Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2024-07-04
ECLI:NL:RBAMS:2024:5066
Strafrecht
Eerste aanleg - meervoudig
3,416 tokens
Inleiding
vonnis
RECHTBANK AMSTERDAM
Afdeling Publiekrecht
Teams Strafrecht
Parketnummer: 13/115826-24 Parketnummer vordering tul: 03/053435-24
Datum uitspraak: 4 juli 2024
Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1987,
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
nu gedetineerd te: [detentieplaats]
1Het onderzoek ter terechtzitting
Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 4 juli 2024.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. E.M. Meppelink, en van wat verdachte en zijn raadsvrouw, mr. H. van der Ende naar voren hebben gebracht. Daarnaast is [naam] , reclasseringswerker, als deskundige gehoord. Na de behandeling van de zaak heeft de rechtbank direct mondeling uitspraak gedaan.
2Tenlastelegging
Aan verdachte is – kort gezegd – ten laste gelegd dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan
diefstal van een fles wijn/port bij de Vomar in Amsterdam op 3 april 2024.
De volledige tenlastelegging is opgenomen in bijlage I die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.
3Voorvragen
De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde feit en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.
4Waardering van het bewijs
4.1.
Standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het ten laste gelegde feit bewezen kan worden.
4.2.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
4.3.
Beoordeling
De rechtbank vindt op grond van de aangifte en de bekennende verklaring van verdachte ter terechtzitting wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan.
De rechtbank stelt vast dat sprake is van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359, derde lid, laatste volzin, van het Wetboek van Strafvordering. De verdediging heeft geen vrijspraak bepleit. Om die reden wordt in bijlage II volstaan met een opgave van de gebruikte bewijsmiddelen.
5Bewezenverklaring
De rechtbank acht op grond van de in bijlage II opgenomen opgave van bewijsmiddelen bewezen dat verdachte
op 3 april 2024 te Amsterdam een fles wijn/port, die aan het winkelbedrijf Vomar, gevestigd aan [locatie] , toebehoorde heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen.
6De strafbaarheid van het feit
Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.
7De strafbaarheid van verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.
Motivering
8.1.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat aan verdachte de maatregel van plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders (hierna: ISD-maatregel) zal worden opgelegd voor de duur van twee jaren zonder aftrek.
8.2.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft primair verzocht om te volstaan met de oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Zij heeft daartoe aangevoerd dat het opleggen van de ISD-maatregel niet in verhouding staat tot de geringe ernst van het feit en de persoonlijke omstandigheden van verdachte. Verdachte heeft nooit eerder onder reclasseringstoezicht gestaan of andere vormen van hulp in een strafrechtelijk kader ontvangen. De dreiging van een ISD-maatregel heeft een afschrikwekkende werking op verdachte en hij heeft dan ook beloofd Nederland te verlaten. Subsidiair heeft de raadsvrouw verzocht om aan verdachte een voorwaardelijke ISD-maatregel op te leggen. Zij heeft hierbij verwezen naar soortgelijke zaken. Meer subsidiair heeft de raadsvrouw verzocht om de duur van de ISD-maatregel te beperken tot maximaal één jaar.
8.3.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen maatregel gelet op de aard en de ernst van wat bewezen is verklaard, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.
Ernst van het feit
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan winkeldiefstal. Hij heeft daarmee inbreuk gemaakt op het eigendomsrecht van het betreffende winkelbedrijf, in dit geval de Vomar. Winkeldiefstal is een hinderlijk strafbaar feit dat schade en overlast veroorzaakt voor de gedupeerde winkelbedrijven. Verdachte heeft hiermee laten zien geen respect te hebben voor andermans eigendommen.
De persoon van verdachte
De rechtbank heeft kennisgenomen van het reclasseringsrapport van het Leger des Heils, Jeugdbescherming & Reclassering van 3 juni 2024, opgemaakt door [naam] , reclasseringswerker. Dit rapport houdt – zakelijk weergegeven – onder meer het volgende in.
Bij verdachte is sprake van een delictpatroon van vermogensdelicten. Verdachte voldoet aan de harde criteria voor oplegging van de onvoorwaardelijke ISD-maatregel. De beperkte financiële middelen alsmede het problematisch alcoholgebruik van verdachte lijken volgens de reclassering te hebben bijgedragen aan het ten laste gelegde feit. Daarnaast is er sprake van dakloosheid en heeft verdachte geen stabiele dagbesteding. Verdachte is bekend met depressieve gevoelens en wordt momenteel behandeld door de afdelingspsycholoog in [detentieplaats] . Er zijn geen beschermende factoren. Blijkens informatie van de Immigratie- & Naturalisatiedienst verblijft verdachte onrechtmatig in Nederland, aangezien zijn EU-verblijfsstatus op 29 maart 2024 is ingetrokken. Dit maakt dat verdachte in Nederland niet meer op legale wijze kan voorzien in levensonderhoud. Verdachte kan tevens geen aanspraak maken op structurele sociale voorzieningen, waardoor aan een hulpverleningstraject en/of drang/dwangtraject onvoldoende inhoud gegeven kan worden. Hierdoor voldoet verdachte volgens de reclassering aan de zachte ISD-criteria en komt hij in aanmerking voor de Vreemdelingen ISD-maatregel (VRIS). Het perspectief ontbreekt, hetgeen mogelijk leidt tot delictgedrag in algemene zin. De reclassering ziet geen andere mogelijkheid dan het adviseren van de ISD-maatregel. Gedurende de ISD-maatregel kan er gewerkt worden aan het middelengebruik en de psychische problematiek. Ook zal verdachte ondersteund kunnen worden bij een goede terugkeer naar het land van herkomst. Vrijwillige terugkeer is volgens de reclassering een gepasseerd station, aangezien verdachte al meermaals is uitgezet naar Polen maar steeds opnieuw is teruggekeerd naar Nederland.
