Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2024-04-17
ECLI:NL:RBAMS:2024:3520
Strafrecht; Europees strafrecht, Strafrecht; Internationaal strafrecht
Beschikking
1,387 tokens
Dictum
Naar aanleiding van de verklaring van de opgeëiste persoon ten overstaan van de raadkamer dat hij instemt met zijn onmiddellijke overlevering als verzocht in het ten aanzien van hem uitgevaardigde Europees aanhoudingsbevel (EAB). Dit EAB is uitgevaardigd op 6 maart 2024 door het Amtsgericht Münster, Bondsrepubliek Duitsland (hierna de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon] ,
geboren op [geboortedag] 1999 te [geboorteplaats] ,
inschrijvingsadres in de Basisregistratie Personen:
[adres] ,
nu gedetineerd in [detentieplaats] ,
hierna te noemen de opgeëiste persoon.
1Procesgang
De opgeëiste persoon is gehoord in raadkamer op 17 april 2024. De opgeëiste persoon is bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. S.M. Hof, advocaat te Amsterdam.
Het Openbaar Ministerie is vertegenwoordigd door mr. W.H.R. Hogewind, officier van justitie.
2Identiteit van de opgeëiste persoon
De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon heeft in raadkamer verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Nederlandse nationaliteit heeft.
3Grondslag en inhoud van het EAB
In het EAB wordt melding gemaakt van een arrestatiebevel door het Amtsgericht Münster
d.d. 4 maart 2024 met referentie 23 Gs 1475/24.
De overlevering wordt verzocht ten behoeve van een door de justitiële autoriteiten van de uitvaardigende lidstaat ingesteld strafrechtelijk onderzoek ter zake van het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan een naar Duits recht strafbaar feit.
Dit feit is omschreven in onderdeel e) van het EAB.
4Verklaring van de opgeëiste persoon
De opgeëiste persoon laat desgevraagd weten dat hij begrijpt wat zijn verklaring inhoudt en dat deze onomkeerbaar is. De opgeëiste persoon verklaart dat hij instemt met onmiddellijke overlevering aan Bondsrepubliek Duitsland.
5Standpunten van de raadsvrouw en de officier van justitie.
De raadsvrouw en de officier van justitie hebben zich op het standpunt gesteld dat er geen weigeringsgronden of beletselen zijn die aan de overlevering van de opgeëiste persoon aan Bondsrepubliek Duitsland in de weg staan.
De rechtbank is van oordeel dat artikel 40, tweede lid en onder b, OLW niet aan overlevering in de weg staat. Hoewel de tekst van artikel 40, tweede lid, OLW (nu nog) dwingend geformuleerd is, legt de rechtbank deze bepaling uit in samenhang met het facultatieve kader van artikel 36 OLW. Nu sprake is van een strafbeschikking terzake van een geldboete, waarvoor een betalingsregeling is getroffen, is de rechtbank van oordeel dat dit geen beletsel vormt voor verkorte overlevering.
6Garanties en bedingen.
Terugkeergarantie
Bij brief van 25 maart 2024 heeft Der Leitende Oberstaatsanwalt in Münster de volgende garantie gegeven:
“Verzekerd wordt dat de vervolgde persoon, in geval van een rechtsgeldige veroordeling in de Bondrepubliek Duitsland, op basis van de geldige lezing van het kaderbesluit 2008/909/JI van de Raad van 27 november 2008 inzake de toepassing van het beginsel van wederzijdse erkenning op strafvonnissen waarbij een vrijheidsstraf of een tot vrijheidsbeneming strekkende maatregel wordt opgelegd, met het oog op de tenuitvoerlegging daarvan in de Europese Unie (..) voor de verdere tenuitvoerlegging naar Nederland zal worden overgedragen.”
Naar het oordeel van de rechtbank is de hiervoor vermelde garantie voldoende.
Algemene bedingen
De overlevering wordt niet toegestaan dan onder de algemene bedingen als bedoeld in artikel 14, eerste, tweede en vierde lid, OLW die overeenkomen met artikel 27, tweede en derde lid, en artikel 28, tweede en vierde lid, van Kaderbesluit 2002/584/JBZ. Door in te stemmen met zijn verkorte overlevering verliest de opgeëiste persoon niet de bescherming van het specialiteitsbeginsel noch de bescherming tegen verdere overlevering of uitlevering, zoals bedoeld in de artikel 14 OLW en de artikelen 27 en 28 van Kaderbesluit 2002/584/JBZ.
Conclusie
Nu is vastgesteld dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW en ook overigens geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg staan, voor zover van toepassing in de verkorte procedure, en geen sprake is van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven, dient de overlevering te worden toegestaan voor de feiten zoals omschreven in onderdeel e) van het EAB.
8Toepasselijke wetsartikelen
De artikelen 2, 5, 6 en 14 OLW.
Dictum
Bepaalt dat [opgeëiste persoon] ter beschikking zal worden gesteld van het Amtsgericht Münster, Bondsrepubliek Duitsland.
Aldus gedaan door:
mr. M.E.M. James - Pater, rechter,
in tegenwoordigheid van S.C.M. Plat, griffier.
en uitgesproken in raadkamer van 17 april 2024.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.