Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2024-08-08
ECLI:NL:RBAMS:2024:5722
Strafrecht; Materieel strafrecht
Eerste aanleg - meervoudig
3,024 tokens
Inleiding
vonnis
RECHTBANK AMSTERDAM
Afdeling Publiekrecht
Teams Strafrecht
Parketnummer: 13/088161-24 Parketnummer vordering tul: 13/157789-22
Datum uitspraak: 8 augustus 2024
Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ,
wonende op het adres [BRP adres] ,
nu gedetineerd in [detentieplaats] .
1Onderzoek op de zitting
Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de zitting van 8 augustus 2024.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. L. Lopez de Vries, en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. M.D. Rijnsburger, naar voren hebben gebracht.
2Tenlastelegging
Aan verdachte is ten laste gelegd dat hij op of omstreeks 12 maart 2024 te Amsterdam, in elk geval in Nederland,
een vuurwapen van categorie III, te weten een omgebouwd gas/alarmpistool, merk Blow model mini 9, kaliber 9 mm kort, en
munitie van categorie III, te weten een of meer patro(o)n(en), merk Sellier & Bellot, kaliber 9 mm kort,
voorhanden heeft gehad.
3Waardering van het bewijs
3.1
Standpunten op de zitting
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit.
De raadsman heeft geen bewijsverweren gevoerd.
3.2
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank komt tot de bewezenverklaring van het tenlastegelegde op grond van de bewijsmiddelen, waarbij de rechtbank – omdat verdachte het feit heeft bekend en door of namens hem geen vrijspraak is bepleit – conform artikel 359, derde lid, laatste volzin van het Wetboek van Strafvordering, zal volstaan met een opsomming van de bewijsmiddelen:
de bekennende verklaring van verdachte zoals afgelegd ter terechtzitting van 8 augustus 2024;
het in wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van bevindingen met nummer PL1300-2024059035-13 van verbalisanten [naam verbalisant 1] en [naam verbalisant 2] van 12 maart 2024 (doorgenummerde pagina’s A001-A004);
het in wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal wapenonderzoek met nummer PL1300-2024059035 van verbalisant [naam verbalisant 3] van 13 maart 2024 (doorgenummerde pagina’s C001-C005).
4Bewezenverklaring
De rechtbank acht, op grond van de hierboven genoemde bewijsmiddelen waarin de redengevende feiten en omstandigheden zijn vervat, bewezen dat verdachte op 12 maart 2024 te Amsterdam
een vuurwapen van categorie III, te weten een omgebouwd gas/alarmpistool, merk Blow model mini 9, kaliber 9 mm kort, en
munitie van categorie III, te weten patronen, merk Sellier & Bellot, kaliber 9 mm kort,
voorhanden heeft gehad.
5Strafbaarheid van de feiten
Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigings-grond is niet aannemelijk geworden.
6Strafbaarheid van verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.
7Oplegging van de straf
7.1
Standpunt van het openbaar ministerie
De officier van justitie heeft gevorderd het adolescentenstrafrecht toe te passen en voor de hoogte van de straf aansluiting te zoeken bij de oriëntatiepunten voor meerderjarigen. De officier heeft gevorderd dat aan verdachte een jeugddetentie voor de duur van 270 dagen, met aftrek van het voorarrest, waarvan 108 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar zal worden opgelegd. Aan het voorwaardelijk strafdeel zouden de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden moeten worden gekoppeld.
7.2
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft verzocht het adolescentenstrafrecht toe te passen en een jeugddetentie van ten hoogste tien weken op te leggen. Subsidiair is verzocht om de voorlopige hechtenis bij uitspraak op te heffen, zodat verdachte de start van het nieuwe schooljaar kan halen.
7.3
Oordeel van de rechtbank
De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezenverklaarde feit, de omstandigheden waaronder dit feit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.
De rechtbank heeft bij de keuze voor het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.
Aard en ernst van het feit en overige omstandigheden
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben van een vuurwapen en bijbehorende munitie.
Het ongecontroleerde bezit van vuurwapens vormt een onaanvaardbaar risico op het gebruik ervan en zorgt voor gevoelens van onrust en onveiligheid in de samenleving. De rechtbank vindt het zorgelijk en rekent verdachte zwaar aan dat het een geladen vuurwapen betrof en dat hij dit vuurwapen bij zich had op school. Ook het gegeven dat er in Amsterdam in toenemende mate sprake is van vuurwapenproblematiek, wat verdachte met zijn handelen in stand houdt, wordt in strafverzwarende zin meegewogen.
