Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2024-08-02
ECLI:NL:RBAMS:2024:5073
Civiel recht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,648 tokens
Inleiding
RECHTBANK
AMSTERDAM
Civiel recht
Kantonrechter
Zaaknummer: 10999708 \ CV EXPL 24-2924
Vonnis van 2 augustus 2024
in de zaak van
[eiser]
,
te [woonplaats 1] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
gemachtigde: [gemachtigde] ,
tegen
[gedaagde]
,
te [woonplaats 2] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
gemachtigde: mr. H.M. Kabir.
Procesverloop
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van [eiser] van 12 maart 2024, met producties,
- de conclusie van antwoord van [gedaagde] van 26 april 2024, met producties,
- het tussenvonnis van 10 mei 2024, waarbij een mondelinge behandeling is bepaald,
- de op 16 juli 2024 van [eiser] ontvangen aanvulling dagvaarding, met producties, - het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 19 juli 2024.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
Feiten
2.1.
[eiser] woont aan het [adres 1] . Hij is eigenaar van een boot die lag aangemeerd aan het [adres 1] tussen de huisnummers [adres 2] en [adres 3] in [woonplaats 1] .
2.2.
Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente [gemeente] (hierna kortweg: de gemeente) heeft [eiser] vanaf 2020 laten weten dat de boot in strijd met het bestemmingsplan is aangemeerd en dat daarmee sprake is van een overtreding van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. De gemeente heeft aan [eiser] meerdere keren een last onder dwangsom opgelegd, die telkens inhield dat [eiser] binnen een bepaalde termijn de boot moest verwijderen. De lasten onder dwangsom zijn opgelegd bij besluiten van 14 april 2021, 2 mei 2022, 25 oktober 2022 en 20 maart 2023. Daarna heeft de toezichthouder van de gemeente telkens geconstateerd dat de boot niet was verwijderd.
2.3.
Met een besluit van 14 november 2023 is de gemeente overgegaan tot invordering van een dwangsom van € 50.000,-. Onder dat besluit staat:
Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente [gemeente] ,
namens dezen,
[gedaagde]
Teamleider Vergunningverlening, Toezicht en Handhaving
Duo+ / Afdeling Buurt
Dit document is in een geautomatiseerd proces aangemaakt en is derhalve niet ondertekend.
2.4.
Met een besluit van 28 december 2023 heeft de gemeente aan [eiser] een last onder bestuursdwang opgelegd. Die houdt in dat [eiser] de boot voor 24 februari 2024 moet verwijderen. Doet [eiser] dat niet, dan zal de gemeente de boot (laten) verwijderen. De kosten daarvan zullen dan worden verhaald op [eiser] . Onder het besluit van 28 december 2023 staat:
Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente [gemeente] ,
Namens deze,
[gedaagde]
Teamleider Vergunningen, Toezicht en Handhaving
Duo+ / Afdeling Buurt
Dit document is in een geautomatiseerd proces aangemaakt en derhalve niet ondertekend.
2.5.
Aan de last onder bestuursdwang heeft [eiser] niet voldaan, waarna de gemeente de boot heeft laten verwijderen. Ook is de gemeente overgegaan tot het invorderen van dwangsommen.
2.6.
[gedaagde] is werkzaam als afdelingshoofd op de afdeling Vergunningen, Toezicht en Handhaving van de gemeente [gemeente] .
Geschil
3.1.
[eiser] vordert - samengevat - veroordeling van [gedaagde] tot betaling van een voorschot van € 12.000,00, vermeerderd met rente en kosten. Volgens [eiser] heeft [gedaagde] onrechtmatig gehandeld, omdat [gedaagde] geen rechtsgeldig mandaat heeft. Daarmee voldoen de dwangbevelen niet aan de eisen en zijn deze valselijk opgemaakt, aldus [eiser] .
3.2.
[gedaagde] voert verweer. Hij concludeert tot nietigheid van de dagvaarding, dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [eiser] , met veroordeling van [eiser] in de kosten van deze procedure.
Beoordeling
Geen nietigheid van de dagvaarding
4.1.
Meest verstrekkend heeft [gedaagde] als verweer gevoerd dat de dagvaarding nietig moet worden verklaard, omdat daaruit niet deugdelijk en niet begrijpelijk volgt wat [eiser] vordert en welke gronden [eiser] daarvoor aandraagt.
4.2.
