Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2024-08-06
ECLI:NL:RBAMS:2024:5127
Strafrecht; Internationaal strafrecht
Eerste en enige aanleg
1,853 tokens
Inleiding
RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13/145780-24
Datum uitspraak: 6 augustus 2024
UITSPRAAK
op de vordering van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). Deze vordering dateert van 8 mei 2024 en betreft het EAB dat is uitgevaardigd op 14 juli 2020 door the Regional Prosecutor’s Office-Plovdiv te Bulgarije (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit), en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedag] 1958,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:
[BRP adres] ,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.
1Procesgang
De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 6 augustus 2024, in aanwezigheid van mr. S.J. Wirken, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. B.P.J. van Riel, advocaat in Breda.
2Identiteit van de opgeëiste persoon
Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Nederlandse nationaliteit heeft.
3Grondslag en inhoud van het EAB
In het EAB wordt melding gemaakt van
- een verdict no. 13 van 21 februari 2019 van the District Court in Plovdiv, in werking getreden op 10 juni 2020 (zaaknummer: 2416/2016);
een decision no. 6 van 13 januari 2020 van the Appellate Court of the city of Plovdiv (zaaknummer: 543/2019);
een decision no. 54 van 10 juni 2020 van the Supreme Court of Cassation of the city of Sofia (zaaknummer: 236/2020).
De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van tien jaar en voor de executie van een geldboete van 180.000 Bulgaarse lev. In het EAB is vermeld dat bij de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf het voorarrest van
29 oktober 2013 tot 18 februari 2014 in mindering zal worden gebracht. De vrijheidsstraf en geldboete zijn aan de opgeëiste persoon opgelegd bij de hiervoor genoemde rechterlijke beslissingen.
Deze rechterlijke beslissingen betreffen de feiten zoals die zijn omschreven in het EAB.
4Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW
De facultatieve weigeringsgrond van artikel 12 OLW betreft de toetsing van de verdedigingsrechten van de opgeëiste persoon tijdens het proces in de uitvaardigende lidstaat. De rechtbank kan de overlevering op grond van deze bepaling weigeren, indien de opgeëiste persoon niet aanwezig is geweest bij het proces dat tot de beslissing heeft geleid en evenmin sprake is van één van de in artikel 12, onder a tot en met d, OLW genoemde situaties. Daarbij geldt dat als het proces in meerdere opeenvolgende instanties heeft plaatsgevonden, voor de beoordeling of is voldaan aan de vereisten van artikel 12 OLW (en van artikel 4 bis, eerste lid, Kaderbesluit 2002/584/JBZ) de laatste beslissing relevant is, waartegen geen gewoon rechtsmiddel meer openstaat en waarbij daarom de zaak ten gronde definitief is afgedaan.
De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft met het oog op de toetsing aan artikel 12 OLW informatie verstrekt in het EAB. De officier van justitie heeft bij brieven van 10 mei 2024,
3 juni 2024 en 14 juni 2024 aanvullende informatie gevraagd. Hierop heeft de uitvaardigende justitiële autoriteit bij brieven van respectievelijk een onbekende datum in 2024, 10 juni 2024 en 21 juni 2024 aanvullende informatie verstrekt.
Uit de verstrekte informatie blijkt dat het proces in Bulgarije in drie opeenvolgende instanties heeft plaatsgevonden. Verder blijkt dat de opgeëiste persoon in alle instanties niet aanwezig is geweest op de zittingen die tot de beslissingen hebben geleid. De rechtbank zal dus in ieder geval moeten toetsen of sprake is van een van de situaties als bedoeld in artikel 12, onder a tot en met d, OLW.
Op grond van de verstrekte informatie kan de rechtbank niet met zekerheid vaststellen of de beslissing van the Appellate Court of the city of Plovdiv of de beslissing van the Supreme Court of Cassation of the city of Sofia in het licht van het hiervoor weergegeven toetsingskader aan artikel 12 OLW moet worden getoetst. Voor beide beslissingen geldt echter dat uit de verstrekte informatie niet blijkt dat sprake is van een van de situaties als bedoeld in artikel 12, onder a, b en c, OLW. Evenmin is een adequate verzetgarantie verstrekt als bedoeld in artikel 12, onder d, OLW, nu de verstrekte verzetgarantie niet onvoorwaardelijk is.
Gelet op het voorgaande kan de rechtbank de overlevering op grond van artikel 12 OLW weigeren.
De rechtbank ziet geen aanleiding om af te zien van haar bevoegdheid om de overlevering te weigeren. Uit de verstrekte informatie blijkt namelijk niet dat het toestaan van de overlevering geen schending van de verdedigingsrechten van de opgeëiste persoon zou opleveren. Op grond van die informatie kan immers niet worden geoordeeld dat het aan de onzorgvuldigheid van de opgeëiste persoon te wijten is dat hij niet bij de behandeling van de strafzaak aanwezig is geweest en zijn verdedigingsrechten niet heeft kunnen uitoefenen, laat staan dat hij (stilzwijgend) afstand heeft gedaan van die rechten.
De rechtbank zal, in overeenstemming met de standpunten van de raadsman en officier van justitie, de overlevering dan ook weigeren op grond van artikel 12 OLW.
5Toepasselijke wetsbepaling
Artikel 12 OLW.
Dictum
WEIGERT de overlevering van [opgeëiste persoon] aan the Regional Prosecutor’s Office-Plovdiv (Bulgarije) voor de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB.
HEFT OP de (geschorste) overleveringsdetentie van [opgeëiste persoon] .
Deze uitspraak is gedaan door
mr. M. van Mourik, voorzitter,
mrs. A.R. Vlierhuis en D.A. Segbedzi, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. R.R. Eijsten, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 6 augustus 2024.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.
Zie artikel 23 Overleveringswet.
Zie onderdeel e) van het EAB.
Vergelijk: Hof van Justitie van de Europese Unie, 21 december 2023, C-397/22, LM, (Generalstaatsanwaltschaft Berlin (Condamnation par défaut)), ECLI:EU:C:2023:1030, punt 47 en C-398/22, RQ (Generalstaatsanwaltschaft Berlin (Condamnation par défaut)), ECLI:EU:C:2023:1031, punt 32.