Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2024-06-14
ECLI:NL:RBAMS:2024:4279
Strafrecht; Internationaal strafrecht
Eerste en enige aanleg
2,441 tokens
Inleiding
RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13/154458-24 (EAB III)
Datum uitspraak: 14 juni 2024
TUSSEN-UITSPRAAK
op de vordering van 24 mei 2024 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).
Dit EAB is uitgevaardigd op 16 april 2024 door the Municipal Court in Slavonski Brod, Kroatië, (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon],
geboren op [geboortedag] 1981 te [geboorteplaats] (Joegoslavië),
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:
[adres], [woonplaats],
hierna ‘de opgeëiste persoon’.
1Procesgang
De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 4 juni 2024, in aanwezigheid van mr. M. Al Mansouri, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. N.F.M. van Osta, advocaat in ’s-Gravenhage.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd.
2Identiteit van de opgeëiste persoon
Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Kroatische nationaliteit heeft.
3Grondslag en inhoud van het EAB
Het EAB vermeldt een decision on determination of investigative prison, business number 2 K-252/201555, dated April 9, 2024.
De uitvaardigende justitiële autoriteit verzoekt de overlevering vanwege het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan een naar Kroatisch recht strafbaar feit. Dit feit is omschreven in het EAB.
4Strafbaarheid: feit waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist
De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft het feit niet aangeduid als feit waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, wanneer – kort gezegd - voldaan is aan het vereiste dat op het feit naar het recht van de uitvaardigende lidstaat een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste twaalf maanden is gesteld en dat het feit ook naar Nederlands recht strafbaar is.
De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan.
Het feit levert naar Nederlands recht op:
opzettelijk gebruik maken van een vervalst geschrift, als bedoeld in artikel 225, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, als ware het echt en onvervalst
en
opzettelijk gebruik maken van een vals/vervalst reisdocument/identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht/identiteitsbewijs dat afgegeven is door een dienst of organisatie van vitaal of nationaal belang
5Artikel 11 OLW: Kroatische detentieomstandigheden
Standpunten van de raadsvrouw en de officier van justitie
De raadsvrouw en de officier van justitie hebben verzocht om aanhouding, omdat de Kroatische autoriteiten nog geen informatie hebben verstrekt over de plek waar de opgeëiste persoon hoogstwaarschijnlijk zal worden gedetineerd.
Beoordeling
Naar aanleiding van uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 27 december 2023 is de rechtbank van oordeel dat gedetineerden in de Zagreb prison for pre-trial detention een reëel gevaar lopen om te worden onderworpen aan een onmenselijke of vernederende behandeling.
Deze vaststelling kan evenwel op zichzelf niet leiden tot de weigering om een EAB ten uitvoer te leggen. Het enkele bestaan van gegevens die duiden op gebreken die bepaalde detentiecentra in de uitvaardigende lidstaat betreffen en die betrekking hebben op de detentieomstandigheden in die desbetreffende detentiecentra, impliceert immers niet noodzakelijkerwijs dat, in een concreet geval, de opgeëiste persoon bij overlevering aan de autoriteiten van die lidstaat onmenselijk of vernederend zal worden behandeld.
Teneinde te verzekeren dat artikel 4 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (‘Handvest’) wordt geëerbiedigd in het bijzondere geval van een persoon tegen wie een EAB is uitgevaardigd, is de rechtbank dan ook verplicht om vervolgens concreet en nauwkeurig na te gaan of er, in de omstandigheden van het geval, zwaarwegende en op feiten berustende gronden bestaan om aan te nemen dat de betrokkene na zijn overlevering aan deze lidstaat een reëel gevaar zal lopen, te worden onderworpen aan een onmenselijke of vernederende behandeling in de zin van dat artikel wegens de omstandigheden waarin hij in de uitvaardigende lidstaat zal worden gedetineerd.