Artikel 111 lid 2 onder d Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering schrijft voor dat een dagvaarding de eis en de gronden daarvan moet bevatten. Hoewel de dagvaarding op sommige onderdelen verre van duidelijk is, kan naar het oordeel van de kantonrechter met enige moeite uit het geheel wel worden opgemaakt welke gronden [eiser] voor zijn vordering aandraagt. [gedaagde] heeft ook voldoende inhoudelijk verweer kunnen voeren en is niet in zijn belangen geschaad door de wijze waarop de onderbouwing van de vordering in de dagvaarding is geformuleerd. Het beroep op nietigheid van de dagvaarding wordt dus verworpen.
Geen onrechtmatig handelen
4.3.
De kantonrechter is van oordeel dat [eiser] geen feiten of omstandigheden heeft gesteld die als een onrechtmatig handelen van [gedaagde] kunnen worden aangemerkt.
Daartoe is het volgende redengevend.
4.4.
Vooropgesteld wordt dat de in de feiten onder 2.2 tot en met 2.5 genoemde besluiten van de gemeente bestuursrechtelijke besluiten zijn. Onweersproken is dat [eiser] tegen die besluiten geen (bestuursrechtelijke) rechtsmiddelen heeft ingesteld. Daarmee zijn die besluiten onherroepelijk geworden en hebben die besluiten formele rechtskracht. Dat betekent dat de kantonrechter in deze civiele procedure van de juistheid en de rechtsgeldigheid van die besluiten moet uitgaan.
4.5.
Alle stellingen en argumenten van [eiser] zijn er in de kern op terug te voeren dat hij vindt dat ten onrechte handhavend tegen hem is opgetreden, dat ten onrechte dwangsommen worden ingevorderd en dat daartoe ook ten onrechte incassomaatregelen zijn getroffen, zoals het uit handen geven van de invordering aan de deurwaarder.
4.6.
Met zijn betoog miskent [eiser] in de eerste plaats dat het de gemeente is die de besluiten over het handhavend optreden tegen de boot heeft genomen. Van een privaatrechtelijke aangelegenheid tussen [eiser] en [gedaagde] is, anders dan [eiser] meent, geen sprake. Als [eiser] het niet eens was met de besluiten van de gemeente had hij daartegen op kunnen komen door het instellen van bestuursrechtelijke rechtsmiddelen, zoals bezwaar en beroep. [eiser] kan [gedaagde] , wiens naam onder de besluiten van de gemeente staat, daarvoor niet aanspreken. [gedaagde] heeft immers niet in eigen naam gehandeld, maar als gemandateerd ambtenaar van de gemeente. De kantonrechter verwerpt de stelling van [eiser] dat [gedaagde] niet over een geldig mandaat beschikt. Met het enkele argument dat niemand in Nederland over een geldig mandaat beschikt, heeft [eiser] zijn standpunt onvoldoende onderbouwd, terwijl bovendien ook op basis van de formele rechtskracht van de besluiten moet worden uitgegaan van een geldig mandaat van [gedaagde] .
4.7.
Met zijn betoog miskent [eiser] in de tweede plaats dat de geldigheid van de bestuursrechtelijke besluiten in deze civiele procedure niet kan worden beoordeeld. [eiser] probeert met verschillende argumenten (bijvoorbeeld dat de besluiten valselijk zijn opgemaakt vanwege het ontbreken van een handtekening) de geldigheid van die besluiten ter discussie te stellen. De formele rechtskracht staat er echter aan in de weg dat de kantonrechter de geldigheid van die besluiten in deze procedure beoordeelt.
4.8.
Op basis van hetgeen hiervoor is overwogen, stuit de eis van [eiser] af. De vorderingen van [eiser] moeten worden afgewezen.
4.9.
[eiser] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [gedaagde] worden begroot op:
- salaris gemachtigde
€
812,00
(2 punten × € 406,00)
- nakosten
€
135,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
947,00
4.10.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
Dictum
De kantonrechter
5.1.
wijst de vorderingen van [eiser] af,
5.2.
veroordeelt [eiser] in de proceskosten, aan de kant van [gedaagde] begroot op € 947,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening volgens het Besluit tarieven ambtshandelingen gerechtsdeurwaarders als [eiser] niet tijdig aan de veroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.3.
veroordeelt [eiser] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 Burgerlijk Wetboek over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.T. Kruis, rechter, bijgestaan door mr. A. Chu, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 2 augustus 2024.