Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2024-09-11
ECLI:NL:RBAMS:2024:5619
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,489 tokens
Inleiding
RECHTBANK AMSTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 23/4841
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 11 september 2024 in de zaak tussen
[eiser] , uit Amsterdam, eiser
(gemachtigde: mr. B.G. Meijer),
en
het Centraal Administratie Kantoor (het CAK ), verweerder
(gemachtigde: [gemachtigde] .
Inleiding
Op 21 februari 2023 stuurde verweerder eiser een correctiefactuur voor de eigen bijdrage over de periode oktober 2022 tot en met februari 2023 ter hoogte van € 2.162,98. De eigen bijdrage voor de maanden november 2022 tot en met februari 2023 bedraagt € 498,10 per maand. Voor de eigen bijdrage voor oktober 2022 is een gecorrigeerd bedrag van € 170,58 vermeld.
1.2.
Met het bestreden besluit van 26 juni 2023 op het bezwaar van eiser is verweerder bij dat besluit gebleven.
1.3.
Eiser heeft hiertegen beroep ingesteld.
1.4.
De rechtbank heeft het beroep op 22 augustus 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en zijn gemachtigde en A. Kruszynski als tolk in de Poolse taal en de gemachtigde van verweerder.
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de vaststelling van de hoogte van de eigen bijdrage over de periode oktober 2022 tot en met februari 2023 die door verweerder bij eiser in rekening is gebracht voor de zorg (beschermd wonen) die hij ontving op grond van de Wmo.
Beoordeling
2. De rechtbank beoordeelt of verweerder het bedrag zoals vermeld op de correctiefactuur van 21 februari 2023 en gehandhaafd met het bestreden besluit, correct heeft vastgesteld. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser.
3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond, maar oordeelt dat er wel reden is om aan eiser zijn proceskosten in beroep te vergoeden. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Beroepsgronden
4. Eiser voert aan dat het bedrag van € 2.162,98 onjuist is vastgesteld. Volgens eiser heeft hij de eigen bijdrage over de maand december 2022 al betaald. Daarnaast is de hoorplicht geschonden. Eiser is niet in de gelegenheid gesteld om zijn bezwaren mondeling toe te lichten.
De bedragen van januari en februari 2023
5. Eiser heeft een eerdere beroepsgrond, dat de bedragen over de maanden januari en februari 2023 onjuist op de correctiefactuur staan vermeld, op de zitting ingetrokken. De rechtbank laat deze grond daarom verder onbesproken.
Betaling van december 2022
6. Eiser heeft in bezwaar ter onderbouwing van zijn stellingen een eigen betaaloverzicht meegestuurd. Hierop staan de bij- en afschrijvingen aan verweerder vermeld over de periode 26 januari 2022 tot en met 30 januari 2023. Eiser stelt onder verwijzing naar dit overzicht, dat hij de eigen bijdrage over de maand december 2022 al op 27 december 2022 aan verweerder heeft voldaan.
7. De rechtbank concludeert dat uit het betaaloverzicht van eiser blijkt dat er op 27 december 2022 inderdaad een bedrag van € 498,10 van zijn bankrekening is afschreven. Verweerder heeft er echter terecht op gewezen, dat deze betaling op 13 januari 2023 op de rekening van eiser is teruggestort. De rechtbank leidt dit af uit hetgeen op het betaaloverzicht van eiser staat vermeld, achter de bijschrijving op 13 januari 2023, namelijk: WM0 22 12 27 0000117 (vetgedrukt door de rechtbank). Dat dit bedrag op 13 januari 2023 aan eiser is terugbetaald is naar het oordeel van de rechtbank ook navolgbaar, omdat gebleken is dat de eigen bijdrage voor de maand december 2022 pas met de correctiefactuur van 21 februari 2023 bij eiser in rekening is gebracht en niet eerder. Verweerder heeft toegelicht dat dit de reden voor de terugbetaling is geweest.