De rechtbank heeft ter terechtzitting voornoemde reclasseringswerker als deskundige gehoord. Zij heeft de informatie uit het reclasseringsrapport bevestigd en toegelicht.
Voldaan aan ‘harde’ ISD-criteria
De rechtbank stelt vast dat ten aanzien van het bewezen geachte feit aan alle voorwaarden is voldaan die artikel 38m van het Wetboek van Strafrecht aan het opleggen van de ISD-maatregel stelt. Hiervoor is bewezen verklaard dat verdachte een misdrijf heeft begaan waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten. Uit het uittreksel Justitiële Documentatie van 14 juni 2024 blijkt dat verdachte gedurende de vijf jaren voorafgaand aan 3 april 2024 ten minste driemaal wegens een misdrijf onherroepelijk is veroordeeld tot een vrijheidsbenemende straf, terwijl het in dit vonnis bewezen verklaarde feit is begaan na tenuitvoerlegging van deze straffen en er, zoals blijkt uit de hiervoor genoemde rapportage, ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte wederom een misdrijf zal begaan. Blijkens het uittreksel Justitiële Documentatie is ook voldaan aan de eisen die de “Richtlijn voor Strafvordering bij meerderjarige veelplegers” van het Openbaar Ministerie stelt: verdachte is een zeer actieve veelpleger, die over een periode van vijf jaren processen-verbaal tegen zich zag opgemaakt worden voor meer dan tien misdrijven, waarvan ten minste één in de laatste twaalf maanden, terug te rekenen vanaf de pleegdatum van het laatst gepleegde feit. Verder eist de veiligheid van personen of goederen het opleggen van deze maatregel, gezien de ernst en het aantal door verdachte begane soortgelijke feiten.
Voldaan aan ‘zachte’ ISD-criteria
Gelet op de vreemdelingrechtelijke status van verdachte, wordt begeleiding door de reclassering buiten de ISD-VRIS praktisch niet uitvoerbaar geacht. De rechtbank concludeert daarom dat ook is voldaan aan de ‘zachte’ ISD-criteria.
Voorwaardelijke ISD-maatregel
De rechtbank zal gelet op het voorgaande de ISD-maatregel opleggen. Anders dan de officier van justitie ziet de rechtbank echter aanleiding deze maatregel in voorwaardelijke vorm op te leggen.
De rechtbank stelt vast dat verdachte vanaf mei 2023 tot februari 2024 geen strafbare feiten heeft gepleegd en, gelet op zijn strafblad, maar net aan de harde criteria voor oplegging van de ISD-maatregel voldoet. Bovendien heeft verdachte niet eerder hulp ontvangen in een strafrechtelijk kader en komt hij, gelet op zijn vreemdelingrechtelijke status, daar momenteel ook niet meer voor in aanmerking. Verdachte heeft op de zitting aangegeven dat hij Nederland zal verlaten en niet meer terug zal komen.
Gelet op voornoemde omstandigheden vindt de rechtbank oplegging van de onvoorwaardelijke ISD-maatregel een stap te ver. De rechtbank zal aan verdachte nog een kans geven om aan de onvoorwaardelijke ISD-maatregel te ontkomen en Nederland te verlaten. Mocht verdachte toch aan zijn voornemen om Nederland te verlaten en/of weg te blijven uit Nederland geen gevolg geven en weer strafbare feiten plegen, zal kan de officier van justitie vorderen dat hij de voorwaardelijk opgelegde ISD-maatregel alsnog moet ondergaan.
De rechtbank zal de ISD-maatregel in voorwaardelijke vorm opleggen voor de maximale termijn van twee jaren en een proeftijd vaststellen voor de duur van twee jaren. De tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht zal niet in mindering worden gebracht op de duur van de ISD-maatregel.
9Vordering tot tenuitvoerlegging
Verdachte is in de zaak met parketnummer 03/053435-24 op 28 februari 2024 door de politierechter van de rechtbank Limburg, locatie Maastricht onherroepelijk veroordeeld tot een gevangenisstraf van één maand, met aftrek van voorarrest.
Dictum
De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.
Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Het bewezenverklaarde levert op:
diefstal
Verklaart het bewezene strafbaar.
Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.
Legt op de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders voor de duur van 2 (twee) jaren.
Beveelt dat deze maatregel niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij later anders wordt gelast.
Stelt daarbij een proeftijd van 2 (twee) jaren vast.
De tenuitvoerlegging kan worden gelast indien veroordeelde zich gedurende de proeftijd niet houdt aan de hierna vermelde algemene voorwaarde.
Stelt als algemene voorwaarde dat veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig zal maken aan een strafbaar feit.
Wijst af de vordering tot tenuitvoerlegging in de zaak met parketnummer 03/053435-24.
Heft op het bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van heden. Dit bevel wordt afzonderlijk geminuteerd.
Dit vonnis is gewezen door
mr. C.P.E. Meewisse, voorzitter,
mrs. R.A. Overbosch en A.S. Dogan rechters,
in tegenwoordigheid van mr. S.G.E. Spaander, griffier.
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 4 juli 2024.
[…]