Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2024-01-23
ECLI:NL:RBAMS:2024:352
Strafrecht; Materieel strafrecht
Beschikking
4,560 tokens
Inleiding
vonnis
RECHTBANK AMSTERDAM
Afdeling Publiekrecht
Teams Strafrecht
Parketnummer: 13/274262-20
Datum uitspraak: 23 januari 2024
Vonnis van de politierechter te Amsterdam, in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren [geboortedag] 1994 te [geboorteplaats] ( [geboorteland] )
wonende aan [adres verdachte]
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 9 januari 2024. Verdachte was daarbij aanwezig, alsmede haar raadsman mr. W.R. Jonk, advocaat te Amsterdam.
De politierechter heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte en haar raadsman naar voren is gebracht.
1De tenlastelegging
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
1
zij op of omstreeks 9 oktober 2017 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk heeft geteeld, bereid, bewerkt, verwerkt, verkocht, afgeleverd, verstrekt en/of vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, een grote hoeveelheid als bedoeld in artikel 11 lid 5 van de Opiumwet, te weten 200 hennepplanten, zijnde een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet,
( art 11 lid 5 Opiumwet, art 3 ahf/ond B Opiumwet, art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht )
2
zij op of omstreeks 9 oktober 2017 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een hoeveelheid elektriciteit, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander dan aan verdachte en/of haar mededader(s) toebehoorde, te weten aan [benadeelde partij] , heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en/of haar mededader(s) zich de toegang tot de plaats van het misdrijf hebben verschaft en/of die weg te nemen elektriciteit onder haar/hun bereik heeft gebracht door middel van braak en/of verbreking;
( art 310 Wetboek van Strafrecht, art 311 lid 1 ahf/sub 4 Wetboek van Strafrecht, art 311 lid 1 ahf/sub 5 Wetboek van Strafrecht )
2Formele vragen
2.1.
De geldigheid van de dagvaarding
Verdachte is in deze zaak is eerder gedagvaard tegen 31 mei 2023. Verdachte is toen niet verschenen en de politierechter heeft de dagvaarding nietig verklaart omdat :
“verdachte met als achternaam [naam 1] is gedagvaard, terwijl de achternaam [naam 2] moet zijn”.
Verdachte is thans wel verschenen en heeft op de zitting verklaard dat zij thans de naam van haar echtgenoot “ [naam 1] ” draagt en dat zij voorheen [naam 2] was genaamd.
De dagvaarding is dus aan de juiste persoon uitgereikt en geldig.
2.2.
De ontvankelijkheid van de officier van justitie
2.2.1.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft aangevoerd dat de officier van justitie niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vervolging wegens uitzonderlijke overschrijding van de redelijke termijn. De raadsman heeft daartoe samengevat het volgende aangevoerd.
Er is sprake van een uitzonderlijk lange overschrijding van de redelijke termijn van 51 maanden, waarvoor geen enkele rechtvaardiging is te vinden. Het parket in het arrondissement Den Haag heeft enige tijd geleden een groot aantal zaken wegens de overschrijding van de redelijke termijn geseponeerd, waaronder ook zaken betreffende hennepkwekerijen. Het is in strijd met het gelijkheidsbeginsel als dan in de onderhavige zaak wel wordt vervolgd. De Hoge Raad heeft weliswaar beslist dat overschrijding van de redelijke termijn geen grond is voor niet-ontvankelijk verklaring, ook niet in uitzonderlijke gevallen, maar in de feitenrechtspraak wordt toch regelmatig de niet-ontvankelijkheid uitgesproken, zoals onder meer is te zien in de uitspraken van de rechtbank Zeeland Noord-Brabant (ECLI:NL:RBZWB:2021:2903) en de rechtbank Amsterdam (ECLI:NL:RBAMS:2022:4199). Mede gezien de persoonlijke omstandigheden - verdachte heeft dadelijk openheid van zaken gegeven, voor deze zaak is zij nooit met justitie in aanraking gekomen en ook sindsdien niet - is er aanleiding in deze zaak daarom toch de niet-ontvankelijkheid uit te spreken.
