Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2024-07-31
ECLI:NL:RBAMS:2024:4758
Strafrecht; Europees strafrecht
Eerste en enige aanleg
2,579 tokens
Inleiding
RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13/168403-24
Datum uitspraak: 31 juli 2024
UITSPRAAK
op de vordering van 24 mei 2024 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).
Dit EAB is uitgevaardigd op 22 maart 2023 door het Amtsgericht Memmingen, Duitsland (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedag] 1971,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:
[adres] ,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.
1Procesgang
De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 17 juli 2024, in aanwezigheid van mr. G.M. Kolman, officier van justitie. De opgeëiste persoon is niet verschenen en is vertegenwoordigd door zijn gemachtigd raadsman, mr. J.M. Jonkers, advocaat te Voorschoten.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd en de gevangenhouding van de opgeëiste persoon bevolen.
2Identiteit van de opgeëiste persoon
De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht en vastgesteld dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat de opgeëiste persoon de Nederlandse nationaliteit heeft.
3Grondslag en inhoud van het EAB
Het EAB vermeldt een aanhoudingsbevel van het Amtsgericht Memmingen van 9 maart 2023, dossiernummer: 8 Gs 556/23.
De uitvaardigende justitiële autoriteit verzoekt de overlevering vanwege het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan naar Duits recht strafbare feiten. Deze feiten zijn omschreven in het EAB.
3.1.
Genoegzaamheid
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de overlevering niet kan worden toegestaan, omdat de uitvaardigende justitiële autoriteit het vermoeden van betrokkenheid van de opgeëiste persoon bij de in het EAB omschreven feiten onvoldoende heeft onderbouwd.
De rechtbank overweegt dat het EAB gegevens moet bevatten op basis waarvan het voor de opgeëiste persoon duidelijk is waarvoor zijn overlevering wordt verzocht. Verder moet het voor de rechtbank duidelijk zijn of het verzoek voldoet aan de in de OLW genoemde vereisten. Zo moet het EAB een beschrijving bevatten van de omstandigheden waaronder de strafbare feiten zijn gepleegd, met vermelding van, in ieder geval, het tijdstip, de plaats en de mate van betrokkenheid van de opgeëiste persoon bij de strafbare feiten. Die beschrijving moet ook de naleving van het specialiteitsbeginsel kunnen waarborgen.
Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat daaraan is voldaan, nu artikel 2, tweede lid, OLW, niet vereist dat het EAB de bewijsmiddelen vermeldt die de uitvaardigende lidstaat aan de verdenking tegen de opgeëiste persoon ten grondslag heeft gelegd.
3.2.
Evenredigheid
De raadsman heeft zich verder op het standpunt gesteld dat het EAB niet evenredig is, nu onvoldoende rekening is gehouden met het feit dat de opgeëiste persoon slachtoffer is van identiteitsfraude, de feiten vier jaar geleden zouden zijn gepleegd, de geringe ernst van de feiten de uitvaardiging van een EAB niet rechtvaardigt, er geen alternatieve minder ingrijpende rechtshulpinstrumenten zijn aangewend en de kans op verdere vrijheidsbeneming na overlevering aan Duitsland in het kader van voorlopige hechtenis zeer klein is.
De rechtbank overweegt in lijn met eerdere uitspraken van deze rechtbank dat voor de vraag of sprake is van (on)evenredigheid van de overlevering een onderscheid dient te worden gemaakt tussen de zogenoemde stelselevenredigheid van de OLW en de evenredigheid in een concreet geval. Het stelsel van de OLW is, op de voet van het daaraan ten grondslag liggende Kaderbesluit, gebaseerd op het uitgangspunt dat het gebruik van de bevoegdheden tot overlevering, in overeenstemming met het evenredigheidsbeginsel, niet verder gaat dan nodig is om de doelstelling van het Kaderbesluit te verwezenlijken.
Uit het stelsel van overlevering en een kaderbesluitconforme uitleg volgt dat een evenredigheidsafweging in beginsel is ingebed in de afweging tot uitvaardiging van een EAB. De Duitse rechter heeft in deze zaak de afweging gemaakt om een EAB uit te vaardigen. Hiermee is de evenredigheid van de uitvaardiging van het EAB gegeven. Onder uitzonderlijke omstandigheden kan de ten uitvoerlegging van het EAB niettemin onevenredig geacht worden. Hetgeen de raadsman daartoe heeft aangevoerd is echter onvoldoende.
