Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2024-08-05
ECLI:NL:RBAMS:2024:4819
Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht
Voorlopige voorziening
1,050 tokens
Inleiding
RECHTBANK AMSTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 24/4131
uitspraak van de voorzieningenrechter van 5 augustus 2024 in de zaak tussen
[verzoekster] , uit Amsterdam, verzoekster
(gemachtigde: mr. I. Heijselaar),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam, verweerder, hierna: het college.
Inleiding
1.1.
In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoekster tegen de afwijzing van haar aanvraag voor leerlingenvervoer voor haar zoon voor het schooljaar 2023/2024.
1.2.
Het college heeft deze aanvraag met het besluit van 27 november 2023 afgewezen. Met het bestreden besluit van 25 april 2024 op het bezwaar van verzoekster is het college bij de afwijzing van de aanvraag gebleven. Verzoekster heeft hiertegen beroep ingesteld en de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
1.3.
Omdat het verzoek kennelijk ongegrond is doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk ongegrond is.
Beoordeling
2. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb alleen een voorlopige voorziening als "onverwijlde spoed" dat vereist.
3. Op 24 juli 2024 heeft de voorzieningenrechter verzoekster verzocht om een nadere onderbouwing van het spoedeisend belang, omdat haar aanvraag ziet op het schooljaar 2023/2024 en dat schooljaar inmiddels is afgelopen. Op 30 juli 2024 heeft de voorzieningenrechter een reactie van verzoekster ontvangen. Volgens verzoekster volgt uit de informatie die zij heeft overgelegd, de Verordening Leerlingenvervoer Amsterdam (de Verordening) en de toelichting op de Verordening, dat leerlingenvervoer niet louter en alleen toeziet op het genoemd schooljaar, doch doorloopt. Hierom is ook het Leerlingenvervoer 2024/2025 aan de orde. Met het schooljaar 2024/2025 voor de deur, geldt dat het spoedeisend belang als gegeven is.
4. De voorzieningenrechter volgt verzoekster hierin niet. Uit de Verordening volgt niet dat bij toekenning van Leerlingenvervoer voor een bepaald schooljaar, de toekenning automatisch ook doorloopt voor het daaropvolgende schooljaar. Uit openbare informatie van de gemeente Amsterdam blijkt dat het toegewezen leerlingenvervoer alleen doorloopt als er geen einddatum in het besluit staat waarin is bepaald dat het kind recht heeft op leerlingenvervoer. Deze situatie is in deze zaak niet van toepassing omdat de aanvraag van verzoekster is afgewezen. Gelet hierop is de voorzieningenrechter van oordeel dat onvoldoende is gebleken dat de behandeling van de bodemprocedure niet zonder het treffen van een voorziening kan worden afgewacht. Verzoekster kan voor het schooljaar 2024/2025 een nieuwe aanvraag indienen waarbij de situatie van verzoekster opnieuw beoordeeld zal worden. Ook staat het haar vrij om een nieuwe voorlopige voorziening te verzoeken, mocht zij een afwijzende beschikking op deze (nieuwe) aanvraag ontvangen.
Conclusie
5. Nu er geen enkel spoedeisend belang is, is het verzoek kennelijk ongegrond. De voorzieningenrechter wijst het verzoek dus af. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.H.W. Franssen, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. G. dos Santos 't Hoen, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 5 augustus 2024.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Website: amsterdam.nl - Leerlingenvervoer aanvragen, verlengen of stopzetten.