Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2024-05-08
ECLI:NL:RBAMS:2024:3665
Bestuursrecht; Belastingrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,137 tokens
Inleiding
RECHTBANK AMSTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 21/6068
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van
8 mei 2024 in de zaak tussen
[eiser] , te Amsterdam, eiser
en
de heffingsambtenaar van de gemeente Amsterdam.
Procesverloop
Met een besluit van 13 december 2021 heeft de heffingsambtenaar aan eiser een naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd.
Met een uitspraak op bezwaar van 16 december 2021 (de bestreden uitspraak) heeft de heffingsambtenaar het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.
Eiser heeft tegen de bestreden uitspraak beroep ingesteld.
De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 mei 2024. Eiser is verschenen.
Namens de heffingsambtenaar is verschenen [heffingsambtenaar] .
Na afloop van de zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.
Overwegingen
1. De rechtbank geeft hiervoor de volgende motivering.
2. Op 11 december 2021 stond de auto van eiser, met kenteken [kentekennummer] geparkeerd in een parkeervak ter hoogte van [adres] [huisnummer] te Amsterdam. Om 13:47 uur heeft een parkeercontroleur van de gemeente Amsterdam geconstateerd dat geen parkeerbelasting was voldaan, vervolgens is de naheffingsaanslag opgelegd.
3. Volgens eiser is de naheffingsaanslag onterecht opgelegd. Eiser voert aan dat hij geparkeerd stond op een gehandicaptenparkeerplaats waarbij de gehandicaptenkaart duidelijk zichtbaar was in de auto.
4. De heffingsambtenaar stelt dat eiser zijn auto niet geparkeerd heeft op een gehandicaptenparkeerplaats, maar op een parkeerplaats voor betaald parkeren. Op de zitting heeft de heffingsambtenaar aan eiser uitleg gegeven over het gebruik van de gehandicaptenkaart en de gehandicaptenvergunning. Eiser kan op een parkeerplaats voor gehandicapten gebruik maken van de gehandicaptenkaart. Echter, wanneer eiser geparkeerd staat op een parkeerplaats voor betaald parkeren is het gebruik van een gehandicaptenkaart niet voldoende. Bij een parkeerplaats voor betaald parkeren moet eiser gebruik maken van zijn gehandicaptenvergunning, waarbij het kenteken moet worden aangemeld via internet of telefonisch. Nu eiser de gehandicaptenvergunning niet heeft gebruikt is de naheffingsaanslag volgens de heffingsambtenaar terecht opgelegd.
5. De rechtbank overweegt dat de echtgenote van eiser in het bezit is van een Europese gehandicaptenkaart en een gehandicaptenparkeervergunning. Zoals de heffingsambtenaar aan eiser heeft uitgelegd is de Europese gehandicaptenkaart alleen geldig voor gehandicaptenparkeerplaatsen. De gehandicaptenvergunning is geldig voor parkeerplaatsen voor betaald parkeren. De rechtbank stelt aan de hand van de overgelegde foto’s van de scanauto vast dat eiser zijn auto geparkeerd heeft op een parkeerplaats voor betaald parkeren en niet op een gehandicaptenparkeerplaats.
6. Omdat eiser geparkeerd stond op een parkeerplaats voor betaald parkeren, had hij zijn gehandicaptenparkeervergunning moeten gebruiken. Deze vergunning is alleen geldig voor de kentekens die hij voor deze vergunning heeft opgegeven. Het kenteken van de auto waarmee geparkeerd wordt, moet overeenkomen met een kenteken dat voor de vergunning is opgegeven. Dit is ook vermeld in de brief waarin de gemeente de echtgenote van eiser een gehandicaptenparkeervergunning heeft verleend. Eiser moet iedere keer dat hij parkeert het opgegeven kenteken van die auto via internet of telefonisch activeren. Eiser heeft het kenteken van zijn voertuig, [kentekennummer] , niet opgegeven voor de vergunning en dit kenteken vervolgens dus ook niet geactiveerd. Eiser had dus geen geldige parkeerrechten tijdens de parkeeractie. De naheffingsaanslag is daarom terecht opgelegd.
Conclusie
7. Het beroep is ongegrond. Dit betekent dat eiser geen gelijk heeft.
8. De heffingsambtenaar hoeft het door eiser betaalde griffierecht niet te vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. K.S. Man, rechter, in aanwezigheid van
mr. H.M. Dost, griffier, op 8 mei 2024.
griffier
rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunt u binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep instellen bij het gerechtshof Amsterdam, Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.