Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2024-07-18
ECLI:NL:RBAMS:2024:4415
Strafrecht; Europees strafrecht
Eerste aanleg - meervoudig
3,526 tokens
Inleiding
RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13-140185-24
Datum uitspraak: 18 juli 2024
TUSSEN-
UITSPRAAK
op de vordering van 7 mei 2024 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).
Dit EAB is uitgevaardigd op 14 december 2023 door the Directeur of Public Prosecutions of the Judiciary Court of Colmar, Frankrijk (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit), en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon] ,
geboren in [geboorteplaats] (Roemenië) op [geboortedag] 1985,
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting [penitentiaire inrichting] ,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.
1Procesgang
De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 4 juli 2024, in aanwezigheid van mr. S.J. Wirken, officier van justitie. De opgeëiste persoon is via telehoren gehoord en is bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. L.I.M. Entjes, advocaat te Maastricht, en door een tolk in de Roemeense taal.
2Identiteit van de opgeëiste persoon
Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Roemeense nationaliteit heeft.
3Grondslag en inhoud van het EAB
Het EAB vermeldt een criminal judgment by default of the judiciary court of Colmar van 12 mei 2022, met kenmerk 21/153/12.
De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van vier jaren, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde vonnis.
Dit vonnis betreft de feiten zoals die zijn omschreven in het EAB.
3.1
Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW
De rechtbank stelt vast dat het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van een vonnis terwijl de verdachte niet in persoon is verschenen bij het proces dat tot die beslissing heeft geleid, en dat - kort gezegd - is gewezen zonder dat zich één van de in artikel 12, sub a tot en met c, OLW genoemde omstandigheden heeft voorgedaan.
Op grond van artikel 12, sub d, OLW mag de rechtbank in dit geval de overlevering niet weigeren, als de uitvaardigende justitiële autoriteit heeft vermeld dat
(i) het betreffende vonnis na overlevering onverwijld aan de opgeëiste persoon zal worden betekend en hij uitdrukkelijk zal worden geïnformeerd over zijn recht op een verzetprocedure of een procedure in hoger beroep, waarbij hij het recht heeft aanwezig te zijn, waarop de zaak opnieuw ten gronde wordt behandeld en nieuw bewijsmateriaal wordt toegelaten, die kan leiden tot herziening van het oorspronkelijke vonnis en
(ii) de opgeëiste persoon wordt geïnformeerd over de termijn waarbinnen hij verzet of hoger beroep dient aan te tekenen, als vermeld in het desbetreffende Europees aanhoudingsbevel.
Het EAB vermeldt in het EAB in onderdeel d):
“The concerned person was not personally served with the decision, but
- they will receive it without any delay after the service, and
- when they will have received it, they will be expressly informed of their right to a new judgment procedure or a procedure of appeal, to which the concerned person has the right to participate and which makes it possible to examine again the merits of the case, considering new elements of proof and which can lead to the initial decision being revered, and
- they will be informed of the delay during which they must request a new judgment procedure or a procedure of appeal, so ten days, or a month if they dwell abroad.”
De rechtbank begrijpt deze garantie, in samenhang gelezen met de Franse versie van dit onderdeel van het EAB, aldus dat het vonnis na overlevering van de opgeeiste persoon onverwijld aan hem zal worden betekend. Naar het oordeel van de rechtbank voldoet deze verklaring aan de eisen van artikel 12, sub d, OLW en doet de in dit artikel bedoelde weigeringsgrond zich niet voor.
4Strafbaarheid
Feiten
De uitvaardigende justitiële autoriteit wijst de strafbare feiten aan als zogenoemde lijstfeiten, die in Nederland in de lijst van bijlage 1 bij de OLW staan vermeld. De feiten vallen op deze lijst onder de nummers 1 en 5, te weten:
deelneming aan een criminele organisatie
georganiseerde of gewapende diefstal
Uit het EAB volgt dat op deze feiten naar het recht van Frankrijk een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren is gesteld.
Dit betekent dat een onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van de feiten waarvoor de overlevering wordt verzocht, achterwege moet blijven.