2.2.2.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft aangevoerd dat de omstandigheden van deze zaak niet zo uitzonderlijk zijn dat deze tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie moeten leiden. De door de raadsman aangevoerde zaken zijn onvergelijkbaar met deze zaak en wat de precieze beweegredenen van het parket in Den Haag zijn geweest is niet duidelijk. Zaken zijn nooit identiek.
2.2.3.
Beoordeling
Verdachte is in deze zaak op 9 oktober 2017 in verzekering gesteld. Op die datum heeft de termijn van artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) een aanvang genomen. In beginsel dient dan binnen 2 jaar een uitspraak te worden gedaan. De uitspraak vind heden plaats dat wil zeggen op 23 januari 2024. Dat is 6 jaar en 106 dagen na aanvang van de termijn. Er is dan sprake van een overschrijding van 4 jaar en 106 dagen. Voor die aanzienlijke overschrijding is door het openbaar ministerie geen enkele verklaring gegeven.
Op zich zelf is ook een zodanig extreme overschrijding geen grond tot niet-ontvankelijk verklaring. De Hoge Raad heeft immers in het arrest van 17 juni 2008 (ECLI:NL:HR:2008:BD2578) geoordeeld dat ook in uitzonderlijke gevallen de overschrijding van de redelijke termijn geen grond voor niet-ontvankelijkheid vormt. De door de raadsman aangehaalde uitspraken maken dat niet anders. In die uitspraken speelt namelijk meer dan alleen de overschrijding van de redelijke termijn. In de zaak van de rechtbank Zeeland Noord-Brabant speelde een rol dat door het verstrijken van de tijd de verdediging ernstig werd belemmerd bij het doen van nader onderzoek naar de feiten. Er was daarom volgens de rechtbank in die zaak sprake van een schending van het recht op een eerlijk proces als bedoeld in artikel 6 EVRM. In de Amsterdamse zaak speelde daarnaast met name ook een rol dat dit de berechting van een minderjarige betrof. Al die omstandigheden spelen in de onderhavige zaak geen rol. Verdachte was meerderjarig en heeft dadelijk een bekennende verklaring afgelegd. Van enig onderzoek naar de waarheidsvinding dat door het tijdsverloop zou kunnen zijn belemmerd is geen sprake.
De officier van justitie is daarom ontvankelijk in de vervolging
3Bewijsoverwegingen
3.1.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van beide tenlastegelegde feiten
3.2.
Het standpunt van de verdediging
Ten aanzien van de bewezenverklaring heeft de verdediging zich gerefereerd. De verdachte heeft ter zitting te feiten bekend.
3.3.
Beoordeling
De politierechter acht op grond van de bewijsmiddelen en de bekennende verklaring van de verdachte op de zitting beide feiten bewezen.
4De bewezenverklaring
De politierechter acht, op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de bewijsmiddelen, bewezen dat verdachte:
1
omstreeks 9 oktober 2017 te Amsterdam tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk heeft geteeld 200 hennepplanten;
2
omstreeks 9 oktober 2017 te Amsterdam, tezamen en in vereniging met een ander, een hoeveelheid elektriciteit, die aan een ander dan aan verdachte en/of haar mededader toebehoorde, te weten aan [benadeelde partij] , heeft weggenomen met het oogmerk om die zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en haar mededader zich die weg te nemen elektriciteit onder hun bereik hebben gebracht door middel van verbreking.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in haar verdediging geschaad.
Hetgeen meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de politierechter niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.
5Het bewijs
De politierechter grondt zijn beslissing dat verdachte het bewezengeachte heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.
Nu het hier een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359, derde lid, laatste volzin, van het Wetboek van Strafvordering betreft volstaat de politierechter met een opgave van de bewijsmiddelen:
De bekennende verklaring van de verdachte ter terechtzitting van 9 januari 2024.