In het licht van het wederzijdse vertrouwen dat tussen de lidstaten moet bestaan en gelet op met name de termijnen die de uitvoerende rechterlijke autoriteiten krachtens artikel 17 van het kaderbesluit zijn opgelegd voor de vaststelling van de definitieve beslissing tot uitvoering van een EAB, is de uitvoerende rechterlijke autoriteit enkel verplicht de detentieomstandigheden te onderzoeken in de penitentiaire inrichtingen waar, volgens de informatie waarover zij beschikt, deze persoon volgens een concreet voornemen zal worden gedetineerd, mede op tijdelijke of voorlopige basis.
De Kroatische autoriteiten hebben op 4 juni 2024 nog geen antwoord gegeven op de vragen die het Openbaar Ministerie heeft gesteld op 23 mei 2024, te weten:
“1. With reference to the attached European Arrest Warrant (EAW) issued on 16 April 2024 (ref. no. K- 252/2015), concerning [opgeëiste persoon] (born on [geboortedag] 1981), I hereby request additional information.
Section B of the EAW:
1. Could you indicate which authority issued the decision of 9 April 2024 (ref. no. 2 K-252/2015-55)?
Detention conditions:
2. In which prison in Croatia will [opgeëiste persoon] most probably be detained, should his surrender be authorized?”
Voorgaande overwegingen leiden ertoe dat het onderzoek zal worden heropend en geschorst voor onbepaalde tijd om de Kroatische autoriteiten in de gelegenheid te stellen antwoord te geven op bovengenoemde vragen.
6Aanhoudingsverzoek
De opgeëiste persoon verklaart niet schuldig te zijn aan het feit. De opgeëiste persoon heeft verklaard dat hij in detentie zat in Bjelovar (Kroatië) op het moment dat het feit waarvan hij wordt verdacht zou zijn gepleegd. De raadsvrouw heeft daarom verzocht om de zaak aan te houden, zodat zij stukken kan verstrekken ter onderbouwing van een onschuldverweer. De raadsvrouw heeft verklaard dat zij nog geen tijd heeft gehad om deze stukken op te vragen en te laten vertalen, omdat zij pas op 27 mei 2024 bekend is geraakt met dit EAB en het originele EAB pas één dag voor de zitting heeft ontvangen.
Nu het onderzoek zal worden heropend en geschorst om de reden zoals hiervoor onder 5. is weergegeven, ontstaat voor de raadsvrouw tevens de gelegenheid om stukken te verzamelen ter onderbouwing van een onschuldverweer.
Dictum
HEROPENT en SCHORST het onderzoek ter zitting tot een nader te bepalen zittingsdatum en -tijd, om de Kroatische autoriteiten in de gelegenheid te stellen antwoord te geven op de vragen die zijn gesteld op 23 mei 2024 door het Openbaar Ministerie.
VERLENGT de termijn waarbinnen de rechtbank op grond van artikel 22, eerste en derde lid, OLW uitspraak moet doen op grond van artikel 22, vijfde lid, OLW met dertig dagen – ingaande op het moment waarop de termijn van 90 dagen verstrijkt – onder gelijktijdige verlenging van de gevangenneming met dertig dagen op grond van artikel 27, derde lid, OLW;
BEPAALT dat de zaak binnen een termijn van 30 dagen weer op zitting dient te worden aangebracht.
BEVEELT de oproeping van de opgeëiste persoon tegen een nader te bepalen datum en
tijdstip, met tijdige kennisgeving daarvan aan zijn raadsvrouw.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. J.P.W. Helmonds, voorzitter,
mrs. E. Biçer en A.R. Vlierhuis, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. V.D. Bennett, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 14 juni 2024.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.
Zie artikel 23 Overleveringswet.
Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.
Zie onderdeel e) van het EAB.
ECLI:NL:RBAMS:2023:8493.
HvJ EU 5 april 2016, C-404/15 en C-659-15 PPU, ECLI:EU:C:2016:198 ( Aranyosi en Căldăraru ), punten 92 en 94.
HvJ EU 5 april 2016, C-404/15 en C-659-15 PPU, ECLI:EU:C:2016:198 ( Aranyosi en Căldăraru ), punten 92 en 94.
HvJ EU van 25 juli 2018, zaak ML, ECLI:EU:C:2018:589, punt 87