Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2024-07-17
ECLI:NL:RBAMS:2024:5030
Strafrecht
Op tegenspraak
2,717 tokens
Inleiding
vonnis
RECHTBANK AMSTERDAM
Afdeling Publiekrecht
Teams Strafrecht
Parketnummer: 13/654043-16 (ontneming)
Datum uitspraak: 17 juli 2024
Vonnis van de meervoudige kamer van de rechtbank Amsterdam, op vordering van de officier van justitie als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht, in de zaak, behorende bij de strafzaak met parketnummer 13/654043-16, tegen:
[veroordeelde] ,
geboren te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ) op [geboortedatum] 1969,
wonende op het adres [adres] .
1Het onderzoek ter terechtzitting
De rechtbank heeft beraadslaagd naar aanleiding van de vordering van de officier van justitie en van wat de officier van justitie en de raadsman van veroordeelde tijdens het onderzoek op de terechtzitting van 3 juli 2024 naar voren hebben gebracht.
2De vordering
De officier van justitie heeft bij vordering van 13 november 2018 de rechtbank gevraagd het door veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel en aan de Staat te betalen bedrag vast te stellen op € 5.873,58. Op de zitting van 3 juli 2024 heeft de officier van justitie– gelet op de overschrijding van de redelijke termijn – de betalingsverplichting met 25% naar beneden bijgesteld en de vordering verminderd tot een bedrag van € 4.405,00.
3Grondslag van de vordering
Veroordeelde is bij vonnis van de rechtbank Amsterdam van 16 december 2016 (eveneens met parketnummer 13/654043-16) veroordeeld voor het meermalen plegen van diefstal door twee of meer verenigde personen, onder meer op 12 september 2015 en 18 januari 2016. Het gerechtshof Amsterdam heeft op 1 december 2020 het vonnis van de rechtbank voor wat betreft de bewezenverklaring bevestigd (ECLI:NL:GHAMS:2020:3222).
De grondslag voor de ontnemingsvordering is een veroordeling voor een strafbaar feit. Voor de ontnemingsvordering betekent dit, dat bij de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel kan worden gelet op voordeel afkomstig uit de strafbare feiten die de veroordeelde heeft begaan en strafbare feiten waarvan aannemelijk is dat veroordeelde deze heeft begaan, in de zin van artikel 36e lid 2 van het Wetboek van Strafrecht (Sr).
4Het wederrechtelijk verkregen voordeel
4.1.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie vindt dat de vordering zoals verminderd op de zitting van 3 juli 2024 moet worden toegewezen.
4.2.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft ten aanzien van de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel geen verweer gevoerd.
4.3.
Beoordeling
4.3.1.
Berekening totale opbrengst
De officier van justitie heeft de vordering onderbouwd met de ontnemingsrapportage waarin een berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel is gemaakt.
De schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel is in dat rapport gegrond op het oordeel van de Rechtbank Amsterdam van 16 november 2016 en de daaraan ten grondslag liggende feiten en omstandigheden, die zijn vervat in de wettige bewijsmiddelen. De rechtbank zal deze bewijsmiddelen daarom niet nader uitwerken, maar volstaan met het vermelden van de conclusies en onderdelen van dit rapport.
In het vonnis van 16 november 2016 is bewezenverklaard, dat de opbrengst van de bedrijfsinbraak op 18 januari 2016 bij [naam 1] (feit 4) € 11.620,75 bedraagt en de opbrengst van de bedrijfsinbraak op 12 september 2015 bij [naam 2] (feit 6) € 8.000,00.
De rechtbank is daarom van oordeel dat de totale opbrengst van de bewezen verklaarde feiten 4 en 6 moet worden vastgesteld op een bedrag van € 19.620.75.
4.3.2.
Verdeling wederrechtelijk verkregen voordeel
Bedrijfsinbraak [naam 1]
Uit de ontnemingsrapportage blijkt dat de bedrijfsinbraak bij [naam 1] op 18 januari 2016 zou zijn gepleegd door drie betrokkenen. Uit het vonnis in de strafzaak volgt dat de diefstal in vereniging is gepleegd. De rechtbank stelt vast dat uit het dossier blijkt dat deze diefstal door drie personen is gepleegd. Uit het dossier blijkt niet hoe de opbrengst van deze inbraak verdeeld zou moeten worden. Door veroordeelde is hier geen verklaring afgelegd. De rechtbank gaat er daarom vanuit dat de opbrengst pondspondsgewijs is verdeeld.
