Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2024-06-13
ECLI:NL:RBAMS:2024:3584
Strafrecht; Europees strafrecht
Eerste en enige aanleg
2,312 tokens
Inleiding
RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13-092236-24
Datum uitspraak: 13 juni 2024
UITSPRAAK
op de vordering van 19 maart 2024 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).
Dit EAB is uitgevaardigd op 4 juli 2023 door the Regional Court in Szczecin, Polen (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon] ,
geboren in [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1995,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:
[adres] ,
gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting [plaats] ,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.
1Procesgang
De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 30 mei 2024, in aanwezigheid van mr. W.H.R. Hogewind, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. T. Kocabas, advocaat te Zoetermeer, en door een tolk in de Poolse taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd.
2Identiteit van de opgeëiste persoon
Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.
3Grondslag en inhoud van het EAB
Het EAB vermeldt een final and binding judgement of the Regional Court in Szczecin van 12 februari 2019 (met kenmerk III K 103/18), en een judgement of the Appeal Court in Szczecin van 26 juni 2020 (met kenmerk II AKa 98/19).
Het EAB vermeldt dat de opgeëiste persoon in persoon is verschenen bij de processen die tot de beslissingen in eerste aanleg (met kenmerk III K 103/18) en hoger beroep (met kenmerk II AKa 98/19) hebben geleid.
De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van vier jaren en twee maanden, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. Van deze straf resteren volgens het EAB nog drie jaren, één maand en zes dagen (1.311 dagen). De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij de hiervoor genoemde beslissingen.
Deze beslissingen betreffen de feiten zoals die zijn omschreven in het EAB.
4Strafbaarheid
4.1
Feit vermeld op bijlage 1 bij de OLW
De uitvaardigende justitiële autoriteit wijst feit 1 aan als zogenoemd lijstfeit, dat in Nederland in de lijst van bijlage 1 bij de OLW staan vermeld. Het feit valt op deze lijst onder nummer 16, te weten:
ontvoering, wederrechtelijke vrijheidsberoving en gijzeling
Uit het EAB volgt dat op dit feit naar het recht van Polen een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren is gesteld.
4.2
Feit waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist
De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft feit 2 niet aangeduid als een feit waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de kaderbesluitconform uitgelegde eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW juncto artikel 7, eerste lid, onder a 2°, OLW zijn neergelegd.
De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan.
Het feit levert naar Nederlands recht op:
opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd
5Artikel 11 OLW: artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de EU
Standpunt van de verdediging
De verdediging stelt zich primair op het standpunt dat de overlevering geweigerd dient te worden, omdat er sterke aanwijzingen zijn dat de bestaande problemen in de Poolse rechtsorde tot problemen hebben geleid in het proces van de opgeëiste persoon.
Uit de overgelegde brief van 17 mei 2024, waarin de Poolse advocaat van de opgeëiste persoon de gang van zaken in de door de opgeëiste persoon in Polen ondergane strafrechtelijke procedures volledig heeft uitgewerkt, blijkt dat een rechter die is benoemd door de Poolse Raad van de Rechtspraak deel heeft uitgemaakt van de zittingscombinatie in eerste aanleg. Dit betrof de Neo-KRS rechter Tomasz Banaś. Op dit moment worden veel zaken teruggewezen naar de rechtbanken om opnieuw te worden bekeken als sprake blijkt te zijn geweest van partijdigheid. In onderhavige zaak is dit echter niet gebeurd. De Poolse advocaat heeft ook stilgestaan bij de samenstelling van rechters tijdens het hoger beroep. Deze samenstelling lijkt handmatig te zijn gewijzigd, aangezien een naam van een rechter is doorgestreept en vervangen door een andere naam. Tot slot valt op dat de opgeëiste persoon tijdens de procedure is bijgestaan door twee advocaten, die nadien beiden zijn geschorst. Deze feiten en omstandigheden raken de individuele verdedigingsrechten van de opgeëiste persoon. Uit voorgaande informatie blijkt dat het recht van de opgeëiste persoon op een eerlijk proces niet is gewaarborgd tijdens de Poolse procedure.
Subsidiair verzoekt de verdediging de behandeling van de zaak aan te houden om aan de Poolse autoriteiten nadere uitleg te vragen over het proces en de eventuele partijdigheid van de genoemde rechter. Meest subsidiair verzoekt de verdediging om aanhouding om de Poolse advocaat een herzieningsverzoek in te laten dienen en de uitkomst daarvan af te wachten, alvorens op het verzoek om overlevering wordt beslist.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de overlevering kan worden toegestaan. Het feit dat een Neo-KRS rechter deel uitmaakte van de zittingscombinatie in eerste aanleg betekent niet automatisch dat de rechten van de opgeëiste persoon geschonden zijn, zo heeft de rechtbank eerder geoordeeld. Uit de overgelegde brief van de Poolse advocaat blijken ook geen elementen op basis waarvan vastgesteld kan worden dat de fundamentele gebreken in de Poolse rechtstaat een concrete invloed hebben gehad op de strafzaak van de opgeëiste persoon. Bovendien betreft deze brief van de Poolse advocaat van de opgeëiste persoon geen objectieve informatie.
Hoewel de door de verdediging genoemde omstandigheden wellicht vragen oproepen over de gang van zaken, zijn deze omstandigheden niet voldoende onderbouwd om de behandeling van de zaak aan te houden om hierover meer informatie op te vragen bij de Poolse autoriteiten. Ook de aankondiging van het indienen van een herzieningsverzoek door de Poolse advocaat is niet voldoende om de behandeling van de zaak aan te houden, aangezien een dergelijk verzoek altijd nog kan worden ingediend.
Conclusie
De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe.
7Toepasselijke wetsbepalingen
De artikelen 2 en 10 Opiumwet en 2, 5 en 7 OLW.
Dictum
STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan the Regional Court in Szczecin, Polen voor de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. A.J. Scheijde, voorzitter,
mrs. C.M. Delstra en D.M.S. Gribling, rechters,
in tegenwoordigheid van L.E. Poel, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 13 juni 2024.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.
Zie artikel 23 Overleveringswet.
Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.
Zie onderdeel e) van het EAB.
Rechtbank Amsterdam, 23 november 2023, ECLI:NL:RBAMS:2023:7720.
Vgl. Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1794, onder verwijzing naar HvJ EU 22 februari 2022, C-562/21 PPU en C-563/21 PPU, ECLI:EU:C:2022:100 (Openbaar Ministerie (Recht op een gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld in de uitvaardigende lidstaat)).