8. Dat de terugbetaling op 13 januari 2023 betrekking had op de maand november 2022, zoals eiser op zitting heeft gesteld, volgt de rechtbank dus ook niet. Verweerder heeft op de zitting nog toegelicht dat de eigen bijdrage voor de maand november 2022 voor het eerst in rekening is gebracht met de factuur van 18 november 2022 (nummer 15023073413), waarna verweerder op 20 december 2022 aan eiser een correctiefactuur (nummer 15023082606) heeft gestuurd, waarin staat dat de eigen bijdragen voor de maanden oktober 2022 (€ -170,58) en november 2022 (€ -498,10) moeten worden gecorrigeerd omdat deze bedragen te veel zijn berekend. Deze correctiefactuur van 20 december 2022 bleek later echter weer niet geheel juist te zijn, aldus verweerder, waarna de eigen bijdrage voor november 2022 met de correctiefactuur van 21 februari 2023 weer in rekening is gebracht. Gevraagd naar de reden van de vele (correctie)facturen, heeft verweerder heeft op de zitting uiteengezet dat zijn organisatie vanuit de systemen van gemeenten en/of zorginstellingen regelmatig al dan niet geautomatiseerde ‘stopberichten’ ontvangt, die naderhand moeten worden gecorrigeerd, waardoor er over periodes correctiefacturen moeten worden gestuurd.
9. Hoezeer door de opeenvolging van (correctie)facturen ook verwarring over de verschillende betalingen bij eiser kan zijn ontstaan, ziet de rechtbank uiteindelijk geen reden om aan de juistheid van de door verweerder gegeven toelichting te twijfelen. Daarbij heeft eiser geen nadere gegevens overgelegd waaruit blijkt dat het standpunt van verweerder onjuist is. De rechtbank gaat er van uit dat het bedrag over de maand december 2022 in de factuur van 21 februari 2023 terecht bij eiser in rekening is gebracht.
Schending hoorplicht
10. Volgens verweerder mocht van het horen worden afgezien, omdat het bezwaar kennelijk ongegrond is. De rechtbank volgt verweerder hierin niet. Om tot de conclusie te kunnen komen dat de factuur van 21 februari 2023 inhoudelijk correct was, was een dusdanig onderzoek in de verschillende (correctie)facturen en betalingen noodzakelijk dat verweerder in redelijkheid niet zonder eiser daarbij te horen had mogen beslissen.
11. Daarbij neemt de rechtbank nog het volgende in aanmerking. Verweerder lijkt in het bestreden besluit de verantwoordelijkheid voor het onderkennen van de - onjuiste - factuur van 20 december 2022 en de daaropvolgende restitutie volledig bij eiser te leggen. In het besluit is expliciet vermeld, dat het voor rekening en risico van eiser komt voor zover hij hierover geen vragen aan het CAK heeft gesteld. Uit de hiervoor in rechtsoverweging 8 genoemde uiteenzetting blijkt echter dat de oorzaak van de correctiefacturen uitsluitend gezocht moet worden in de wijze waarop de communicatie tussen de systemen van de gemeenten, zorginstellingen en het CAK is ingericht, hetgeen voor eiser niet inzichtelijk is. De rechtbank vindt het voorstelbaar dat eiser, voor wie de betalingen ook nog door de afdeling FIBU van de gemeente werden gedaan, door de verschillende (correctie)facturen het overzicht is kwijtgeraakt en in veronderstelling verkeerde dat er wel is betaald. Verweerder heeft zich een en ander onvoldoende aangetrokken. In de rede had gelegen dat verweerder eerder (telefonisch) contact met eiser had gezocht voor het geven van een nadere uitleg. Op die manier zou wellicht ook de noodzaak van een hoorzitting of een procedure in beroep kunnen worden weggenomen.
12. Het achterwege blijven van het horen van eiser is een gebrek in de procedure. De rechtbank ziet aanleiding het gebrek in dit geval te passeren met toepassing van artikel 6:22 van de Awb, omdat niet gezegd kan worden dat eiser door het achterwege laten van de hoorzitting is benadeeld. In de beroepsprocedure en op de zitting is eiser voldoende in de gelegenheid gesteld om zijn standpunt kenbaar te maken.
Conclusie
13. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Omdat eiser in de bezwaarfase niet door verweerder is gehoord, moet verweerder wel het griffierecht aan eiser vergoeden. Eiser krijgt daarom ook een vergoeding van zijn proceskosten in beroep. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.750,- omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift (1 punt ter waarde van € 875,-) heeft ingediend en aan de zitting (1 punt ter waarde van € 875,-) heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.
Dictum
verklaart het beroep ongegrond;
bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 50,- aan eiser moet vergoeden;
veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.750,- aan proceskosten aan eiser.
griffier
rechter
De rechtbank:
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.K. Glerum, rechter, in aanwezigheid van
mr. S.E. Berghout, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 11 september 2024.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Wmo: Wet maatschappelijke ondersteuning.
Awb: Algemene wet bestuursrecht.
In overeenstemming met het Besluit proceskosten bestuursrecht.