5Verderlevering van de opgeëiste persoon
De opgeëiste persoon is vanuit Duitsland aan Nederland overgeleverd. Voor verderlevering aan de uitvaardigende justitiële autoriteit is op grond van artikel 28, van het Kaderbesluit 2002/584/JBZ, toestemming vereist van de bevoegde Duitse autoriteiten. De rechtbank stelt vast dat de Higher regional Court of Naumburg bij beslissing van 3 juli 2024 toestemming heeft verleend voor de verderlevering aan de uitvaardigende justitiële autoriteit.
6Artikel 11 OLW; detentieomstandigheden
De rechtbank heeft eerder geoordeeld dat op dit moment ten aanzien van de detentie-instellingen in Nîmes, Nanterre, Bois-d’Arcy en Lille-Loos-Sequedin een algemeen reëel gevaar bestaat dat personen die daar zijn gedetineerd onmenselijk of vernederend worden behandeld, in de zin van artikel 4 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (Handvest).
De Franse justitiële autoriteiten hebben in de aanvullende informatie van 19 juni 2024 geschreven dat de opgeëiste persoon normaal gesproken in de detentie-instelling van Mulhouse Lutterbach zal worden vastgehouden, zodat de rechtbank voor de verdere beoordeling ervan uitgaat dat de opgeëiste persoon na overlevering naar alle waarschijnlijkheid in die instelling zal worden gedetineerd.
Standpunt van de verdediging
De rechtbank heeft over bepaalde detentie-instellingen in Frankrijk reeds overwogen dat er een algemeen gevaar is op onmenselijke behandeling, vaak op basis van overbevolking. Uit de gegevens van Observatoire International des Prisons blijkt dat op de afdeling voor mannelijke voorlopig gehechten in de detentie-instelling van Mulhouse Lutterbach sprake is van een bezetting van 168%. Hieruit maakt de verdediging op dat ook in die instelling sprake is van een behoorlijke overbevolking. De verdediging verzoekt de rechtbank dan ook om de overlevering te weigeren omdat er een reëel gevaar is dat de grondrechten van de opgeëiste persoon geschonden zullen worden bij plaatsing in deze detentie-instelling na overlevering. Nader onderzoek is niet meer nodig.
Standpunt van de officier van justitie
De rechtbank heeft eerder een algemeen gevaar aangenomen in een aantal Franse detentie-instellingen. Er zijn echter geen concrete aanwijzingen om aan te nemen dat in de detentie-instelling Mulhouse Lutterbach sprake zou zijn van een onmenselijke of vernederende behandeling van gedetineerden. Artikel 11 OLW staat daarom niet in de weg aan overlevering. Subsidiair, voor het geval de rechtbank nader geïnformeerd zou willen worden naar aanleiding van de door de verdediging naar voren gebrachte overbevolkingscijfers, wordt verzocht de behandeling aan te houden om nadere informatie op te vragen bij de Franse autoriteiten.
Oordeel van de rechtbank
Ten aanzien van de detentie-instelling van Mulhouse Lutterbach blijkt uit de gegevens van de Observatoire International des Prisons dat op 1 januari 2024 op de afdeling voor mannelijke voorlopig gehechten 472 gedetineerden verbleven, terwijl daar 280 plaatsen beschikbaar waren. Daarmee was de bezettingsgraad van gedetineerden op die afdeling op dat moment 168.6%. Aangezien de opgeëiste persoon een verzetgarantie heeft gekregen, bestaat de mogelijkheid dat hij op een afdeling voor voorlopig gehechten wordt gedetineerd.
Bij een overbevolking van deze omvang is het naar het oordeel van de rechtbank in de detentie-instelling van Mulhouse Lutterbach niet onwaarschijnlijk dat hierdoor de waarborgen van artikel 4 Handvest, in het bijzonder het minimum aan personal space van (ten minste een deel van de) gedetineerden, in de genoemde detentie-instelling in het gedrang komt.