Het wederrechtelijk voordeel dat veroordeelde door deze bedrijfsinbraak heeft genoten wordt daarom berekend door het totale weggenomen bedrag te delen door drie betrokkenen:
€ 11.620,75 verdeeld over drie betrokkenen = € 3.873,58 per persoon
Bedrijfsinbraak [naam 2]
Uit de ontnemingsrapportage blijkt dat de bedrijfsinbraak bij [naam 2] op 12 september 2015 zou zijn gepleegd door vier betrokkenen. Uit het vonnis in de strafzaak volgt dat ook deze diefstal in vereniging is gepleegd. De rechtbank stelt vast dat uit het dossier blijkt dat deze diefstal door vier betrokkenen is gepleegd. Uit het dossier blijkt niet hoe de opbrengst van deze inbraak verdeeld zou moeten worden. Ook hier is door veroordeelde geen verklaring afgelegd. Daarom gaat de rechtbank er vanuit dat de opbrengst pondspondsgewijs is verdeeld.
Het wederrechtelijk verkregen voordeel dat veroordeelde door deze bedrijfsinbraak heeft genoten wordt daarom berekend door het totale weggenomen bedrag te delen door vier betrokkenen:
€ 8.000,00 verdeeld over vier betrokkenen = € 2.000,00 per persoon
4.3.3.
Wederrechtelijk verkregen voordeel
De rechtbank concludeert dat veroordeelde door middel van of uit de baten van voornoemde strafbare feiten wederrechtelijk verkregen voordeel heeft verkregen, dat de rechtbank schat op een bedrag van € 5.873,58, nu overigens niet is gebleken dat verdachte kosten heeft gemaakt met betrekking tot de bewezen verklaarde feiten.
5De verplichting tot betaling
5.1.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de betalingsverplichting op nihil moet worden gesteld. Veroordeelde heeft nauwelijks draakgracht en zal niet in staat zijn aan een betalingsverplichting te kunnen voldoen.
Subsidiair heeft de raadsman bepleit dat de betalingsverplichting moet worden verminderd gelet op het overschrijden van de redelijke termijn waarbinnen de vordering tot ontneming behandeld had moeten worden.
5.2.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de betalingsverplichting slechts op nihil gesteld kan worden als voldoende aannemelijk is gemaakt dat veroordeelde nu én in de toekomst niet in staat is aan een betalingsverplichting te voldoen. De officier van justitie stelt dat dat niet aannemelijk is geworden.
Voorts heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat het verstrijken van de termijn geen reden is om de officier van justitie niet-ontvankelijk te verklaren in haar vordering. Wel ziet zij aanleiding om de betalingsverplichting te verminderen met 25% en stelt daarom dat de betalingsverplichting moet worden gesteld op een bedrag van € 4.405,00.
5.3.
Beoordeling
De rechtbank verwerpt het verweer van de verdediging omtrent de draagkracht van de veroordeelde. De strekking van de maatregel tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel is te bewerkstelligen dat wat veroordeelde aan door misdrijf verkregen materieel profijt heeft verworven, aan hem wordt ontnomen. Door veroordeelde is onvoldoende onderbouwd dat hij op dit moment onvoldoende draagkracht heeft en ook niet dat dat in de toekomst nog steeds het geval zal zijn. Er bestaat dus geen aanleiding om het aan de Staat te betalen bedrag op die grond lager vast te stellen.
De rechtbank is – met de officier van justitie en de verdediging – van oordeel dat er sprake is van een forse overschrijding van de redelijke termijn. De redelijke termijn is aangevangen op 2 november 2016 (datum aankondiging ontnemingsvordering). De vordering had binnen een termijn van twee jaren moeten worden behandeld. Dat betekent dat op 2 november 2018 een uitspraak had moeten worden gedaan. De redelijke termijn is daarmee met vijf jaar en acht maanden is overschreden, zonder dat daarvoor een duidelijk aanwijsbare reden bestaat. De rechtbank ziet daarom aanleiding om het te ontnemen bedrag te verlagen met 25% (€ 5.873,58 min € 1.468,25 = € 4.405,19).
De rechtbank bepaalt het te ontnemen bedrag op grond van het voorgaande op € 4.405,00. Veroordeelde is verplicht voornoemd bedrag aan de staat te betalen.
6Toepasselijke wettelijke voorschriften
De op te leggen maatregel is gegrond op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.
Dictum
De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Stelt vast als wederrechtelijk verkregen voordeel een bedrag van € 4.405,00 (zegge: vierduizend vierhonderdvijf euro).
Legt op aan [veroordeelde] de verplichting tot betaling van € 4.405,00 (zegge: vierduizend vierhonderdvijf euro) aan de Staat.
Bepaalt de duur van de gijzeling die ten hoogste door de officier van justitie kan worden gevorderd op 88 dagen.
Dit vonnis is gewezen door
mr. M.C. Danel, voorzitter,
mr. K.A. Brunner en mr. G. Demmink, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. F.F. Wormhoudt, griffier
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 17 juli 2024.
Het in de wettelijke vorm en op ambtsbelofte opgemaakte proces-verbaal “Ontnemingsrapportage contra B.R. Obergh” d.d. 18 juni 2018, procesverbaalnummer 2016063229, opgemaakt door politie eenheid Amsterdam.