4Strafbaarheid: feiten vermeld op bijlage 1 bij de OLW
De uitvaardigende justitiële autoriteit wijst de strafbare feiten aan als een zogenoemd lijstfeit, dat in Nederland in de lijst van bijlage 1 bij de OLW staat vermeld. De feiten vallen op deze lijst onder:
oplichting.
Uit het EAB volgt dat op deze feiten naar het recht van Duitsland een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren is gesteld.
Dit betekent dat een onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van de feiten waarvoor de overlevering wordt verzocht, achterwege moet blijven.
5Onschuldverweer
De raadsman heeft aangevoerd dat de opgeëiste persoon niet schuldig kan zijn aan de feiten. De opgeëiste persoon spreekt de Duitse taal niet, heeft niet de benodigde technische vaardigheden en is slachtoffer van identiteitsfraude waarbij zijn identiteit is gebruikt om de strafbare feiten te plegen. De raadsman heeft de gestelde onschuld van de opgeëiste persoon, anders dan de OLW vereist, echter niet tijdens het verhoor ter zitting aangetoond.
De onschuldbewering leidt alleen om die reden al niet tot weigering van de overlevering.
6De garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, OLW
De opgeëiste persoon heeft de Nederlandse nationaliteit. De rechtbank stelt vast dat de opgeëiste persoon daarnaast zodanige banden heeft met Nederland, dat de tenuitvoerlegging van een eventueel na overlevering opgelegde straf, uit het oogpunt van sociale re-integratie beter in Nederland kan plaatsvinden dan in de uitvaardigende lidstaat.
Beoordeling
De rechtbank gaat ter beoordeling van het ne bis in idem verweer uit van het volgende beoordelingskader.
Artikel 9, tweede lid, OLW geeft uitvoering aan artikel 3, onderdeel 2 Kaderbesluit 2002/584/JBZ (onherroepelijke berechting in een lidstaat). In onderdeel a en b van het tweede lid van artikel 9 OLW ontbreekt echter de in artikel 3, onderdeel 2, Kaderbesluit 2002/584/JBZ voorkomende zinsnede “uit de gegevens waarover de uitvoerende rechterlijke autoriteit beschikt, blijkt dat (…)”. Daaruit volgt dat, zeker wanneer de eerdere berechting in een andere lidstaat heeft plaatsgevonden, ambtshalve onderzoek door de uitvoerende rechterlijke autoriteit niet is vereist, maar dat het aan de opgeëiste persoon is om aan de uitvoerende justitiële autoriteit voor de toetsing relevante gegevens te verschaffen.
De rechtbank gaat, nu de opgeëiste persoon geen gegevens heeft verschaft over zijn eerdere veroordeling in Duitsland, op grond van bovengenoemde beoordelingskader uit van de gegevens in het voorliggende dossier. De vermelding in de documentatie dat de opgeëiste persoon in Duitsland is veroordeeld voor feiten die verband houden met fraude in dezelfde periode als de feiten die in het EAB zijn vermeld, is naar het oordeel van de rechtbank op zichzelf onvoldoende om aan te nemen dat de opgeëiste persoon al eerder is veroordeeld voor de feiten zoals omschreven in het EAB.
De rechtbank gaat dan ook op grond van het vertrouwensbeginsel ervan uit dat het verzoek tot overlevering van de Duitse autoriteiten ziet op feiten waarvoor de opgeëiste persoon in Duitsland niet eerder is veroordeeld. Om die reden ziet de rechtbank geen aanleiding de behandeling van de zaak aan te houden om hierover vragen te stellen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit.
Conclusie
De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe.
9Toepasselijke wetsbepalingen
De artikelen 2, 5, 6 en 7 OLW.
Dictum
STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan het Amtsgericht Memmingen (Duitsland) voor de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. A.J.R.M. Vermolen, voorzitter,
mrs. E. Biҫer en M. Westerman, rechters,
in tegenwoordigheid van mrs. I. van Heusden en S. van Gerven, griffiers,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 31 juli 2024.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.
Zie artikel 23 Overleveringswet.
Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.
Zie onderdeel e) van het EAB.
Rb. Amsterdam 1 maart 2013, ECLI:NL:RBAMS:2013:BZ3203.
Rechtbank Amsterdam, 19 augustus 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:4340.