Om aan de hand van het daarvoor geldende toetsingskader te kunnen beoordelen of sprake is van een algemeen reëel gevaar van onmenselijke of vernederende behandeling voor gedetineerden die terecht komen in de detentie-instelling van Mulhouse Lutterbach, zal de rechtbank het onderzoek ter zitting heropenen en de officier van justitie verzoeken aan de uitvaardigende justitiële autoriteit de volgende vragen te stellen over de detentie-instelling van Mulhouse Lutterbach:
1. Wordt de opgeëiste persoon gedetineerd in een afdeling voor voorlopig gehechten of een afdeling voor veroordeelden, en is de plaatsing afhankelijk van zijn gebruik van de afgegeven garantie tot herziening of hoger beroep?
Kunt u de volgende vragen beantwoorden
indien de opgeëiste persoon gedetineerd zal worden op een afdeling voor voorlopig gehechten
:
2. Wat is de huidige bezettingsgraad van gedetineerden op de afdeling(en) voor mannelijke voorlopige gehechten?
3. Hoeveel
individuele celruimte
(personal space) hebben de gedetineerden op deze afdeling(en) tot hun beschikking in een eenpersoons- en meerpersoonscel, en is dit inclusief of exclusief het sanitair en zijn deze sanitaire voorzieningen deugdelijk afgeschermd?
4. Indien de gedetineerden beschikken over een individuele leefruimte (personal space) van minder dan 4 m2, heeft de rechtbank ook de volgende aanvullende vragen:
- hoeveel uren per dag verblijven de gedetineerden in hun cel;
- welke mogelijkheden hebben de gedetineerden tot luchten, arbeid, sport, scholing en andere activiteiten buiten hun cel;
- zijn deze mogelijkheden voor alle gedetineerden toegankelijk;
- hoeveel uren per dag kunnen de gedetineerden aan deze activiteiten deelnemen;
- is in deze penitentiaire inrichting in het algemeen sprake van decente detentieomstandigheden en wordt de opgeëiste persoon niet onderworpen aan andere elementen die worden beschouwd als verzwarende omstandigheden voor slechte detentieomstandigheden?
De toestemming voor de verderlevering is op 3 juli 2024 (afgegeven en) ontvangen. De beslistermijn is ingevolge artikel 22, tweede lid, OLW dan ook op dat moment aangevangen. De beslistermijn van 60 dagen verstrijkt op 31 augustus 2024 zodat deze zaak met enige voortvarendheid opnieuw op zitting (uiterlijk op 29 augustus 2024) gepland moet worden.
Dictum
HEROPENT en SCHORST het onderzoek voor onbepaalde tijd om de officier van justitie in de gelegenheid te stellen voornoemde vragen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit voor te leggen.
BEPAALT dat de zaak mede vanwege het verstrijken van de beslistermijn van 60 dagen (op 31 augustus 2024), uiterlijk op 29 augustus 2024 opnieuw op zitting moet worden gepland.
BEVEELT de oproeping van de opgeëiste persoon tegen nader te bepalen datum en tijdstip, met tijdige kennisgeving aan zijn raadsvrouw.
BEVEELT de oproeping van een tolk in de Roemeense taal tegen nader te bepalen datum en tijdstip.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. M.C.M. Hamer, voorzitter,
mrs. A.R.P.J. Davids en A.R. Vlierhuis, rechters,
in tegenwoordigheid van L.E. Poel, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 18 juli 2024.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.
Zie artikel 23 Overleveringswet.
Zie onderdeel e) van het EAB.
O.a. Rechtbank Amsterdam, 30 mei 2017, ECLI:NL:RBAMS:2017:3763 (ten aanzien van Nîmes), Rechtbank Amsterdam 9 augustus 2023, ECLI:NL:RBAMS:2023:5123 (ten aanzien van Nanterre), Rechtbank Amsterdam 14 februari 2024, ECLI:NL:RBAMS:2024:782 (ten aanzien van Bois d’Arcy), Rechtbank Amsterdam, 20 juni 2024, ECLI:NL:RBAMS:2024:4047 (ten aanzien van Lille-Loos-Sequedin).
Penitentiair Centrum Mulhouse Lutterbach – Internationaal Observatorium voor Gevangenissen (oip.org).
Zie o.a. Hof van Justitie EU, 15 oktober 2019, ECLI:EU:C:2019:857 (Dorobantu) en EHRM, 20 oktober 2016, Muršić tegen Kroatië, ECLI:CE:ECHR:2016:1020JUD000733413.