De rechtbank heeft gekeken naar het Uittreksel Justitiële Documentatie (het strafblad) betreffende verdachte van 28 mei 2024. Hieruit blijkt dat verdachte ondanks zijn jonge leeftijd al eerder onherroepelijk is veroordeeld voor een soortgelijk feit, waarvoor een deels voorwaardelijke werkstraf is opgelegd, en dat hij ten tijde van het bewezen verklaarde feit daarvan in een proeftijd liep. Hij heeft over de achtergrond van dit vuurwapenbezit echter nauwelijks duidelijkheid willen verschaffen. Wel is duidelijk dat verdachte zich in een circuit bevindt waarin men over wapens beschikt. Dit alles baart de rechtbank zorgen.
Adolescentenstrafrecht
Verdachte was ten tijde van het plegen van het bewezen verklaarde feit net achttien jaar oud en dus meerderjarig. Ten aanzien van een jongvolwassen verdachte die ten tijde van het begaan van een strafbaar feit meerderjarig was, maar nog onder de leeftijd van 23 jaar, kan het adolescentenstrafrecht worden toegepast, indien omstandigheden gelegen in de persoon van verdachte of omstandigheden waaronder het feit is begaan daartoe aanleiding geven.
Bij de vraag of in deze zaak het jeugdstrafrecht moet worden toegepast, heeft de rechtbank gekeken naar de pro Justitia rapportage van 4 juli 2024, opgesteld door GZ-psycholoog [naam 1] en het reclasseringsadvies van 25 juli 2024 van [naam 2] . Uit de adviezen volgt dat aanleiding wordt gezien om het jeugdstrafrecht toe te passen. Verdachte woont nog thuis, maakt actief onderdeel uit van het gezin en er is nog geen sprake van duidelijke zelfstandigheid. De inschatting is dat pedagogische beïnvloeding kans van slagen heeft. Daarbij is het van belang dat verdachte terug naar school gaat om zijn opleiding te hervatten, waarvoor hij ook gemotiveerd is.
De rechtbank ziet, met de officier van justitie en de raadsman, aanknopingspunten in de persoon van verdachte om het adolescentenstrafrecht toe te passen. De rechtbank stelt voorop dat de ernst van het bewezen verklaarde feit geen reden is om geen toepassing te geven aan het adolescentenstrafrecht.
Dictum
De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 vermeld.
Het bewezenverklaarde levert op:
de eendaadse samenloop van
handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III
en
handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.
Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar.
Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.
Veroordeelt verdachte tot een jeugddetentie voor de duur van 8 (acht) maanden.
Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering zal worden gebracht.
Beveelt dat een gedeelte, groot 3 (drie) maanden, van de jeugddetentie niet tenuitvoergelegd zal worden, tenzij later anders wordt gelast.
Stelt daarbij een proeftijd van 2 (twee) jaar vast.
De tenuitvoerlegging kan worden gelast indien veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit schuldig maakt of de hierna te noemen voorwaarden niet heeft nageleefd.
Stelt als bijzondere voorwaarden dat veroordeelde:
zich meldt bij de reclassering
Veroordeelde meldt zich op afspraken met Reclassering Nederland, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering zal contact opnemen met veroordeelde voor de eerste afspraak.
zich laat begeleiden
Veroordeelde laat zich begeleiden door Levvel of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering. De begeleiding duurt de gehele proeftijd of zo lang als de reclassering nodig vindt. Hierbij wordt aandacht besteed aan het sociale netwerk van veroordeelde. Veroordeelde houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de begeleider geeft.
onderwijs volgt
Veroordeelde vervolgt zijn opleiding of volgt een ander soort opleiding zo lang de reclassering nodig vindt.
dagbesteding vindt en behoudt
Veroordeelde spant zich in voor het vinden en behouden van betaald werk, onbetaald werk en/of vrijetijdsbesteding, met een vaste structuur.
Geeft aan Reclassering Nederland de opdracht als bedoeld in artikel 77aa, derde lid, van het Wetboek van Strafrecht, toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.
Voorwaarden daarbij zijn dat veroordeelde gedurende de proeftijd:
ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht als bedoeld in artikel 77aa, eerste tot en met vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht, daaronder begrepen de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht.
Wijst toe de vordering tot tenuitvoerlegging met parketnummer 13/157789-22.
Heft op het bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van vandaag.
Dit vonnis is gewezen door:
mr. M. Wiltjer, voorzitter,
mrs. Ch.A. van Dijk en E. van den Brink, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. M.C.A. Olsen, griffier,
en uitgesproken op de openbare zitting van deze rechtbank van 8 augustus 2024.