Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2024-06-26
ECLI:NL:RBAMS:2024:3835
Strafrecht; Europees strafrecht
Eerste en enige aanleg
2,048 tokens
Inleiding
RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13/122982-24 (EAB IV)
Datum uitspraak: 26 juni 2024
UITSPRAAK
op de vordering van 17 april 2024 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).
Dit EAB is uitgevaardigd op 26 januari 2024 door the District Court in Semily (Tsjechië) (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon] ,
geboren op [geboortedag] 1971 te [geboorteplaats] (voormalig Tsjecho-Slowakije),
zonder vaste woon- of verblijfplaats hier te lande,
nu gedetineerd in [penitentiaire inrichting] ,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.
1Procesgang
De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 12 juni 2024, in aanwezigheid van mr. W.H.R. Hogewind, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. L.J. Woltring, advocaat in Haarlem en door een tolk in de Tsjechische taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd.
2Identiteit van de opgeëiste persoon
Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Tsjechische nationaliteit heeft.
3Grondslag en inhoud van het EAB
Het EAB vermeldt een warrant to Detain a Person issued by the District Court in Semily, Czech Republic, of 26 January 2024, Ref. No. 12 Nt 221/2024-30, reference 12 Nt 221/2024.
De uitvaardigende justitiële autoriteit verzoekt de overlevering vanwege het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan naar Tsjechisch recht strafbare feiten. Deze feiten zijn omschreven in het EAB.
4Artikel 14 OLW
Het standpunt van de raadsman
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de overlevering moet worden geweigerd, omdat is gehandeld in strijd met het specialiteitsbeginsel zoals bedoeld in artikel 14 OLW. De opgeëiste persoon is op verzoek van Tsjechië aangehouden in Panama en uitgeleverd voor de tenuitvoerlegging van een opgelegde vrijheidsstraf. Vervolgens is hij bij aankomst in Nederland ook aangehouden voor onder andere de vervolging voor de feiten zoals genoemd in dit EAB. De Tsjechische autoriteiten hebben voor deze verdere vervolging echter geen toestemming aan Panama gevraagd.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de overlevering kan worden toegestaan, omdat er geen sprake is van een weigeringsgrond.
Beoordeling
De rechtbank stelt voorop dat artikel 14 OLW (onder andere) ziet op het verzoek tot aanvullende toestemming voor doorbreking van de specialiteit en voor verderlevering aan een lidstaat van de Europese Unie in het geval de opgeëiste persoon eerder door Nederland is overgeleverd. Die situatie doet zich niet voor zodat artikel 14 OLW niet van toepassing is. Er is ook geen sprake van een eerdere uitlevering of overlevering aan Nederland op grond van een Nederlands uitleveringsverzoek of EAB. De situatie dat Nederland toestemming moet vragen voor verderlevering is dus ook daarom niet aan de orde. De rechtbank verwerpt daarmee het verweer van de raadsman.
5Strafbaarheid; feiten vermeld op bijlage 1 bij de OLW
De uitvaardigende justitiële autoriteit wijst de strafbare feiten aan als zogenoemde lijstfeiten, die in Nederland in de lijst van bijlage 1 bij de OLW staan vermeld. De feiten vallen op deze lijst onder het lijstfeit:
fraude, met inbegrip van fraude waardoor de financiële belangen van de Gemeenschap worden geschaad zoals bedoeld in de Overeenkomst van 26 juli 1995 aangaande de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen.
Uit het EAB volgt dat op deze feiten naar het recht van Tsjechië een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren is gesteld.
Dit betekent dat een onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van de feiten waarvoor de overlevering wordt verzocht, achterwege moet blijven.
6Weigeringsgrond van artikel 11 OLW: recht op een eerlijk proces
Het standpunt van de raadsman
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat overlevering moet worden geweigerd, omdat de opgeëiste persoon geen eerlijk proces in Tsjechië zal krijgen. Op 25 februari 2014 is immers een officier van justitie veroordeeld voor bedreiging omdat hij de opgeëiste persoon heeft voorgehouden dat hij zijn vrijlating zou belemmeren als hij de beëindigde arbeidsrelatie met de vriendin van de stiefzoon van deze officier van justitie niet zou herstellen. De opgeëiste persoon vreest dat deze corrupte officier van justitie heeft bewerkstelligd dat onder andere het onderhavige EAB is uitgevaardigd.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de overlevering kan worden toegestaan, omdat er geen concrete aanwijzingen bestaan dat het recht op een eerlijk proces van de opgeëiste persoon na overlevering zal worden geschonden.
Beoordeling
De rechtbank begrijpt het verweer aldus dat volgens de raadsman op grond van artikel 11 OLW aan het EAB geen gevolg zou moeten worden gegeven, omdat de opgeëiste persoon een reëel gevaar loopt dat zijn grondrecht op een eerlijk proces zal worden aangetast.
Voordat kan worden toegekomen aan een beoordeling van het individuele gevaar van een schending van genoemd grondrecht van de opgeëiste persoon, moet worden aangetoond dat er in Tsjechië een algemeen reëel gevaar bestaat op een dergelijke schending. De raadsman heeft geen objectieve, betrouwbare, nauwkeurige en naar behoren bijgewerkte gegevens overgelegd die daarop duiden. De enkele angst van de opgeëiste persoon voor een onrechtvaardige behandeling van zijn strafzaak is daarvoor onvoldoende. De rechtbank is ook ambtshalve niet bekend met dergelijke gegevens. Aan de vraag of sprake is van een individueel gevaar voor de opgeëiste persoon dat de door de raadsman genoemde rechten in Tsjechië zullen worden geschonden, komt de rechtbank dus niet toe. Het verweer wordt dan ook verworpen.
Conclusie
De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe.
8Toepasselijke wetsartikelen
De artikelen 2, 5 en 7 OLW.
Dictum
STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan the District Court in Semily (Tsjechië) voor de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. R.A. Sipkens, voorzitter,
mrs. M. Wiewel en E. Biçer, rechters,
in tegenwoordigheid van L.E. Poel, griffier.
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 26 juni 2024.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.
Zie artikel 23 Overleveringswet.
Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.
Zie onderdeel e) van het EAB.
Hof van Justitie 25 juli 2018, C-216/18 PPU, ECLI:EU:C:2018:586.