. James-Pater, voorzitter,
mrs. M.C. Danel en A. Pahladsingh, rechters,
in tegenwoordigheid van L.E. Poel, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 12 september 2024.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.
Zie artikel 23 Overleveringswet.
Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.
Zie onderdeel e) van het EAB.
Hof van Justitie van de Europese Unie, 21 december 2023, C-397/22, LM, (Generalstaatsanwaltschaft Berlin (Condamnation par défaut)), ECLI:EU:C:2023:1030, punt 47 en C-398/22, RQ (Generalstaatsanwaltschaft Berlin (Condamnation par défaut)), ECLI:EU:C:2023:1031, punt 32.
Zie bijvoorbeeld rechtbank Amsterdam, 11 mei 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:2513, rechtsoverweging 5.
Hof van Justitie van de Europese Unie, 25 juli 2018, zaak ML (C-220/18 PPU, ECLI:EU:C:2018:589), punt 114.