Proces-verbaal nr. PL1300-2017213714-6 van bevindingen van 9 oktober 2010.
Proces-verbaal nr. PL1300-2017213714-1 van aantreffen hennepkwekerij van 9 oktober 2017.
Proces-verbaal nr. PL1300-2017213714-9 van verhoor van verdachte van 9 oktober 2017
Proces-verbaal nr. PL1300-2017213714-10 verhoor van de medeverdachte 9 oktober 2017
Een geschrift te weten een schriftelijke aangifte van stroomdiefstal van [benadeelde partij]
6De strafbaarheid
Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van het feit of van de verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen te haren laste bewezen is verklaard.
7De strafmaat
Bij de beoordeling van de vraag of en zo je welke straf of maatregel aan verdachte moet worden opgelegd heeft de politierechter het volgende meegewogen.
In de woning van verdachte werd een hennepkwekerij aangetroffen die met gestolen stroom werd geëxploiteerd.
De hennepkwekerijen in woningen zijn een ernstig misstand die ondermijnend werkt. Verdachte heeft aan die ondermijnende activiteiten bijgedragen en zij heeft blijkens haar verklaring deze zelfs geïnitieerd. Zij heeft verklaard dat zij tot deze feiten is gekomen, omdat zij en haar man schulden hadden en zij geen uitweg zagen. Dat kan nooit een rechtvaardiging vormen. Verdachte is blijkens haar justitiële documentatie niet eerder voor een dergelijk feit vervolgd en lijkt op de zitting oprecht als zij verklaart dat zoiets niet opnieuw zal gebeuren.
In beginsel is gezien de hoeveelheid aangetroffen hennepplanten een onvoorwaardelijke werkstraf van 100 uur op zijn plaats.
De officier van justitie heeft, wegens het overschrijden van de redelijke termijn, gevorderd dat wordt volstaan met een geheel voorwaardelijk taakstraf van 20 uur met een proeftijd van 1 jaar.
Zoals hiervoor onder 2.2 is overwogen is de redelijke termijn van artikel 6 EVRM met een aanzienlijke tijd, meer dan vier jaar, overschreden. De officier van justitie heeft daarvoor geen enkele verklaring gegeven. De verdachte heeft sinds dit feit geen enkel contact met justitie meer gehad. De politierechter ziet geen belang aan het aan verdachte opleggen van een voorwaardelijke straf. Dat zou slechts een symbolische betekenis hebben.
Alles in aanmerking genomen is de politierechter van oordeel dat met schuldigverklaring zonder oplegging van straf of maatregel kan worden volstaan.
8De benadeelde partij
[benadeelde partij] (Hierna: [benadeelde partij] ) heeft zich als benadeelde partij in het geding gevoegd en, heeft een vordering ingediend van € 5.086,00, te vermeerderen met wettelijke rente.
De vordering is opgebouwd uit factuur van € 7.083,78, te vermeerderd met € 576,00 incassokosten en verminderd met € 2.573,78 die zouden zijn voldaan.
Blijkens een e-mail van [benadeelde partij] van 8 januari 2024 is het bedrag dat door verdachte op de factuur is voldaan € 2.628,16. Dat betekent dat de vordering pro resto € 5.031,62 zou bedragen.
Het bedrag van de factuur is opgebouwd uit vaste kosten voor onderzoek, administratie en dergelijke ad € 751,65 en elektriciteitsverbruik van € 325,72 (2016) en € 5.411,98 (2017) samen € 5.737,70.
Het verbruik is kennelijk berekend door het berekende gebruik per kweek te vermenigvuldigen met vier voltooide kweken die door [benadeelde partij] aannemelijk worden geacht en de termijn van 14 dagen van de aangetroffen kweek.
De officier van justitie heeft zicht op het standpunt gesteld dat de vordering na verwerking van het betaalde bedrag, zoals geactualiseerd, kan worden toegewezen, met uitzondering van de incassokosten.
De verdediging heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de vordering in zijn geheel niet-ontvankelijk moet worden verklaard, in het voetspoor van de niet-ontvankelijk verklaring van de officier van justitie. Subsidiair heeft de verdediging aangevoerd dat er geen vier oogsten hebben plaatsgevonden en dat de vordering daarom proportioneel moet worden verminderd naar rato van het door de politierechter aannemelijk geachte aantal oogsten.
De politierechter oordeelt als volgt.
Vaststaat dat [benadeelde partij] door de diefstal van stroom schade heeft geleden. De kosten van onderzoek en administratie zijn niet betwist en ook aannemelijk. De omvang van de stroomdiefstal heeft geen invloed op de hoogte van dat deel vordering.
De vraag doet zich voor of door de politierechter met voldoende mate van zekerheid kan worden vastgesteld hoeveel oogsten de verdachte vóór de aanhouding heeft gedaan en daarmee hoeveel stroom is gestolen.
[benadeelde partij] en de politie gaan uit van vier voltooide oogsten. Die aanname wordt onderbouwd met de mate van waargenomen vervuiling van de plantenbakken en van de vloer van de kweekruimten en de mate van verontreiniging van de koolfilters. Daarnaast is rekening gehouden met de datum die op de gipsplaten, die voor de bouw van de kwekerij zijn gebruikt, is vermeld. Uit een en ander leiden [benadeelde partij] en de politie af dat de kweek rond 1 december 2016 is begonnen en dat tot de ontruiming vier kweken waren voltooid.
De verdediging heeft er op gewezen dat de melding van geuroverlast pas op 4 juli 2017 is gedaan en dat niet aannemelijk is dat er veel eerder al sprake was van kweken van hennep. De verdachte heeft verklaard dat er sprake is geweest van één eerdere kweek.
De politierechter overweegt:
De datum op de gipsplaten kan niet meer onderbouwen dan dat zij niet vóór die datum zijn gebruikt. De suggestie in het dossier dat dit de afleverdatum zou zijn en dat de platen dus op die datum aan de verdachte zijn geleverd vindt geen steun in de stukken. Veel aannemelijker is dat die datum de productiedatum is. Hoe hoelang de gipsplaten vervolgens zijn bewaard, voor zij aan de verdachte werden geleverd, kan uit niets worden opgemaakt.
De aangetroffen vervuiling wijst er wel op dat de kweekruimte al enige tijd in gebruik is geweest.
Dictum
De politierechter
Verklaart bewezen wat aan de verdachte onder 1 en 2 ten laste is gelegd, zoals hiervoor weergegeven in paragraaf 4
Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt haar daarvan vrij.
Het bewezenverklaarde levert op:
Ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde
Medeplegen van het opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod
Ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde
Medeplegen aan diefstal, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder haar bereik heeft gebracht door middel van verbreking
Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en verklaart de verdachte daarvoor strafbaar.
Bepaalt dat ter zake van het bewezenverklaarde geen straf of maatregel wordt opgelegd.
Wijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij] gedeeltelijk toe en veroordeelt verdachte tot betaling aan [benadeelde partij] van € 1.128,95, (duizend honderdachtentwintig euro en vijfennegentig eurocent) te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 24 juli 2017 tot aan de dag van betaling.
Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in haar vordering.
Veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij in het kader van deze procedure gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, begroot tot heden op nihil.
Dit vonnis is gewezen door:
mr. G.H. Marcus, politierechter,
in tegenwoordigheid van Y. Anwer, griffier,
en is uitgesproken op 23 januari 2024
Tenzij anders vermeld betreffen de bewijsmiddelen steeds door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren op de wettelijke wijze opgemaakte processen-verbaal.
Zie: Rapport Wederrechtelijk verkregen voordeel hennepkwekerij bij binnenteelt onder kunstlicht, van het Functioneel Parket Afpakken, Update 1 juni 2016 p. 26)